DE BOODSCHAP VAN DE BANDHEIDELIBEL BIOLOGIE

Of het door het broeikaseffect komt, durven de meteorologen nog altijd niet te zeggen. Maar de wereld wordt wel warmer, met Nederland als laatkomer. Laat de natuur daar al iets van zien?

Begin deze eeuw kwam de bandheidelibel nog voor in Noordwest-Europa, maar daarna was hij uitgestorven. In 1953 werd hij voor het eerst weer in het toenmalige Oost-Duitsland gesignaleerd. Bij Frankfurt an der Oder, aan de grens met Polen. Langzaam rukte het insekt daarna op. Halverwege de jaren zeventig bereikte hij het IJzeren Gordijn, eind jaren zeventig had hij vaste voet in het oosten van West-Duitsland. Begin jaren tachtig was hij weer in Nederland.

Er is slechts één waarneming die niet in dit beeld past, vertelt Wasscher, medewerker van de stichting EIS (European Invertebrate Survey) in Leiden. In 1971 is een exemplaar in België gezien. Vergissing is praktisch uitgesloten: de bandheidelibel dankt zijn Nederlandse naam aan opvallende bandjes over de vleugels. “Het is echt één van de allermooiste.”

Er zijn verschillende verklaringen denkbaar voor de waarneming bij onze zuiderburen. Misschien was het een zwerver, zegt Wasscher. Of mischien zat daar een relictpopulatie en is de soort in België nooit helemaal uitgestorven geweest. Hoe dat zij, de bandheidelibel is terug. In Nederland is hij dit jaar bij honderden gezien. In Brabant.

De vraag was of hij een voorbeeld kan geven van een libel die nu al reageert op de opwarming van het klimaat. De bandheidelibel zou zo'n voorbeeld kùnnen zijn. De soort gedijt goed in een typisch landklimaat: van koude winters heeft hij geen last, terwijl hij gebaat is bij hete zomers. Maar: “Er zijn altijd meer factoren in het spel, het is heel moeilijk ze te scheiden.”

Wasscher werkte de afgelopen jaren mee aan een project van het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieuhygiëne (RIVM). Welke bijdrage leveren toxische stoffen aan de achteruitgang van ecosystemen, wilde dit instituut weten. De zaak werd grondig aangepakt: om te beginnen werden de effecten geschat van de 'overige relevante milieuproblemen'.

Met vijf collega's becijferde de bioloog de gevolgen van de 'ver'-thema's (vermesting, verzuring, verdroging en versnippering) voor 60 libellen, 68 dagvlinders, 179 broedvogels, 11 vleermuizen, 38 overige zoogdieren en 1253 hogere planten. En de effecten op deze flora en fauna van een verandering van het klimaat.

Verrassende uitkomst: “Klimaatverandering heeft (...) als enige factor een relatief groot aantal soorten die positief gevoelig zijn. Het gaat hierbij vooral om soorten met een zuidelijke verspreiding in Europa”, schrijft het RIVM in het eindrapport. Al laat het instituut dat zijn bestaansrecht ontleent aan onze zorg voor het milieu zich natuurlijk niet uit het veld slaan: “Het is nog maar de vraag of het wenselijk is dat deze soorten in aantallen zullen vooruitgaan in Nederland.”

'Flora en Fauna 2030' gaat niet over de realiteit van nu, beklemtonen de betrokken wetenschappers. Het is een prognose. Daarbij horen vooronderstellingen waarover altijd discussie mogelijk is.

“We moesten bij voorbeeld aannemen dat de gemiddelde temperatuur in Nederland tot het jaar 2030 met een tiende graad per jaar zou stijgen”, zegt Ruud van der Meijden van het Rijksherbarium in Leiden. Aan de telefoon: “Dat is natuurlijk een absurde veronderstelling.” Later, tijdens het interview klinkt het genuanceerder: “Dat uitgangspunt is niet geheel in overeenstemming met de voorspellingen van de meteorologen.” Van der Meijden 'deed' de hogere planten. 38 procent daarvan zou positief reageren op de veronderstelde stijging van de temperatuur, dus er in aantal of verspreiding op vooruit gaan, schreef hij het RIVM, en 10,7 procent negatief.

De overige resultaten: 6,7 procent van de libellen zou positief reageren, 0 procent negatief. De dagvlinders: 16,9 procent positief, 4,2 procent negatief. Broedvogels: 19,0 procent positief, 3,3 procent negatief. Vleermuizen: 36,4 procent positief, 0 procent negatief. En de overige zoogdieren: 34,2 procent positief, 21,0 procent negatief.

Freelance bioloog Cees Zoon wierp zich op de 'overige zoogdieren'. Hij somt nog eens de karakteristieken op die samen zouden hangen met een warmer klimaat: de gemiddelde jaartemperatuur in Nederland stijgt, het groeiseizoen wordt langer en het verdampingsoverschot in de zomer gaat omhoog. “Dat overschot is in Zuid-Frankrijk groter dan hier. Wij zouden wat dat betreft die kant op gaan: de zomers worden droger.” De winters worden juist natter. En, van belang voor planten- en dierenleven langs de kust: de zeespiegel gaat omhoog.

De gevolgen van dat alles zullen vooral te merken zijn aan soorten die in Nederland marginaal zijn, die hier aan de rand van hun verspreidingsgebied zitten, zegt Van der Meijden. Soorten met een areaal waarvan het zwaartepunt ten zuiden van Nederland ligt, zouden naar het noorden kunnen oprukken en daarmee, althans in ons land, profiteren. Zoon noemt de slaapmuizen: de hazelmuis, de eikelmuis en de relmuis. En ook de ondergrondse woelmuis. Die zitten nu in het zuiden en midden van Nederland.

Soorten met een areaalszwaartepunt in Scandinavië zouden hetzelfde kunnen doen, maar daardoor juist verdwijnen: de noordse woelmuis bij voorbeeld. Deze muis komt alleen nog voor langs de Noordzeekust en in Friesland. Hij is al in de laatste ijstijd geïsoleerd geraakt van zijn hoofdareaal in Oost-Europa en Scandinavië.

De noordse woelmuis bewoont vochtige oevervegetaties langs sloten, plassen en rivieren. Ruilverkaveling, vuilstort, recreatie en de aanleg van industrieterreinen eisen daar hun tol. Tegelijkertijd vormen nieuwe wegen evenzovele rode lopers voor zijn belangrijkste concurrenten: de aardmuis en de veldmuis, die de rest van het land bewonen. “Die rukken op via de bermen en de aangelegde beplanting en drukken hem uit zijn biotoop.”

Dat heeft op zich weinig met klimaat te maken, maar Wasscher zei het al: dit soort dingen zijn altijd een complex van factoren. Zoon: “Een opwarming van het klimaat zou het duwtje kunnen zijn, waardoor de noordse woelmuis het definitief zou verliezen.”

De samenwerkende organisaties vogelonderzoek Nederland (SOVON) namen de broedvogels voor hun rekening. Frank Saris noemt vlot een aantal voorbeelden van soorten die positief op de veronderstelde verandering van het klimaat zouden reageren: de Cetti's zanger en de graszanger (vroeger: waaierstaartrietzanger). De noordse stern daarentegen zou het moeilijk krijgen.

Maar ziet Saris nú al iets?

De bioloog zucht. Vogels vormen wat dit aangaat geen gemakkelijke groep. “Nederland is te klein. Vogels, dat is per definitie grote-afstandenwerk. Je moet het op Europese schaal bekijken.”

En Zoon?

“Nee, eigenlijk nog niet zo veel. Andere factoren, zoals landschapsverandering en biotoopvernietiging zijn sterker.” En daarbij: zijn zoogdieren hebben een groot aanpassingsvermogen. Neem nog eens de noordse woelmuis. “Die vermenigvuldigt zich als een lemming. De macht van het getal: als hij schade oploopt, kan hij die in één jaar herstellen. Hij kan het heel lang volhouden, als er maar af en toe een goed jaar is.”

Zoon kan ècht geen voorbeeld geven van een zoogdier waaraan je nu al ziet dat het warmer wordt. Saris wel van een vogel: de graszanger rukt al tientallen jaren op. Hoewel, dat dééd hij tot 1977.

De graszanger heeft een enorm verspreidingsgebied: grote delen van Afrika en zuidelijk Azië. In Europa komt hij voor langs de Middellandse Zee. In 1972 werd hij voor het eerst in Nederland waargenomen. Er werden zelfs broedgevallen geconstateerd. Met name in Zeeuws-Vlaanderen leek zich een bloeiende populatie te ontwikkelen.

Algemeen werd verwacht dat de vestiging van de graszanger in ons land permanent zou zijn, totdat een periode van wat langer durende vorst in de winter van 1977-1978 de aantallen sterk deed teruglopen. De strenge winter van 1978-1979 deed de deur dicht. In '79 werd de vogel in ons land nog maar één keer gezien.

In de jaren nadien is hij weer vaker gesignaleerd, zegt Saris. “Maar sinds een rij van drie koude winters (1984-1985, 1985-1986 en 1986-1987) broedt hij hier niet meer.”

Het voorbeeld van de libel van Wasscher vertoont een zekere gelijkenis met dat van de broedvogel van Saris. De bandheidelibel is sinds 1985 ook niet verder opgeschoven. “Misschien”, oppert de bioloog een weinig-zeggende verklaring, “heeft hij de uiterste grens van zijn verspreidingsgebied bereikt.”

Wasscher zag trouwens méér libellen komen: de kleine roodoogjuffer bij voorbeeld was hier tot 1969 zeer zeldzaam. Sindsdien wordt hij steeds vaker gesignaleerd: ten zuiden van, ruwweg, de lijn Alkmaar-Coevorden. En soms daarboven: hij is al gezien in Veendam.

Klimaat?

“Dat is bij deze soort zeer waarschijnlijk”, begint Wasscher. Waarna hij zijn enthousiasme indamt: de kleine roodoogjuffer legt haar eitjes bij voorkeur in de buurt van grofhoornblad; de larven kunnen zich op die waterplant goed verbergen tegen predatoren. “Al schijnt er in de verspreiding van die plant niets veranderd te zijn.”

Van der Meijden legt nog eens uit waarom het zo moeilijk is om een antwoord op onze vraag te geven. “Arealen zijn altijd beweeglijk. Ze trekken zich terug, breiden zich uit. Vaak hebben we geen flauw idee waarom. En dat gebeurde ook al toen de mens nog veel minder invloed had.”

De bioloog van het Rijksherbarium zwaait met een nog niet gepubliceerde studie van zijn organisatie naar het uitsterven van 75 planten sinds 1900. Als belangrijkste oorzaak noemt die: toeval. En: hoe verder het zwaartepunt van het areaal weg ligt, hoe groter de kans op, verdwijning is.

En het klimaat speelde geen enkele rol?

“Nee. Het is een vrij constant proces. Er is geen verschil tussen nu en het begin van deze eeuw.”

Het aantal planten dat ons land binnenkomt houdt ongeveer gelijke tred met het aantal dat verdwijnt, vertelt hij ook nog. Helaas: een studie naar, zeg, de binnenkomst van 75 soorten in deze eeuw is nog niet gedaan.

Zelf heeft Van der Meijden nog een prachtig voorbeeld: “Flora en fauna 2030 leverde wel iets leuks op, iets dat ik niet had verwacht. Een groot aantal planten dat in het echt nu al vooruitgaat, blijkt dat bij opwarming van het klimaat verder te zullen doen. Maar reageren ze nou op die opwarming of is het alleen maar een correlatie? In dat geval zou er een andere verklaring moeten zijn.”

En die is er, aldus de bioloog: verstening. Het aantal dijken is toegenomen, de havenhoofden zijn uitgebreid. Er komen steeds meer opgespoten zandgronden, maar vooral ook stedelijke gebieden en wegen. In zo'n versteende omgeving, die de warmte van de zon goed vasthoudt, kan de temperatuur behoorlijk afwijken, hoger zijn dan je verwacht. En dat geeft ruimte voor onvermoede bewoners.

“Straatliefdegras is een subtropisch plantje. Vroeger kwam het regelmatig Nederland binnen, de zaden reisden mee met graantransporten over zee. Het vroor dood, elk jaar opnieuw. Halverwege de jaren zestig wist ik één polletje te staan, in de Vierhavenstraat in Rotterdam. Toen ik daar in 1967 weer eens ging kijken, wist ik niet wat ik zag: polletjes, overal.”

In de jaren na 1967 zag Van der Meijden zijn favoriete plantje eerst Rotterdam-Zuid en vervolgens, in een onwaarschijnlijk tempo, Nederland veroveren. “Ik zag het steeds vaker, tussen trottoirtegels en kinderhoofdjes, waar ik ook kwam. Ik heb nog een tijdje gedacht dat ik de zaden zèlf, via mijn schoenzoelen verspreidde.”

Die theorie heeft hij weer verlaten, waarschijnlijk waren het de banden van de vrachtwagens van een transportbedrijf dat in de buurt was gevestigd. Dat straatliefdegras het opeens deed, wijt hij nu aan de zeer plaatselijke opwarming die een gevolg is van verstening. Aan opwarming: niet van het macro- maar van het micro-klimaat.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden