De Brabantse frater Johannes: 'Leven in een kamp is ook niet alles.'

PARAMARIBO - Het is elf uur. De maandelijkse voedselverstrekking aan de vluchtelingen bij de Pater Albringh Stichting in de Surinaamse hoofdstad loopt ten einde. Een jonge Bosnegervrouw loopt hijgend het houten kantoor binnen. "Ik weet dat ik laat ben, maar de bussen rijden weer eens niet. Kan ik nog een pakket krijgen?"

Frater Johannes kijkt enigszins verstoord van zijn administratie op. "Vooruit" , zegt hij dan, "ik zal kijken of het magazijn nog open is." Op de binnenplaats van de PAS staat in de schaduw van de mangobomen nog een groepje vrouwen na te praten. In hun armen dragen ze grote zilverkleurige blikken met voedsel. "Gemiddeld krijgen ze zo'n tien kilo per maand mee" , zegt frater Johannes. "Maar we zijn dat aan het afbouwen. In juni stoppen we helemaal met het verstrekken van pakketten, er is geen geld meer voor. Bovendien" , voegt hij er aan toe, "kunnen we niet eeuwig doorgaan met deze hulp. De mensen moeten zichzelf leren redden."

In het magazijn controleert hij de lijst en vult de gele Schipholtas met bruine en witte bonen, spliterwten, suiker, zout en cacao. Als cadeautje stopt hij er nog een glimmend blik bij. Beatrice kijkt tevreden de inhoud van de tas na. "Ik had niets meer in huis" , zegt ze. "Hiermee kan ik net de eindjes aan elkaar knopen."

Vijf jaar geleden vluchtte Beatrice uit een dorpje in het oosten van Suriname dat door het leger werd platgebrand. Samen met haar moeder en vier kinderen woont ze nu in een gekraakte woning in Paramaribo. Haar man vluchtte naar FransGuyana en heeft sindsdien niets meer van zich laten horen. De overheid schrapte haar van de lijst voor een uitkering, omdat ze een half jaar niet kwam opdagen. Op alimentatie voor de kinderen hoeft ze niet te rekenen. Haar werk in een sociaal centrum levert 500 Surinaamse gulden op, voor een ongeschoolde arbeidskracht is dat in Suriname geen slecht loon. "Maar" , zegt Beatrice, "soms weet ik gewoon niet hoe ik de kinderen eten moet geven."

Beatrice denkt er niet over naar haar dorp terug te keren. "Hoe zou dat moeten" , zegt ze. "Er staat geen huis meer overeind. Mijn moeder en een paar andere familieleden zijn een paar keer gaan kijken. Maar hoe moeten we geld bij elkaar krijgen om een woning te bouwen als we hier nauwelijks kunnen rond komen?"

Niet bekend

Voor de evacuees is het heel wat moeilijker om in hun onderhoud te voorzien dan voor de vluchtelingen in de kampen in Frans-Guyana, terwijl ze hetzelfde hebben doorgemaakt. Aan de Franse kant is de medische voorziening en de voedselverstrekking ruim voldoende. Maar de vluchtelingen in Paramaribo moeten zien rond te komen van een kleine toelage die varieert van 30 tot 200 Surinaamse guldens per maand. Daar kan niemand van leven. De mensen moeten er dus zoveel mogelijk bij hosselen.

"In Frans Guyana hebben de mensen wel beter te eten" , zegt frater Johannes nuchter, "maar hier kunnen ze gaan en staan waar ze willen. Het leven in een kamp is ook niet alles. In Suriname laat de overheid het afweten" , zegt hij. "En de hulporganisaties kunnen en willen niet alles op hun nek nemen. De mensen moeten dus zelf wat aanpakken, want met afwachten gebeurt er niets." Volgens hem zijn er al heel wat mensen naar hun dorp teruggekeerd. "Op dit moment staan zo'n 1300 mensen ingeschreven, dat is een derde van het aantal dat in 1987 binnenkwam. Vooral de indianen zijn uit de stad vertrokken, die maken zich minder afhankelijk van hulp dan de boslandcreolen. Het leven van de indianen past niet in een strakke structuur, ze willen niet gedirigeerd worden."

Hoeveel evacuees er in de stad wonen kan hij niet zeggen, sommigen schatten ruim tienduizend. "Niemand weet dat precies. Ik ben een jaar geleden begonnen met een gedegen registratie. Als iedere instantie die zich bezighoudt met de evacuees hetzelfde zou doen, kunnen we de handen ineenslaan. Voor de wederopbouw is dat noodzakelijk. Maar het gebeurt niet, de organisaties werken langs elkaar heen."

Zuster Landvreugd van de Evangelische Broedergemeenschap bevestigt zijn woorden. De kleine tengere vrouw, afkomstig uit het bauxietplaatsje Moengo, is de tijdelijke beheerster voor evacuees. Zij weet zelfs niet hoeveel mensen er nu precies in de herberg wonen. "Zo'n zestig" , zegt ze twijfelend. Ook zij vindt dat het tijd wordt dat ze terugkeren. "Dit tehuis is bedoeld voor reizigers en niet voor permanente vestiging. Maar we hebben al met doorstroom te maken. In het begin woonden hier de vluchtelingen die in 1987 naar de stad kwamen. De meesten van hen zijn terug of hebben een woning in de stad kunnen kraken. Een huurwoning is tenslotte niet te betalen."

De herberg wordt sinds drie jaar bewoond door boslandcreolen uit Pokigron, een dorpje aan het stuwmeer. Hun dorp werd in '89 platgebrand door het Jungle-commando van Ronnie Brunswijk. Nu wonen ze verdeeld over het opvangcentrum van het EBG en een gebouw van de overheid. Van luxe is geen sprake. Met zo'n acht personen slapen de mensen in kleine kamertjes. Sommigen op de grond, want er is een chronisch gebrek aan bedden.

Een jonge man met goudkleurige bril voert het woord in vlot Nederlands. Hij woont al jaren in de stad maar is als penningmeester actief in het comite 'Terug naar Pokigron'. "Van de overheid krijgen we wat gereedschap om het dorp op te bouwen" , zegt hij, "en we proberen zoveel mogelijk zelf te doen. De jongeren pendelen tussen dorp en stad om voorbereidingen te treffen voor de terugkeer. Hij wijst op de bejaarde boslandcreolen en de vrouwen met baby's. "Zij blijven hier achter. Als we eenmaal alles op poten hebben gezet kunnen zij ook weer terug naar het dorp. Een andere oplossing is er niet."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden