De bonte dingen waarin God zich verheugt

Soms zijn de mensen een beetje in de war - en dan niet een voor een, een ieder op zijn eigen tijd, nee, met zijn allen tegelijk, massaal. Dat was het geval in de zestiende eeuw en het is zo in onze tijd. De huidige verwarring wordt met een deftig woord postmodernisme genoemd. De confusie van ruim vier eeuwen geleden heet Reformatie.

Er is natuurlijk een verschil. In de tijd van de Reformatie probeerden geestelijke leiders een uitweg uit de onzekerheid te wijzen; tegenwoordig doen toonaangevende denkers niets liever dan de chaos vergroten.

Geschiedschrijving zegt vaak net zoveel over de tijd waarin ze ontstaat, als over het tijdperk dat ze behandelt. Toevallig keek ik onlangs eens in het 'Handboek der kerkgeschiedenis', de derde druk, precies zestig jaar oud, waarin de nog steeds gerespecteerde aartsbisschop Jan de Jong van Utrecht de opkomst van het protestantisme behandelt. De paragraaf over de opvattingen van Luther heet simpelweg 'Luther's voornaamste dwalingen'. Patsboem, dat is tenminste duidelijk.

Luthers grootste fout was volgens De Jong zijn leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Daar kwamen alle andere dwalingen uit voort. Inmiddels heb ik zijn huidige opvolger in Utrecht, kardinaal Simonis, Luthers genadeleer in essentie wel eens deemoedig horen onderschrijven. De tijden zijn veranderd, net wat u zegt.

De twee binnenkort verschijnende boeken die hier besproken worden, zijn typisch producten van de toenadering tussen Rome en Reformatie in de laatste dertig jaar.

Auke Jelsma heeft elf verspreide artikelen over de religieuze geschiedenis van de zestiende eeuw gebundeld en door een nieuwe inleiding het dozijn volgemaakt. Jelsma staat op het punt met emeritaat te gaan als hoogleraar aan de theologische universiteit van de gereformeerde kerken in Kampen. Hij heeft altijd de neiging gehad net de andere kant uit te kijken dan je traditioneel van iemand in zijn positie zou verwachten. Waar schreef zo iemand vroeger over? Over gezaghebbende calvinistische theologen, zou je denken. Maar Jelsma heeft zich altijd graag beziggehouden met middeleeuwers als Bonifatius, Birgitta van Zweden en Franciscus van Assisi.

Ook als hij, zoals in dit boek, over Reformatie-geschiedenis schrijft, gaat Jelsma's belangstelling vaak net in andere richting. Niet zware dogmatische werken, maar martelaarsboeken boeien hem. Niet naar Genève richt hij zijn schreden, maar naar het noordoosten van Zwitserland, waar niet geleerde mannen, maar eenvoudige vrouwen die een heurer voor een messias aanzien, zijn aandacht trekken.

Jelsma raakt verliefd op de mystiek van de katholieke Johannes van het Kruis. Hij neemt revolutionaire dopers heel serieus. En hij bestudeert niet alleen de regio's waar de Reformatie een daverend succes was. Jelsma komt herhaaldelijk terug op Italiaanse protestantse hervormers, die hij boven Calvijn lijkt te stellen.

Derek Wilson en Felipe Fernández-Armesto zijn twee uiterst productieve historici, die minstens een meter boekenkast bij elkaar geschreven hebben over onder meer de vroeg-moderne Europese expansie en de Rothschilds. Wilson, een omroepman, noemt zich een evangelical anglicaan, “die zich overgeeft aan charismatische sympathieën, zij het met mate”. Fernández-Armesto, een Oxford-historicus van wie twee jaar geleden het dikke 'Millennium' in Nederland verscheen, is een rooms-katholiek “die Tridentijnse verlokkingen weemoedig onderdrukt”.

Kardinaal De Jong wilde de term reformatie eigenlijk niet gebruiken voor het protestantisme. De echte 'hervorming in hoofd en leden' bereikte volgens hem haar hoogtepunt in het concilie van Trente (1545-1563). Jelsma ziet, overigens in het goede gezelschap van vele kerkhistorici, een hele reeks reformaties. Hij wil ook best weten van een katholieke reformatie, maar die ziet hij eerder aan Trente voorafgaan en, dunkt me, daarin verzanden als contrareformatie. Verder waren er allerlei protestantse reformaties: van de gereformeerde en lutherse tot aan de radicale en anglicaanse.

Wilson en Fernández gaan heel wat verder. Zij zien in reformatie in feite een wezenskenmerk van een levenskrachtig en zich voortdurend vernieuwend christendom, “een gezamenlijk project van katholieke, protestantse en orthodoxe hervormers”. De Reformatie was geen breuklijn. Ze was slechts onderdeel van de grote missie van het christendom naar alle delen der wereld. In de zestiende eeuw was de tegenstelling tussen godvruchtigheid en wereldsheid groter dan die tussen protestantisme en katholicisme, betogen ze.

Het protestantisme bracht geen enkel nieuw dogma. Alle door Trente tot ketters verklaarde leerstellingen maakten deel uit van de doctrinaire verscheidenheid van de middeleeuwse kerk. Niet het dogma maakte van protestanten ketters, het was het protestantisme waardoor het dogma onorthodox leek. In feite waren er maar twee specifieke hervormingen waar Rome niet aan wilde - het gebruik van de kelk tijdens de mis en de rechten van gehuwde geestelijken - en op die punten had het eerder nota bene al concessies gedaan.

Ook na Trente bleef de katholieke kerk divers. En tegenwoordig wordt de kerk in Zuid-Amerika vooral door leken overeind gehouden.

De auteurs verlustigen zich enorm in de verscheidenheid van het christendom. God houdt volgens hen van bonte dingen. Het mag dan ook niet verbazen dat ze de Church of England, die alles in huis heeft, een 'charmante anomalie' in de moderne wereld vinden. Dol zijn ze op verhalen als over een pinkstergemeente die zich bij de Episcopal Church voegt.

Ze schrijven geen ordelijke geschiedenis van toen naar nu. Thematisch hoppen ze door de laatste vijf eeuwen (plus de vijftien ervoor). Dan zit je bij de hussieten in Bohemen en even later ben je in Korea of China. De geschiedenis, menen ze, is als het weer: “Een chaotisch geheel waarin een cycloon kan ontstaan door het fladderen van vlinderveugels”. En zo schrijven ze het ook op, vol verrassende inzichten, beeldend, duizelingwekkend, maar ook wel eens verwarrend. En op een enkel punt waar ik iets meer van meende te weten, gaan ze wel erg kort door de bocht.

Hoewel Auke Jelsma voor Nederlandse begrippen een zeer betrokken, literaire en wilde kerkhistoricus is, komt hij hiernaast ineens uiterst bedachtzaam over. Dat heeft ook zijn voordelen. Bijvoorbeeld: Wilson en Fernández zetten het doperse Munster van 1534/5 in één rijtje met de zelfmoord van Jim Jones cum suis in Guyana (1980) en David Koresh en zijn sekte in Waco (1993). Jelsma weet echter de logica van de stad die kerk was geworden, duidelijk te maken: vrije burgers hadden het recht zich te beschermen en daarom beperkten ze hun uitvallen naar buiten. Geweld was ook daar heel legalistisch een overheidszaak.

Jelsma schreef een nuchter Nederlands boek. Een boek als dat van Wilson en Fernández kan ik me in Nederland eigenlijk niet voorstellen. Is Jelsma ouderwets oecumenisch, zij zijn het op een veel modernere wijze. Ze doen op zijn minst vermoeden dat er meer geloof onder de Europese intelligentsia aanwezig is dan je zou denken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden