De blote rug van de koningin en het instuderen van Vondels toneelwerken.

De eerste koninginnedag die ik mij kan herinneren, viel op 31 augustus 1948. Het was ook de laatste die op die datum viel, want enkele dagen later wisselden Wilhelmina en Juliana van portefeuille.

Wat ik mij herinner, is gedrenkt in een wat bizarre sfeer. Ik stond, klein jongetje, op het schoolplein van de Paul Krugerschool II in de stad die voor een jaartje nog officieel Batavia zou heten. De gaanderij waar de klaslokalen aan lagen, was versierd met oranje slingers.

Toch herinner ik mij niets van een feestelijk rumoer, geen zakkenlopen of welk ander behendigheidsvermaak ook. Enkele dagen daarvoor was ik met mijn moeder, broers en zusje met de Lockheed Super Constellation aan komen vliegen uit Holland. In Batavia heerste de geladen sfeer tussen de twee politionele acties in die het Koninkrijk tegen de Republik Indonesia voerde.

Wie weet is het feestrumoer rond de jarige koningin er wel degelijk geweest, maar is het uit mijn geheugen geheel verdwenen. De politieke spanning en het geweld heb ik zo jong als ik was wél ervaren, al was het maar in de van haat doortrokken blik van onze djongos Imin, als hij aan het middagmaal je glas met ijskoud water bijvulde. In de jaren die volgden, was er in de republiek natuurlijk geen koninginnedag, en dat heb ik ook beslist niet als een gemis ervaren. Wel viel het me bij het opgroeien op, dat mensen van de generatie van mijn ouders het nogal eens hadden over 'de oude koningin', als ze Wilhelmina bedoelden. Ik vond dat een vrij bizarre uitdrukking voor een prinses die eenzaam maar niet alleen oud zat te worden op Het Loo. Toen ze stierf, legde de mevrouw in wier winkel ik altijd mijn pakje shag kocht, haar hand vertrouwelijk op mijn arm en zei: “Wat nou al die stilte en rouw. Ze is in de tachtig geworden! Ik mag willen dat het met mij zo gaat!“

Jaren later werd ook 'mijn' koningin 'de oude koningin', maar voor het zover kwam, moet ik nog twee verhalen vertellen.

Het eerste speelt zich af in 1960. De studentenvereniging waar ik lid van was, vierde een lustrum en ik speelde mee in het toneelstuk 'Thor en de Engelen' van Christopher Fry. De koningin kwam, vergezeld van een hofdame, kijken. Ik was een christen-Brit, Hoël, die door heidense Jutten gevangen was genomen (het stuk speelt in het jaar 596 na Chr.) en laffelijk door enkelen onder hen werd doodgestoken. Mijn angstschreeuwen om te mogen blijven leven waren verklonken, ik was doorstoken, en het was pauze. Wij, spelers, werden voorgesteld aan het staatshoofd. Ik heb nog steeds een ANP-foto waarop ik, mijn ruwe juten pij nog om de leden, met een afgrijselijk beate blik opkijk naar Juliana die, als ik mij goed herinner, vertelde over haar dochter Irene die ook zo graag toneel mocht spelen.

Uiteraard moesten we vrij snel rouleren om iedereen de gelegenheid te geven een persoonlijk woord met de koningin te wisselen. Zo stond ik al vrij snel in een hoek van de zaal en keek uit op het ongelofelijk diepe rug-decolleté van de koningin. Op dat moment werd ik voor korte tijd krankzinnig. Ik was ervan overtuigd dat iemand onder de koffie rondschenkende obers op het punt stond de vorstin van het leven te beroven. Ik loerde zwetend rond, malend hoe ik de gewetenloze moordenaar voor kon zijn. Het heeft maar enkele minuten geduurd - misschien nog niet eens een minuut, maar toen ben ik republikein geworden. Als de verhouding tussen een monarch en haar onderdaan zo'n vernederend delirium kon veroorzaken, was het zaak de monarchie niet langer in stand te houden, was mijn conclusie. Tot op de dag van vandaag is dat moment nog steeds de inspirator van mijn republikanisme.

Het tweede verhaal speelde zich een aantal jaren later af, toen de oudste dochter van de koningin, Beatrix, haar huwelijksfeest vierde in Amsterdam. Als fatsoenlijke meeloper met het provotuig stond ook ik op de stoep van de Raadhuisstraat, al was het met de angst in het lijf. Voor de koets met het bruidspaar uit kwam die met het koninklijk paar. Temidden van de rookwolken en de erop los rammende politie zag ik de koningin opnieuw in levende lijve, dit keer de handen ontzet voor het gezicht geslagen. Deernis welde in me op. Maar tegelijkertijd zag ik de prins-gemaal, schaterend, bulderend van de lach, de handen op de knieën slaand en ritmisch op en neer knikkend als een ledepop. Sindsdien voel ik, als ik ergens de naam van Bernhard tegenkom, de minachtende, van haat doortrokken blik van onze oude djongos Imin in m'n ogen opgloeien. Voor mij kwam toen ook snel een einde aan het bruiloftsfeest. Ineens lag ik op de grond, met op mij een agent die vervaarlijk met zijn knuppel zwaaide. Opnieuw, als Hoël in 'Thor en de Engelen', schreeuwde ik het uit om te mogen blijven leven. De agent en ik waren ongeveer van dezelfde leeftijd. “Wat doe je hier dan?“ schreeuwde hij, “sodemieter op!“ en hij trok me overeind en duwde me de Keizersgracht op.

In zijn toneelstuk 'Juliana' brengt Ger Thijs Juliana, Greet Hofmans en minister-president Beel samen in het vagevuur. Ze wachten nog op iemand die kennelijk geen haast heeft te komen en ze doden de tijd met het instuderen van het complete toneelwerk van Vondel onder regie van Juliana (Renée Soutendijk). Maar dan is het 1 december 2004 en daar stapt hij binnen, Bernhard (Jaap Spijkers), glunderend dat ze hem voor in de kist zijn luchtmachtuniform weer hebben aangetrokken, dat hij levend niet meer mocht dragen. Het weerzien met zijn vrouw en Hofmans (Marisa van Eyle) is geen onverdeeld genoegen: “Zit ik nog met die twee wraakgodinnen opgescheept!“ Met Beel (Dic van Duin) in een sussende rol wordt het hele conflict rond de Raspoetin van Soestdijk nog eens nageplozen.

Thijs is bij het schrijven kennelijk van zijn personages gaan houden. Bernhard, die zijn rol op Soestdijk karakteriseert met: “Ik ben hier voor de centen, de auto's en de vliegtuigen“, is een joviale grijsaard, al verdwijnt hij, als ik de voorstelling goed heb begrepen, aan het eind wel door de deur naar de hel, waar de vlammen oplichten. Hofmans daarentegen wordt door de tegenoverliggende deur kennelijk de hemel binnen genood.

In het koningsdrama op het toneel komt de koningin door een hersenoperatie, afgedwongen door Bernhard, weer in het gareel. Haar bestemming blijft in het midden: aan het slot zet ze samen met Beel de Vondel-repetitie voort.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden