De brave onderdaanoverleeft elke keizer

Belichaamt Josef Švejk, de iconische lapzwans die zich door de Eerste Wereldoorlog heen rommelt, de Tsjechische ziel? 'Tsjechen voelen vanwaar de wind gaat waaien en draaien mee.'

PRAAG / WARSCHAU - De beroemdste soldaat uit de Eerste Wereldoorlog heeft nooit bestaan. Pas nadat de kanonnen zwegen, hoorde de wereld van Josef Švejk, de Tsjechische lapzwans die met lach en list door de oorlog zwalkt ter meerdere glorie van de keizerlijke-koninklijke dubbelmonarchie.

Jaroslav Hašek had zijn geesteskind eerder opgevoerd in korte satirische werkjes, maar pas in 1921 verscheen het eerste deel van 'De lotgevallen van de brave soldaat Švejk ten tijde van de wereldoorlog'.

In zijn nieuwbakken vaderland, Tsjechoslowakije, werd Hašeks boek koeltjes ontvangen. De Tsjechen hadden nog maar net hun onafhankelijkheid bevochten, en nu kregen ze direct een spiegel voor de neus met daarin een weinig heldhaftige verschijning: een rondbuikig, ongeschoren figuurtje met soldatenpet en een onnozele blik. De illustraties verschenen direct bij de tekst, dankzij de vriendschap tussen Hašek en de schilder Josef Lada.

Erkenning bracht ironisch genoeg de Duitse vertaling. De verliezers van de Grote Oorlog waren duidelijk gevoeliger voor de humor van een anti-militaristische schelmenroman dan de Tsjechoslowaken, druk doende hun nationale identiteit te bevestigen. Mede daardoor werd de oer-Tsjechische antiheld wereldwijd bekend onder zijn Duitse naam: Schweik of Schwejk.

Een andere reden waarom Hašeks meesterwerk niet direct op waarde werd geschat, was de taal. De narratie voldeed aan de literaire eisen van zijn tijd, maar veel personages bezigen een volks Tsjechisch. Dat wordt nog doorspekt met germanismes en wat zinnen Hongaars, Pools, en andere talen uit de dubbelmonarchie.

Ook de tekeningen braken met de heersende conventies. Lada's Schwejk lijkt zo te zijn weggelopen uit een stripboek of tekenfilm. Daarmee was hij zijn tijd ver vooruit. In dezelfde karikaturale stijl portretteerde hij zijn schrijvende vriend. En zo kan het gebeuren dat Hašek en Schwejk, vader en geesteskind, nu samen voor hun huisje zitten in Lipnice nad Sázavou, een piepklein stadje in de heuvels van Bohemen.

Het stadshart is 'hospoda' (café-herberg) waar het bier rijkelijk vloeit op het zomers terras. Hier woonde Hašek, alvorens een huisje te betrekken aan de overkant van de straat. "Hij heeft zijn leven lang rondgezworven", zegt mevrouw Soupalova die het museumpje beheert. "Het zijn vooral schoolklassen die hier komen", vertelt ze. Schwejk is verplichte kost voor elke Tsjech. Maar wie is Schwejk voor Tsjechië? Waar staat hij voor? Mevrouw Soupalova haalt verontschuldigend haar schouders op. Ze heeft het boek nooit gelezen, bekent ze, maar kent alle karakters dankzij de verfilmingen.

Ze hangen in teken- en filmverschijning aan de muren: verklikker Bretschneider, de altijd hongerige soldaat-schoenenpoetser Baloun, de boosaardige luitenant Dub, de debiele kolonel Friedrich Kraus von Zillergut en Schwejks Hongarenhatende vriend Vodi¿ka van de genietroepen. Het Oostenrijkse woord voor aalmoezenier, Feldkurat, heeft de monarchie waarschijnlijk overleefd dankzij Hašeks typetje Otto Katz, de eeuwig bezopen aalmoezenier die Schwejk in huis haalt als bediende.

Idiotisme

Voordat Schwejk bij Katz belandt, probeert hij op andere manieren uit de oorlog te blijven. Hij gaat prat op zijn ongeschiktheid wegens idiotisme, de Habsburgse variant van S5. Als dat niet werkt, veinst hij reumatiek. Zijn veilige baantje bij de aalmoezenier gaat verloren als deze hem bij het kaarten verspeelt aan Oberleutnant Lukáš.

Op weg naar het front als hulpje van de Oberleutnant zwerft Schwejk van cachot naar drinkgelach, van misverstand naar knokpartij, van Tsjechië naar Wenen, van Boedapest naar het front in de Karpaten. Nooit verliest hij zijn goede humeur en altijd verklaart hij luidkeels zijn trouw aan de keizer. Hij wordt krijgsgevangen gemaakt door zijn eigen leger, dat hem aanziet voor een Rus.

Als hij weer uit het cachot komt en zich opnieuw gehoorzaam meldt bij zijn 91ste regiment, breekt het verhaal abrupt af. Zijn geestelijke vader, Hašek, stierf in 1923, 39 jaar jong, aan tuberculose en de gevolgen van overmatig alcoholgebruik.

'De lotgevallen' is een sleutelroman. Personages uit het boek zijn terug te voeren op mensen die Hašek ontmoette tijdens zijn leven als anarchist in Praag en vervolgens in het 91ste Boheemse infanterieregiment dat net als Schwejk naar het Russische front marcheerde. Had Hašek langer geleefd, dan was Schwejk ongetwijfeld in Russische krijgsgevangenschap beland, net als hijzelf.

Hoe het verder met Schwejk zou zijn gegaan, weten we niet. Hašek zelf nam dienst in de Tsjechische legioenen, die vochten voor een onafhankelijk Tsjechoslowakije, om over te stappen naar het Rode Leger, communist te worden, terug te keren naar Bohemen, Schwejk op de wereld te zetten en te sterven.

Sympathieke cynicus

De vier kamertjes in Lipnice zijn het enige Schwejk-museum in Tsjechië. Tsjechen zijn wars van de monumentenmanie die in veel buurlanden heerst, maar de stiefmoederlijke behandeling van 's lands beroemdste literaire personage is niettemin opmerkelijk. En karakteristiek.

Een rondje langs Tsjechische kennissen leert dat een dubble houding jegens Schwejk wijdverbreid is. "Buitenlanders denken dat wij Schwejken zijn", zegt Hanna. "Maar wij willen onszelf niet zo zien." Mirek denkt na over de vraag of de brave soldaat model staat voor de Tsjechische Jan-met-de-pet. "Het feit dat ik er zo moet nadenken, zegt eigenlijk al genoeg."

De houding jegens Schwejk is ambigu, omdat Schwejk zelf ambigu is. Schwejk oogt sympathiek, maar achter de joviale drinkebroeder gaat een berekenende cynicus schuil, een rasopportunist. Hij drijft een handeltje in gestolen honden, is een zuipschuit en doet volop mee aan het hypocriete circus om hem heen. Niet iemand om trots op te zijn.

"Schwejk is ambivalent. Hij is goed, noch kwaad, dom noch intelligent", zegt Stanislav Komárek, bioloog, filosoof en romanschrijver. De professor nam recentelijk deel aan een hooggeleerd debat over de vraag of Schwejk een boosaardige karikatuur is of het archetype van de Tsjechische ziel. "Op zijn Jungiaans gezegd is Schwejk een schaduwbeeld van de Tsjechen", zegt hij. "Tsjechen zijn geen helden. En ik ben geen uitzondering," voegt hij er met een glimlach aan toe.

In 1983 vluchtte Komárek uit het communistische Tsjechoslowakije naar Oostenrijk. "Als kind had ik een hekel aan het boek, dat ik een literaire mislukking vond." Dat veranderde pas toen hij Oostenrijk leerde kennen. "Mijn verblijf in Oostenrijk heeft me heel erg geholpen om Schwejk te begrijpen. Nu waardeer ik het boek." Jaren werkte hij op een ministerie in Wenen. "De commissies die ik daar heb meegemaakt, waren een déjà vu, alsof je net als Schwejk voor de commissies van het Oostenrijks-Hongaarse leger moest verschijnen."

Iets van de k.u.k. (kaiserliche und königliche, een verwijzing naar staatshoofd Frans Josef I van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije ) rituelen, rangen, standen, titels en omgangsvormen is blijven hangen in de landen van de verdwenen veelvolkerenstaat, die in het Duits worden aangeduid als 'Mitteleuropa'. De statieportretten van het staatshoofd al dan niet door vliegen bescheten, de ondoorgrondelijke dubbele behuisnummering, de cynische gelatenheid waarmee politieke schandalen worden ondergaan. Het zijn erfenissen van de k.u.k.-bureaucratie, -corruptie en -hypocritie, waar mee Schwejk honderden pagina's lang een loopje neemt.

"Schwejk is een karikatuur van de Donaumonarchie", concludeert Komárek. "Dat is moeilijk uit te leggen aan iemand van buiten 'Mitteleuropa'. Bij jullie daar in het noorden is alles zo rechtstreeks, zo serieus. 'Mitteleuropa' is dubbelzinnig, de dingen zijn niet wat ze lijken." Een lichtvoetig cynisme dat de grenzen van de oude Donaumonarchie tot op de dag van vandaag markeert. Daarbinnen nemen de volkeren van de vroegere keizer elkaar nog steeds de maat. Net als in het boek, waar Tsjechen, Oostenrijkers, Hongaren, Polen, Bosniërs om beurten worden neergezet als karikaturale typetjes.

"Oostenrijkers zijn cynisch, net als de Tsjechen", zegt Komárek. "Maar daarbij zijn ze gezagsgetrouw." Schwejk is ook heel gezagsgetrouw, alleen is die gezagsgetrouwheid een masker, een farce. Het is de Tsjechische 'Antizipationsfähigkeit', een mengelmoes van vooruitzien en je aanpassen. "Tsjechen voelen vanwaar de wind gaat waaien en draaien mee. Ze dienen elke overheid, totdat die overheid zo zwak is dat ze kan worden verslagen."

En dat is een groot verschil met de Polen, die de afgelopen twee eeuwen steeds in opstand kwamen tegen hun bezetters en daarvoor de prijs van dood en verwoesting betaalden. "Polen zijn in de Tsjechische optiek weliswaar dapper en idealistisch, maar erg onpraktisch. Wij zijn sluw. Onze morele code is anders dan die van de Polen. In Polen was tien procent van de bevolking van adel. Een ridder kruipt niet weg voor de vijand, een onderdaan wel."

Schwejk is de ultieme onderdaan, of eigenlijk een schijnonderdaan, die zijn rolletje in het k.u.k.-theater overtuigend speelt. Daarbij overstijgt hij Tsjechië. "Schwejk is het type van de Midden-Europese aanpasser. Wat wij 'švejkovat' noemen - de Schwejk uithangen - komt in de hele regio voor", zegt Komarek. "Een Schwejk is iemand die zich in alle omstandigheden aanpast en alles overleeft."

Dat blijkt een succesvolle strategie. Daar waar die andere beroemde Praagse Jozef, Jozef K., de hoofdpersoon uit Kafka's romans, verdwaalt en verstikt in doolhoven van boosaardige bureaucratie, overleeft Schwejk.

De oostfronten van de Eerste Wereldoorlog waren niet minder gruwelijk dan het front in Frankrijk en leidden ook hier tot een gevoel van absurditeit, anarchisme en anti-patriotisme. Maar waar Celine's reis door de nacht eindigt in een zwartgallig cultuurpessimisme, zal Schwejk na de oorlog met onverstoorbare ironie terugkeren naar zijn bierpul in zijn Praagse stamkroeg, onder het onvertaalbare motto: "De dingen zijn zoals ze zijn en zoals ze altijd zijn geweest. Het is nog nooit gebeurd dat de dingen niet zo waren, dat ze niet waren zoals ze moesten zijn."

Standbeelden en fietsroutes

Deze wijsheid is in vele varianten bekend in de voormalige Sovjet-Unie, waar de brave soldaat nog altijd populair is. Hij heeft er standbeelden en een museum en zijn lotgevallen werden er in Sovjet-tijden verfilmd. In Polen - vooral in het zuiden, dat onder de naam Galicië deel uitmaakte van de Donaumonarchie - is de gehoorzame k.u.k.-onderdaan bezig aan een bescheiden comeback, met standbeelden, fietsroutes en Schwejk-genootschappen.

De brave soldaat vertegenwoordigt een gemeenschappelijke trek van de onderworpen volkeren in Oost-Europa. Hij springt in de houding voor zijn superieuren en begint zijn betoog steevast met de frase "Ich melde gehorsam." (Ik meld me gehoorzaam). Maar die gehoorzaamheid heeft maar één doel: overleven.

Na deze bewezen lippendienst, denkt hij er het zijne van en zegt wat hij wil, als er geen verklikkers in de buurt zijn. Hij knipmest naar de overheid, maar gaat zijn eigen gang, zodra die overheid zijn hielen ligt. Welke beproeving de twintigste eeuw de Oost-Europeanen ook bracht - k.u.k.-bureaucraten, dictators van eigen bodem, nazi-bezetting en communistische heilstaat - Schwejks levenswijsheid bleef onverminderd van kracht: "Er zijn veel dingen op deze wereld die je niet mag doen, maar wel kunt doen. Het belangrijkste is proberen of verboden dingen toch mogelijk zijn."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden