De bommen te boven werkt Bilbao aan de wederopstanding. Het Guggenheim haalt de sombere havenstad uit het slop.

Bilbao is het minder knappe zusje van San Sebastián, de tweede stad van Baskenland, die gezegend is met een baai van Copacabana-achtige allure. Bilbao moet het doen met de Nervion, een tot voor kort onwelriekende rivier, die de stad verbindt met de Golf van Biskaje.

Maar sinds Bilbao in 1997 een dependance van het Newyorkse Guggenheimmuseum heeft, gaat de stad het gebrek aan charme -de erfenis van een recent verleden in de staal en de chemie- te lijf met avant-gardistische architectuur. Aan de smoezelige oevers van de Nervion verrezen diverse luxehotels, zoals het Sheraton en het Domine Bilbao, een congrescentrum-muziekzaal (het Palacio Euskalduna) en de loopbrug Zubi Zuri van de vermaarde Spaanse bruggenspecialist Santiago Calatrava, die ook tekende voor het opmerkelijke nieuwe vliegveld. En er komt nog meer. De prestigieuze Japanse bouwmeester Arata Isozaki ontwierp, tot ongenoegen van de omwonenden, een complex met onder meer twee glazen torens van 82 meter hoog.

Maar het wervelende, met titanium beplakte museum van de Amerikaan Frank O. Gehry zal altijd wel het emblematische gebouw van de stad blijven. Het is inmiddels met van alles en nog wat vergeleken, tot en met een bloemkool en een soufflé toe. Het heeft ook wel iets van een futuristische olietanker die in de kreukels ligt. En toch sluiten de uitbundige vormen fraai aan op de hoekige omgeving: voor wie bijvoorbeeld aan de overkant van de rivier bij de Deusto Universiteit gaat staan, is het alsof de enorme negentiende-eeuwse De la Salve-brug zich in de zijkant van Gehry's creatie boort.

Aan de opening van 'el Goog' ging veel politiek trek- en duwwerk vooraf. Toen de hoogovens, de scheepswerven en de chemische industrie op sterven na dood waren, zocht de nationalistische regering van het grotendeels autonome Baskenland zo rond 1990 naar een oppepper voor de stad. En juist rond die tijd keek de

Solomon Guggenheim Foundation uit naar een Europese locatie. De bestuurders prezen Bilbao aan bij de Amerikanen (buitenlandse ondernemingen worden zelden het slachtoffer van aanslagen of afpersing, zeiden ze ter geruststelling), en een flinke schep geld deed de rest.

Weinig Basken geloofden dat een kostbaar museum voor moderne kunst de lokale economie weer op gang kon helpen, en de ruzies over uit de hand gelopen en verzwegen kosten duurden jaren. Inmiddels kan niemand nog om het Guggenheim-effect heen: het museum trekt zo'n miljoen bezoekers per jaar die allemaal moeten eten, drinken en vaak ook nog willen blijven.

Ontsnapt aan de reisleider

1. Puente Colgante

Voor een adembenemend panorama op de omgeving van de stad moeten we met de metro naar Portugalete, een rit van ongeveer vijftien minuten. Hier staat de Puente Colgante, een stalen gevaarte van 160 meter breed en vijftig meter hoog dat sterk aan de Eiffeltoren doet denken. Dat is niet toevallig, want deze transportbrug van Alberto de Palacio dateert uit dezelfde periode. De Palacio ontwierp ook het Atocha-station in Madrid.

Toen deze puente in 1893 in gebruik werd genomen was het de eerste mechanische transportbrug ter wereld: een gondel aan ontzagwekkend lange kabels vervoerde vroeger mensen (en nu auto's) van Portugalete naar Gexto, waar tegenwoordig de haven van Bilbao is gevestigd. De lift naar boven kost drie euro.

2. Casco Viejo

Het nieuwe Bilbao bestaat uit een verzameling weinig opvallende straten en boulevards. Maar levendig is het er vaak wel. De meest geanimeerde straat is de Gran Vía Don Diego López de Haro. Deze Gran Vía lijkt een beetje op de straat in Madrid met dezelfde naam.

De oude stad, de Casco Viejo, bevindt zich aan de andere kant van de rivier. Dit stadsdeel heeft alles in huis voor een traditioneel, maar aangenaam toeristisch uitstapje: gotische kerken, stokoude straatjes en pleinen, pittoresk vervallen gevels en rustieke cafés met uiterst authentiek ogende Bilbaínos aan de toog.

Schuif bijvoorbeeld aan in bar-restaurant Bikanda (calle Somera 21) voor een glas txákoli, een enigszins zure witte wijn. Volgens sommige kenners is txákoli buiten Baskenland terecht vrijwel nergens te krijgen, anderen vinden het heerlijk.

3. San Mamès

San Mamès, zo heet de in centrum gelegen thuisbasis van

Athletic Club Bilbao aan de rand van het centrum. Maar het uiterst sfeervolle, stokoude stadion (voor het laatst gerenoveerd voor de wereldkampioenschappen in 1982) wordt vaker aangeduid met El Catédral.

Spreek hier vooral nooit over Atletico, want zo heet die andere club met dezelfde rood-wit gestreepte shirts uit Madrid. Athletic speelt uitsluitend met Basken, die allemaal product zijn van de eigen voetbalschool, de Cantera.

In een tijd dat het grote geld de laatste resten clubliefde wegspoelde, krijgt dat met 'vreemde smetten vrij'-voetballen zowaar iets sympathieks. Bedenk ook dat de sportieve prijs die voor dit heilige principe betaald wordt erg meevalt: Athletic werd onlangs vijfde in de primera divisíon en speelt volgend seizoen Uefa-Cupvoetbal.

Wie de steile tribunes die op zijn Engels pal op het veld staan op zich laat inwerken en de bloedfanatieke aanhang erbij denkt, krijgt bijna medelijden met de keeper van de bezoekers. Maar buiten de kathedraal zijn de Athletic-supporters een toonbeeld van Spaanse wellevendheid. Zo laten ze metropassagiers eerst uitstappen voor ze zelf plaatsnemen, en de wagons blijven heel.

De catacomben van San Mamès herbergen een souvenirshop en een museum, de Sala de Trofeos. De vitrines tonen veel bokalen en tenues uit de tijd dat de strijd nog draaide om leren ballen met veters. Voor de liefhebber.

4. Plaza de Albia

Op dit elegante plein heeft het stadsbestuur de grondlegger van het Baskische nationalisme, Sabino de Arana (1865-1903), geëerd met een standbeeld. Zonder Arana had de wereld misschien wel nooit iets van een Baskisch onafhankelijkheidsstreven gehoord en misschien was ook de gewelddadige variant van dit duistere gedachtegoed Spanje bespaard gebleven.

De Baskische taal verloor in de tijd van Arana snel terrein, door de komst van de vele Spanjaarden die afkwamen op het werk in de florerende mijnen en staalfabrieken rond Bilbao. Arana haatte de immigranten met hun 'flamenco, stierenvechten en vuilbekkerij' en bepleitte een soort apartheid. In zijn clubhuizen (batzokis) was de Spaanse taal en muziek verboden. De leden van de batzoki's verdeelde hij in drie categorieën: alleen wie beschikte over vier Baskische grootouders mocht zich rekenen tot een Bask van de eerste categorie. Om de taal te redden voegde Arana de zeven dialecten die in de drie Baskische provincies werden gesproken samen, en voorzag hij het geheel van een spelling en een grammatica. Hij ontwierp de groen-rood-witte Baskische vlag, de Ikurriña, en componeerde een volkslied, het Gora ta Gora (Voorwaarts, voorwaarts). Ook de typisch Baskische typografie, de letters met de kloeke uiteinden, is bedacht door Arana.

De Partido Nacionalista Vasco (PNV) moest het politieke breekijzer voor zijn idealen worden. Tot op de dag van vandaag worstelt de PNV met de ambivalente erfenis van Arana: de raszuivere roerganger wilde aanvankelijk een zelfstandig Baskenland, maar na een verblijf in de gevangenis had hij een voorkeur voor autonomie. Eind jaren vijftig richtten marxistische jongeren die de PNV te slap vonden de Eta op die met geweld voor afscheiding moest zorgen.

Het hoofdkantoor van de PNV ligt ook aan het Albia-plein. Het is een fors bouwwerk van glas en beton met een grote Ikurriña aan de gevel en het staat precies op de plek van Arana's geboortehuis. Binnen is het balkon van dat huis te bewonderen. Dictator Francisco Franco liet het huis afbreken en steen voor steen in zee gooien. Arana-bewonderaars wisten behalve het balkon ook een stuk van een balk te redden.

5. Pintxos

Baskenland geldt als het culinaire zwaartepunt van Spanje, waar alles vaak toch al zo lekker is. San Sebastián is de stad van wereldberoemde multisterrenkoks Juan Mari Arzak en Martin Berasategui, maar ook Bilbao kent een paar bijzondere en dure gelegenheden, zoals Zortzíko van Daniel García, dezelfde chef die ook de scepter zwaait in de keukens van El viejo Zortzi en La Mina del Morro.

Maar lekker eten is, ook in de lage prijsklasse (zo rond de tien euro) iets heel gewoons in Baskenland. Dat heeft ongetwijfeld te maken met een van huis uit kritisch publiek dat voor de belangrijkste maaltijd (de lunch) vaak buiten de deur eet. Goed is bijvoorbeeld El Botxo, vlakbij de oude overdekte Ribera markthallen.

De bekendste Baskische gerechten zijn Merluza en salsa verde, heek met een saus die groen kleurt van de peterselie en Bacalao (gedroogde kabeljauw) a la Vizcaina of Bacalao al pil pil, met de rode pepers.

Voor wie ergens Chipirones en sua tinta op de kaart ziet staan: meteen toeslaan. De inktvisjes die baden in de modderige drab van hun eigen inkt zijn ook volgens de locals geen appetijtelijk gezicht, maar smaken sensationeel.

En dan zijn er natuurlijk de tapas die hier pintxos heten, stukjes meestal licht geroosterd stokbrood met rauwe ham of vis, of tortilla (Spaanse omelet). De VVV's, die bij het Guggenheim bijvoorbeeld, verstrekken plattegrondjes met een pinxto-tocht door de casco viejo. Maar de pintxos van café Iruña aan de plaza Albia, en die van La Granja bij het station zijn zeker zo goed: uitstekende serrano met wilde paddestoelen bijvoorbeeld of heek met de erg Baskische mild gemarineerde pepers of geroosterde paprika.

In een straat om de hoek bij Iruña bevindt zich bar Marmar. Hier maakt de televisie naar Spaans gebruik elk gesprek onmogelijk, maar de (bijzonder grote) pinxto's met tortilla zijn fenomenaal.

Elke maand in De Gids: een Europese stad waarvoor u nog géén plannen had.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden