De bijziendheidsepidemie

Bijziendheid neemt epidemische vormen aan. Steeds meer mensen hebben een bril nodig om scherp te zien in de verte. Kinderen komen te weinig buiten en staren te lang naar boeken of telefoonschermpjes.

Een Chinees zonder bril of lenzen wordt een zeldzaamheid. Was zestig jaar geleden nog tien tot twintig procent van de Chinese bevolking bijziend, inmiddels is dat onder jongeren gegroeid tot negentig procent. In Seoul ziet maar liefst 96,5 procent van de 19-jarige mannen slecht in de verte. In Nederland, de rest van Europa en Amerika ligt het aandeel op 50 procent van de jongvolwassenen. Ter vergelijking, vijftig jaar geleden was dat nog 25 procent. Volgens sommige schattingen is rond 2020 een derde van de wereldpopulatie bijziend.

Iemand die bijziend is, heeft een te lange oogbol. Hierdoor focust de lens het licht dat van voorwerpen in de verte komt, net iets voor het netvlies. Dat is het deel van het oog dat de zintuigcellen bevat waarmee we zien.

De oogafwijking wordt uitgedrukt in dioptrie. Bij -1 tot -6 dpt spreek je van milde bijziendheid. Daarboven wordt het ernstiger. Iemand met -6 dpt ziet zonder bril nog maar tien procent van de wereld om hem heen. In zulke gevallen kan het oog zo opgerekt zijn dat bepaalde oogdelen te dun worden. Met als gevolg dat de cellen van het netvlies in het centrum verdwijnen, het netvlies los kan laten, er staar op kan treden, glaucoom of zelfs blindheid. In Azië heeft inmiddels 20 procent van de jongvolwassenen een afwijking van meer dan -6. In Nederland ligt dat nog op 5 procent. Maar volgens artsen gaat het ook hier die kant op.

Niet te lang lezen zonder pauze

Die dreiging zorgt ervoor dat het onderzoek naar bijziendheid wereldwijd nieuw leven wordt ingeblazen. Begin dit jaar ontving Caroline Klaver, hoogleraar epidemiologie en genetica van oogziekten aan het Erasmus MC, een subsidie van 1,5 miljoen euro voor haar onderzoek naar bijziendheid. Daarnaast kreeg ze nog eens 2 miljoen euro van de EU. Daarmee hoopt ze te achterhalen wat de belangrijkste oorzaken zijn van het achteruit hollen van onze ogen en werkt ze aan nieuwe therapieën.

Lang werd gedacht dat de grootste oorzaak voor bijziendheid terug te vinden was in onze genen. Zo liet tweelingonderzoek vijftig jaar geleden zien dat eeneiige tweelingen vaker bijziend waren dan twee-eiige tweelingen. Klaver: "In 2010 hebben wij het eerste gen voor bijziendheid gevonden. Inmiddels zijn er 100 genen bekend. Allemaal dragen ze een beetje bij, maar het gaat om de som van genen. We zijn er nog lang niet. We verwachten dat er in totaal zo'n 500 genen bij betrokken zijn."

Maar genetische veranderingen alleen kunnen niet verklaren waardoor bijziendheid nu twee keer zo vaak in Nederland voorkomt als vijftig jaar geleden. Genetische aanpassingen doen veel langzamer hun intrede in families. Klaver: "Er moeten dus meer factoren zijn die een rol spelen. Bijziendheid lijkt mij bij uitstek een ziekte die ontstaat door erfelijkheid en omgeving."

Ruim 400 jaar geleden gaf de astronoom Johannes Kepler zijn studiegedrag al de schuld voor zijn slechte ogen. Naar die hypothese is veel onderzoek gedaan. "We weten inmiddels dat langdurig lezen op een afstand van minder dan 30 centimeter het risico verhoogt", zegt Klaver. Werken op een laptop, WhatsAppen of Facebooken op een telefoon of een boek lezen, kun je dus maar beter niet te veel doen.

"Daarbij gaat het niet om het totaal aantal uur dat je dit doet, maar om het aantal uur dat je dit achter elkaar doet, zonder een pauze te nemen", legt Klaver uit. Wanneer je van dichtbij op een voorwerp focust, moet je oog hard werken. "De randen van je gezichtsveld zijn op dat moment onscherp. Uit dierexperimenten weten we dat dit ervoor zorgt dat het oog gaat groeien en bijziend wordt." Door tussendoor het oog rust te gunnen en even iets anders te doen, ga je dit tegen. Kinderen tussen de 5 en 20 jaar vormen de grootste risicogroep, bij hen is het oog namelijk nog niet uitgegroeid.

De 'leeshypothese' verklaart wellicht deels de snelle toename in Azië. Daar is de studiedruk over het algemeen groter dan in Nederland en kinderen maken langere dagen op school. Volgens het 'Pisa in Focus rapport' van de Organisation for Economic Co-operation and Development besteedt een 15-jarige in Shanghai gemiddeld 14 uur per week aan huiswerk. Een Nederlandse puber haalt krap 6 uur.

Zonlicht beschermt

Een andere hypothese die aan populariteit wint, is dat kinderen bijziend zijn omdat ze veel minder buiten zijn. Verschillende studies lieten de afgelopen jaren een verband zien tussen het aantal uren dat kinderen buiten waren en de kans dat ze bijziend waren. Dat kwam niet door de activiteit zelf. Kinderen die veel binnen sportten, ervoeren dit effect niet. En kinderen die veel buiten sportten, zaten niet minder tijd met hun ogen tegen boek of scherm geplakt.

Het idee achter de beschermende werking van zonlicht is dat het de afgifte van het hormoon dopamine in het netvlies stimuleert. Klaver: "Dopamine gaat de verlenging van de oogbol tijdens de groei tegen." Het duidelijkste bewijs voor deze hypothese komt van kippen. In 2010 toonden wetenschappers bij kippen aan dat de beschermende werking van licht verloren ging als ze dopamine blokkeerden met een andere stof.

Ian Morgan, bijziendheidonderzoeker in het Australische Canberra, schat dat kinderen minimaal drie uur per dag buiten moeten zijn bij een lichtsterkte van minimaal 10.000 lux. Dat is ongeveer de intensiteit die je ervaart als je tijdens een zonnige dag met een zonnebril op in de schaduw gaat zitten. Klaver: "Ter vergelijking, in een klaslokaal ervaar je normaal gesproken een sterkte zo rond de 500 lux."

In 2009 begon Morgan een studie in China van drie jaar om te kijken of het zicht van schoolkinderen zou verbeteren als ze iedere dag 40 minuten naar buiten gingen tijdens de schooldag. Van de 900 deelnemende leerlingen ontwikkelde 30 procent bijziendheid, ten opzichte van 40 procent van de leerlingen in de controlegroepen die gewoon binnen bleven. In Taiwan werd een nog groter resultaat geboekt. Daar moesten kinderen een jaar lang de volle 80 minuten pauze die ze hadden naar buiten. Na een jaar had 8 procent van de kinderen last van bijziendheid, ten opzichte van 18 procent van de kinderen op een school in de buurt die de keuze hadden om binnen te blijven.

"Wij adviseren vanuit het Erasmus MC om 15 uur per week naar buiten te gaan. We weten uit een groot kindercohort, Generation R, waarin de groei en ontwikkeling van 10.000 Rotterdamse kinderen wordt gevolgd, dat kinderen gemiddeld maar één uur per dag naar buiten gaan. Je moet dat verdubbelen om een significante bescherming te krijgen."

Daarnaast adviseren de oogartsen om het 'dichtbijwerk' om het half uur te onderbreken, om het oog weer even een scherp beeld aan de randen van het gezichtsveld te geven. "Wat je in ieder geval niet moet doen als kind, is een boek onder de dekens lezen. Dat is funest."

Voor kinderen bij wie het opvolgen van de adviezen niet voldoende is, kunnen atropine-oogdruppels uitkomst bieden. Die druppel je iedere avond voor het slapen gaan in je oog. "Mijn doel is om kinderen niet verder dan -6 te laten zakken en daarom doen we momenteel ook een studie met deze druppels."

Atropine verwijdt de pupil en ontspant de inwendige scherp-stelspieren van het oog. Klaver: "In Azië is het een heel normaal middel, hier wordt het veel minder voorgeschreven. Wij geven het nu aan honderd kinderen. Maar het is niet de ideale druppel, de bijwerkingen zijn vervelend. Zo kun je bijvoorbeeld dichtbij minder goed zien. Uiteindelijk hoop ik met mijn verkregen subsidies een ideaal middel te ontwikkelen voor deze kinderen."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden