De boef en de burger

De burgemeester van Urk was bij Sonja Barend te gast. Ik ging ervoor zitten. Ik heb maar steeds dat huis voor ogen waarvan de Urker jeugd de ruiten had ingegooid. Er stond een politieman voor de deur, de familie was vertrokken.

Ik dacht: waarom staat de dominee van Urk daar niet, waarom staan alle dominees van Urk daar niet, ze hebben er genoeg om met zijn allen een heel kordon vormen. Mijn grootvader was dominee van Urk, honderd jaar geleden, dus dan krijg je zulke invallen. In mijn fantasie stond hij daar, met zijn toen al kalende kop. ,,Zijn jullie nu helemaal van God los?!''

Maar we kregen in die uitzending alleen maar de burgemeester in beeld. De man zei dat hij begrip had voor het optreden van de jongelui. Achter die kapotte ruiten woont een zedendelinquent en die had slechts een taakstraf gekregen, en op Urk wordt hard gewerkt, zo zijn onze manieren, dus die straf vonden ze geen straf.

Aan Sonja Barend vertelde de burgemeester dat hij, staande op de dijk met die camera voor zijn neus, óók verklaard had dat hij het voor eigen rechter spelen van de Urker jeugd afkeurde. Dat fragment hadden ze er in Hilversum uitgeknipt, zei hij.

Ik geloof de burgemeester graag, maar ik denk wel dat hij op de dijk met die mededeling had moeten beginnen en dat dan ook nog eens in de meest krachtige bewoordingen. Nu blijf ik denken dat die burgemeester het in een verdoken hoek van zijn ziel wel mooi vindt dat inwoners van zijn gemeente de slappe rechtspraak in ons land eens aan de kaak stellen, zij het dan met een ongeoorloofd middel.

De burgemeester vertelde ook dat hij op bezoek was geweest bij de familie waar de betreffende zedendelinquent had zitten rommelen. ,,Leg het die mensen maar eens uit'', zei hij. (Ik citeer uit het hoofd.)

Nu zou ik graag, als ik de zaak een beetje kende, een poging willen wagen. In ontmoetingen met veel zedendelinquenten heb ik zelf mijn - door angst en onwetendheid gevoede - beeld van 'de zedendelinquent' danig moeten bijstellen. Ik begrijp zeer wel dat een burgemeester die kennis en ervaring niet in huis heeft. Hij zou er wel in kunnen bemiddelen dat die mensen de deskundige hulp ontvangen die hijzelf hun niet kan geven en die zij broodnodig behoeven.

Maar ik wilde het over iets anders hebben. Het verbaasde mij dat Sonja Barend naliet te vragen of de burgervader behalve het slachtoffer ook de dader had bezocht. En of hij daarbij zijn verontschuldigingen had aangeboden voor zijn halfslachtig televisieoptreden en of hij meteen om de rekening van de glashandel had gevraagd.

De vraag kwam niet en de burgemeester zei het helaas ook niet uit zichzelf, zodat wij het ergste moeten vrezen. In plaats daarvan zei hij iets anders. Hij zei (ik citeer weer uit het hoofd) dat die familie niet gemolesteerd was, dat alleen maar hun ruiten waren ingegooid. We moesten het niet erger maken dan het is.

Een gotspe. Alsof die stenen door 's mans ramen niet betekenen dat de viezerik van het eiland moet! Urk zal weer mooi en rein zijn als deze smeerkees is opgezooid.

De burgemeester zei ook dat de buitenwereld het maar beter aan Urk kan overlaten om zichzelf te genezen. In kerkdiensten en op catechisaties, in verenigingen en jeugdclubs zou zorgvuldig aandacht aan deze zaak worden geschonken.

Ik geloof het graag. Ik ben alleen bang dat de burgemeester hier slechts doelde op het voor eigen rechter spelen. Ik hoop en vertrouw dat de opvolgers van mijn grootvader zo bijbelgetrouw zijn dat zij eigener beweging de zorg voor 'de minsten der mijnen' ook op de agenda zetten. Ook dat lijkt mij broodnodig.

De burgemeester vertelde niet zonder ontroering hoe de Urker vissers zich kortgeleden hadden ingezet om een overboord geslagen collega te bergen.

Dat is inderdaad heel mooi. Maar meer dan het gewone - om met de Bergrede te spreken - is het niet. Meer dan het gewone is proberen een zedendelinquent uit het water te vissen en alles in het werk stellen om hem voor de gemeenschap te behouden.

Toen Kain Abel had doodgeslagen vreesde hij de woede van het volk. ,,Wie mij vindt, zal mij doden.''

,,Geenszins'', zei God, ,,wie aan jou komt komt aan mij,'' en hij gaf hem het Kainsteken. Geen teken dat hem aan de schandpaal nagelt en levenslang tot misdadiger stempelt. Het is een teken van het erbarmen van de Eeuwige die hem ook nu, juist nu, niet loslaat. God treedt als beschermheer van geboefte op. H. M. van Randwijk heeft daar een gedicht over gemaakt. Recidivist heet het. Dit is de laatste strofe:

En zo gij die man hebt veracht in dit leven, vreest niet als ge hem hierboven ontmoet, want de boef en de burger zijn er om 't even: twee zwarten gereinigd door hetzelfde bloed.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden