De bom moest wel barsten in 1914

Christopher Clark en Margaret Macmillan reconstrueren hoe het zo dramatisch fout kon gaan in Europa

Aan onbekendheid met elkaar heeft het niet gelegen. Het ons-kent-ons-gehalte was hoog in de internationale politiek voor 1914. Zo waren niet alleen de Duitse keizer, de Russische tsaar en de Britse koning neven. Dat gold ook voor de ambassadeurs van Oostenrijk-Hongarije, Duitsland en Rusland die in 1912 en 1913 na de Eerste Balkanoorlog met anderen aanschoven voor een vredesconferentie in Londen.

Niet iedereen was misschien familie, maar wel bekende en dat vaak al heel lang. Toen de spanning in de zomer van 1914 snel opliep was dat niet altijd een voordeel. Achter strategische transacties schuilden vaak persoonlijke antipathieën en lang gekoesterde rancunes.

Het was afgelopen maandag exact 95 jaar geleden dat een wapenstilstand een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog. Volgend jaar zal groots worden herdacht dat het honderd jaar geleden is dat het grote conflict begon. Twee nu al verschenen, vuistdikke boeken reconstrueren de aanloop daar naartoe.

Zowel Christopher Clark in 'Slaapwandelaars. Hoe Europa in 1914 ten oorlog trok', als Margaret Macmillan in '1914. Hoe Europa de vrede liet varen voor de Eerste Wereldoorlog' gaan zo diep met hun analyses dat ze zelfs de karakters, gedrag en denken van belangwekkende spelers van toen uitgebreid tegen het licht houden.

Zo pasten mannen van adel en anderen uit de hogere kringen de normen en waarden, de rituelen, die ze privé gewend waren, toe in de wereld van de diplomatie. Tegenwoordig wordt vooral gesproken over het prestige en invloed van naties. Voor de Eerste Wereldoorlog ging het nog over eer en schande. Alsof hoogoplopende ruzies tussen landen ook met een degen of een pistool konden worden beslecht.

Gekroonde hoofden waren vol van de grootheid van zichzelf en hun rijk. Voor de nodige mensen die hen omringden gold dat ook. Paul Cambon was ambassadeur van Frankrijk in Londen van 1898 tot 1920, maar weigerde tot het einde toe Engels te spreken. Bij ontmoetingen met Britten liet hij zelfs het woordje yes vertalen.

Al die eigenzinnige grootmachten sloten wel verdragen met elkaar. Met elke nieuwe crisis in de tien jaar voor 1914 werden de blokken hechter. Het aantal verplichtingen en verwachtingen op basis van onderling gemaakte afspraken werd almaar groter. Het maakte een fatale botsing misschien niet onontkoombaar, maar wel steeds waarschijnlijker.

Wat evenmin hielp, was dat bij sommige Europeanen de gedachte leefde dat een kort maar hevig conflict de ingekakte wereld weer eens fijn kon opschudden. Oorlog als gezondmaker. Volgens zulke denkers was strijd een fundamenteel bestanddeel van de menselijke evolutie. Het kon bovendien de sleur van alledag doorbreken. Zo meende een commentator in Groot-Brittannië: "Doordat we lang gevrijwaard zijn gebleven van de realiteit van de oorlog is onze verbeeldingskracht afgestompt. We houden geen spat minder van opwinding dan de Romaanse volken; ons leven is saai; een overwinning is iets wat ook de simpelste zielen onder ons kunnen begrijpen."

Nog niet eerder speelde de publieke opinie zo'n belangrijke rol. Politici voelden -terecht of niet - de druk van veelgelezen kranten. Die maakten van internationaal gesteggel makkelijk een groot nationalistisch nummer.

Het is waar dat op veel plaatsen in Europa geestdrift voor de oorlog te vinden was. Beroemd is de foto van een uitzinnig plein in Wenen bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, met midden in de massa een juichende en nog jonge Adolf Hitler. Ook het hart van een andere hoofdrolspeler van de Tweede Wereldoorlog maakte een sprongetje. "Mijn liefste", schreef Winston Churchill aan zijn vrouw, "alles zweemt naar rampspoed en ondergang. Ik ben geïnteresseerd, opgepept en in mijn sas. Is het niet vreselijk als je zo in elkaar zit?"

De meesten van deze enthousiastelingen blaakten van het zelfvertrouwen. Voor Kerst zouden hun jongens thuis zijn, gesterkt door een glorierijke overwinning.

Maar het totaalbeeld van de zomer van 1914 was veel diverser dan dit historische cliché. Oorlog was bijna iets exotisch geworden. Europa had de meest vreedzame eeuw sinds de Romeinse tijd achter de rug. De meeste conflicten werden uitgevonden aan de rand van het continent of in verre koloniën. Lang duurden ze zelden. Uitkomsten waren redelijk helder.

Was oorlog niet iets van voorbije tijden? Het aantal ontwikkelde, goed opgeleide mensen groeide overal in Europa met het jaar. Dan mocht je toch aannemen dat de rationaliteit rechtevenredig zou toenemen.

Niemand verwoordde de geestesgesteldheid in die tijd beter dan de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig in zijn autobiografie 'De wereld van gisteren'. De jaren voor de Eerste Wereldoorlog noemde hij 'de Gouden eeuw van veiligheid'.

"De mensen", schreef Zweig, "geloofden net zomin in de mogelijkheid van een barbaarse terugval, zoals oorlogen tussen Europese landen, als in spoken en heksen; onze vaderen waren hardnekkig overtuigd van de onfeilbare bindkracht van tolerantie en verzoening."

De Europese leiders maakten zich een voorstelling van wat moderne oorlog kon betekenen. De Duitse rijkskanselier Theobald von Bethmann Hollweg waarschuwde de Rijksdag: "Niemand kan zich de omvang voorstellen van een wereldbrand, van de ellende en verwoestingen die deze voor naties zal meebrengen."

In de meeste hoofdsteden geloofden de leiders dat die donkere vooruitzichten zelfs in tijden van spanning grote ongelukken konden voorkomen. Waren vanaf 1905 niet al een heleboel crises op het allerlaatst toch nog met een sisser afgelopen?

De moord op aartshertog Franz Ferdinand, beoogd troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije, in Sarajevo zorgde uiteindelijk voor de fatale vlam in de pan. Vierenhalf jaar later waren delen van Europa in een smeulende puinhoop veranderd, ruim negen miljoen mensen gedood, nog eens vijftien miljoen anderen gewond geraakt en hadden drie grote keizerrijken opgehouden te bestaan.

De Australiër Christopher Clark leverde eerder doorwrochte studies af over de geschiedenis van Pruisen en over de Duitse keizer Wilhelm II. De Canadese Margaret Macmillan maakte naam met 'Parijs 1919', een schitterend boek over de manier waarop de grootmachten na de Eerste Wereldoorlog aan de onderhandelingstafel de vrede bevochten en de kiem legden voor nieuw onheil.

Met hun boeken over de opmaat naar en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bewijzen beiden zich opnieuw als geschiedschrijvers van het hoogste niveau, klasbakken van de Angelsaksische school. Wat betreft kwaliteit geven ze elkaar weinig toe. De auteurs leggen de accenten wat anders. Clark zoomt meer in op de laatste jaren voor de oorlog en op details. Macmillan neemt een wat langere aanloop en weet bekwaam alle draden te ontwarren.

Uiteindelijk zijn beslissingen over leven en dood, oorlog of vrede terug te voeren op mensen. Dat Clark en Macmillan allebei zo'n zevenhonderd pagina's uittrekken voor hun analyse, bewijst hoe complex de internationale situatie in 1914 en in de jaren daarvoor was. De grote Europese heersers, zelfs de machtige Britten, hadden allemaal reden te twijfelen over hun positie. De wetenschap dat dit bij anderen net zo was, verhoogde de onzekerheid alleen maar.

In een sfeer van paranoia en agressie voor de bühne was het lastig om elkaars intenties in te schatten. Bovendien heerste overal de angst om achter de feiten aan te lopen. Geen grotere nachtmerries dan verliezen door net wat te laat mobiliseren, door in de verdediging gedwongen te zijn terwijl je had willen aanvallen. Net iets minder middelmaat had alle gruwelijkheden misschien kunnen voorkomen, maar Europa's ongeluk was dat het op het beslissende ogenblik met net wat minder grote staatslieden was bedeeld dan op eerdere en latere momenten.

Christopher Clark: Slaapwandelaars. Hoe Europa in 1914 ten oorlog trok.

Vertaald door W. Wielek-Berg en herzien door Elly Schippers. De Bezige Bij, Amsterdam; 752 blz. euro 39,95

Margaret Macmillan: 1914. Hoe Europa de vrede liet varen voor de Eerste Wereldoorlog.

Vertaald door Inge Kok. Atlas Contact, Amsterdam; 784 blz. euro 59,95

Meer lezen
Jeremy Paxman: Great Britain's Great War Penguin/Viking;

356 blz. euro 29,99

De Britse Twan Huys schrijft zoals hij presenteert bij BBC's Newsnight: goed geïnformeerd, onderhoudend en met een licht ironische toets. Met het typisch Angelsaksische gevoel voor de juiste kleine verhalen een blik op de impact die 1914-1918 op de Britten had.

Sophie de Schaepdrijver: Erfzonde van de twintigste eeuw. Notities bij '14-'18 Houtekiet / Atlas Contact; 256 blz. euro 18,50

Verzameling artikelen en essays die De Schaepdrijver de afgelopen vijftien jaar schreef over de Eerste Wereldoorlog. Ze heeft vooral veel aandacht voor de weerslag van de oorlog in literatuur en andere vormen van cultuur.

Sophie de Schaepdrijver: De Groote Oorlog. Het koninkrijk Belgie tijdens de Eerste Wereldoorlog Houtekiet / Atlas Contact; 382 blz. euro 19,95

De Nederlandse neutraliteit werd gerespecteerd. Die van België niet. De Eerste Wereldoorlog vanuit het perspectief van een natie die het zwaar te verduren kreeg. Heruitgave van terecht geprezen boek.

Koen Koch: Een kleine geschiedenis van de Grote Oorlog 1914-1918 Ambo; 470 blz. euro 24,95

Heruitgave van goed overzicht van de dramatische gebeurtenissen tussen augustus 1914 en november 1918.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden