De bijbelverbeteraar

In het Erasmusjaar staan denkers stil bij de betekenis van deze grote Nederlander. Vandaag deel 6: Het Nieuwe Testament.

Classicus en jurist Edwin Rabbie (1957) publiceert geregeld over Erasmus. In Rotterdam is hij hoogleraar intellectuele geschiedenis (15de-17de eeuw).

Met recht is 1516 een annus mirabilis genoemd: het schitterende jaar, precies vijfhonderd jaar geleden, waarin Erasmus 50 werd. Op 7 maart van dat jaar schreef hij in een brief aan Urbanus Regius, docent aan de universiteit van Ingolstadt: 'Het Nieuwe Testament is verschenen'.

De uitgave ervan had een lange voorgeschiedenis. In 1504 verkeerde Erasmus in Leuven, destijds de enige stad in de Nederlanden waar een universiteit gevestigd was; het aanbod van een leerstoel, hem aangeboden door de latere paus Adrianus VI, die toen nog Adriaan Boeyens heette, had hij afgeslagen.

In de zomer van 1504 ontdekte Erasmus in een bibliotheek een handschrift dat voor zijn verdere intellectuele ontwikkeling van doorslaggevende betekenis zou zijn, geschreven door de Italiaan Lorenzo Valla - ongepubliceerde Annotationes, aantekeningen op het Nieuwe Testament.

Valla was zo ongeveer de ideale humanist: zijn kennis van Latijn én Grieks was voorbeeldig en zijn kritische oordeel van een uitzonderlijke scherpte. Met dat scherpe oog had hij ook de gangbare Latijnse vertaling van het Nieuwe Testament bekeken, de Vulgaat. Volgens hem voldeed het Latijn van de Vulgaat niet aan de klassieke norm - voor humanisten een halszaak. Bovendien stuitte hij met de originele Griekse tekst in de hand op honderden onjuiste vertalingen. Soms waren vertalingen hem ook te letterlijk, waardoor de werkelijke betekenis van het origineel verloren ging.

Erasmus was meteen gegrepen door het werk van Valla en liet het in Parijs publiceren. Humanistische geleerden als Valla en Erasmus meenden dat voor serieuze wetenschappelijke bestudering van het Nieuwe Testament kennis van het Grieks, de taal van de oertekst, noodzakelijk was.

Was dat inzicht bij Erasmus iets bijzonders? Ja; middeleeuwse geleerden in het Westen beheersten nauwelijks Grieks. Het is, gelet op het niveau dat hij daarbij bereikt heeft, moeilijk voor te stellen, maar hij leerde het zichzelf uit een boek. Het spreekt voor zich dat de vijanden van het humanisme, die in veel theologische faculteiten her en der in Europa de dienst uitmaakten, van de studie van het Grieks niets wilden weten.

In 1516 verscheen Erasmus' 'Nieuwe Testament'. Hij noemde het niet, zoals gebruikelijk, Novum Testamentum, maar Novum Instrumentum. Dat riekt een beetje naar pedanterie, want hij bedoelde hetzelfde. 'Testament' kan, zo lichtte Erasmus later toe, betrekking hebben op iedere (dus ook mondelinge) laatste wil, 'instrumentum' is het Latijnse woord voor 'akte', een schriftelijk stuk.

Op het titelblad vermeldde hij dat de tekst 'nauwkeurig herzien en verbeterd is door Erasmus van Rotterdam, niet slechts naar de Griekse waarheid, maar ook aan de hand van vele tegelijk oude en verbeterde handschriften in beide talen'. Hij nam alvast een voorschot op de te verwachten weerstand. "Al wie de ware theologie liefheeft, lees, overweeg en oordeel pas daarna. En neem niet meteen aanstoot wanneer u op iets stuit dat veranderd is, maar ga eerst na of dit geen verandering ten goede is."

De basis van het christelijk geloof wordt, aldus Erasmus, gevormd door de geboden van Christus zoals die in de beide onderdelen van het Nieuwe Testament, de evangeliën en de brieven van de apostelen, zijn vastgelegd. Alle aanhangers van de christelijke godsdienst, en dus niet alleen de geestelijkheid of een andere elite, zouden die leer tot zich moeten nemen. Waar haal je die christelijke leer vandaan? Wel, uit de hoofdbron, het bijbelwoord, dat in zijn zuiverste vorm ter beschikking van de lezers diende te worden gesteld.

Uiteindelijk is Erasmus' uitgave nooit iets anders geworden dan een herziene versie van de Vulgaat en dus geen geheel nieuwe, eigen vertaling, al vond hij haar zelf illustrior, purior, emendatior, 'helderder, zuiverder en juister'. Hij voerde zijn herziening uit aan de hand van het Griekse origineel, maar die oertekst was

toen nog nooit gedrukt. Erasmus stelde haar samen uit 'de oudste en beste' handschriften, al zijn dat achteraf gezien voor een deel inferieure teksten geweest. Het gevolg was dat eeuwenlang, tot in het begin van de 19de eeuw, Erasmus' bepaald niet beste Griekse tekst heeft doorgewerkt als standaardtekst van het Nieuwe Testament.

Helemaal vrijuit gaat Erasmus trouwens niet. Zo voegde hij in het laatste bijbelboek, Openbaring, een in het handschrift ontbrekende passage in; in zijn aantekening schreef hij dat hij 'enkele woorden' had toegevoegd, maar het ging om ruim honderd woorden. Die veranderde hij niet toen hij nadien een uitgave met een authentieke Griekse tekst onder ogen kreeg. Dat pleit niet voor hem.

Een zekere faam - of beruchtheid - dankt Erasmus' Nieuwe Testament aan een andere passage in de Griekse tekst, die in de vakliteratuur comma Iohanneum heet, 'zinsnede van Johannes'. De zin staat in de Eerste Brief van Johannes: "Er zijn dus drie getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één" (NBV, 2004). Deze passage (waarin 'het Woord' verwijst naar Jezus) vormt de stevigste basis van de leer van de drie-eenheid. Eeuwenlang vertrouwde de kerk juist op deze zin uit de Vulgaat voor de fundering van dit dogma.

Maar Erasmus deed een voor hemzelf misschien wel schokkende ontdekking: in alle Griekse bronnen ontbrak deze tekst. Hij liet haar in zijn uitgave dan ook weg.

Die gang van zaken, het afdrukken van de tekst zonder de toevoeging, was vanuit hedendaags wetenschappelijk standpunt bezien de enig juiste, want zoals nu bekend is, is er niet één gezaghebbend Grieks handschrift van het Nieuwe Testament dat het comma Iohanneum wel bevat. Zelfs bij de Griekse kerkvaders heerst hier een oorverdovende stilte.

Maar voor het weglaten was in Erasmus' dagen moed nodig; het valt in hem te prijzen dat hij zich niet door andere overwegingen heeft laten leiden. Maar het werd hem niet in dank afgenomen; jarenlang moest hij zich verdedigen tegen aantijgingen als zou hij een antitrinitariër zijn, dus iemand die niet in de drie-eenheid geloofde.

In het laatste gedeelte van de uitgave van het Novum Instrumentum, de aantekeningen, geeft Erasmus geleerde uiteenzettingen, waarvoor de oorspronkelijke bijbeltekst vaak niet meer dan een ver verwijderde aanleiding vormt. Hier en daar ontstaan daardoor een soort essays of korte traktaten, vaak van polemische aard, over allerlei voor Erasmus en zijn tijdgenoten prangende vraagstukken. Het zijn naar mijn idee juist die 'essays', korte preekjes soms, die in elk geval voor de huidige lezer de belangrijkste charme uitmaken van Erasmus' commentaar.

Zo levert hij antiklerikale kritiek in de noot op Marcus 6:9 ('sandalen aan de voeten'), waar een polemiek te vinden is tegen allerlei soorten bedelmonniken, een mensensoort die verzekerd kon zijn van de bijzondere minachting van Erasmus.

Elders verraadt een noot (op Handelingen 5:14) nog de afschuw die Erasmus voelde opkomen toen hij, jaren daarvoor, paus Julius II aan het hoofd van zijn troepen Bologna had zien binnentrekken. Verderop toont hij aan dat een andere bijbeltekst geen grondslag kan zijn voor de christelijke leer van het vagevuur, en schrijft hij satirisch over 'zinloos gepraat' van theologen die de idiootste problemen fileren.

En dan noem ik ten slotte nog de uitvoerigste en misschien wel meest geruchtmakende van alle, de vele pagina's lange noot op 1 Corinthiërs 7:39 ('zij is vrij om te trouwen met wie zij wil'). Daar neemt Erasmus het verbod op echtscheiding op de korrel en als eerste pleit hij ervoor om dat verbod in bepaalde extreme gevallen te verlichten.

Erasmus was zelf aanvankelijk niet zeer tevreden over zijn hoofdwerk Novum Instrumentum, zo blijkt uit een brief aan de pauselijke nuntius in Zwitserland, van 26 augustus 1518. "De eerste druk was voor mij niet in alle opzichten bevredigend, ondanks de goedkeuring door de grootste geleerden." Kritiek was er nauwelijks geweest, en wat er loskwam, was nauwelijks serieus te nemen. De tweede druk was veel beter: "Mijn werk verwijdert niet slechts de fouten uit de heilige schriften, maar zorgt er ook voor dat die in de toekomst niet meer aan tekstbederf onderhevig zullen zijn." En wat het tekstbegrip betreft, op meer dan zeshonderd plaatsen, zo stelde Erasmus, had hij voor helderheid gezorgd waar zelfs de grootste theologen voordien de tekst niet hadden begrepen.

Het werk aan tekst van en commentaar op het Nieuwe Testament kwam voor Erasmus met de verschijning van het Novum Instrumentum niet ten einde. Ten eerste bezorgde hij gedurende zijn leven nog vier herdrukken van zijn uitgave, die telkens belangrijk vermeerderd waren ten opzichte van hun voorganger.

Maar het waren vooral Erasmus' parafrasen - uitvoerige navertellingen van bijbelteksten voor ontwikkelde leken - die een zeer groot lezerspubliek trokken, ook door vertalingen in onder meer het Frans, Duits, Engels en Nederlands. Het gezag van de parafrasen was zo groot dat bij decreet van de Engelse koning Edward VI uit 1547 een exemplaar ervan in elke parochiekerk naast de bijbel diende te liggen.

Erasmus' uitgave van het Nieuwe Testament luidde een nieuw tijdperk in; de studie van de Bijbel zou na 1516 nooit meer dezelfde zijn en juist zijn editie heeft tot ver in de negentiende eeuw een dominante rol gespeeld. Ook voor tijdgenoten waren de vernieuwende aspecten van Erasmus' uitgave duidelijk. Paus Leo X had het in een breve van 10 september 1518 over een 'niet alledaagse maar nieuwe en buitengewone' vorm van geleerdheid.

Tussen 1516 en 1518 ligt 1517, het jaar dat alles anders zou maken. Dat gold niet alleen voor Erasmus persoonlijk, voor wie de in 1517 ingezette ontwikkelingen (toen Luther in Wittenberg de Reformatie inluidde) tot bittere teleurstelling zouden leiden; de hele Europese geschiedenis nam in dat jaar een beslissende wending. Maar pas volgend jaar, 2017, is het Lutherjaar; nu is het nog 2016, het jaar van het Novum Instrumentum, het jaar van Erasmus, en vieren we het eerste halve millennium van dit unieke boek en zijn al even unieke auteur.

Erasmus in glas-in-lood Voor de Goudse Sint Janskerk ontwierp beeldend kunstenaar Marc Mulders een glas-in-loodraam, geïnspireerd op Erasmus' gedachtengoed. Details ervan verluchtigen dit essay; het raam is nu nog te zien in de expositie 'Ik wijk voor niemand' in Museum Gouda.

Vrijheid van meningsuiting Désanne van Brederode

Desiderius Erasmus publiceerde precies 500 jaar geleden zijn hoofdwerk, 'Novum Instrumentum'. Gouda, waar Erasmus opgroeide, maakt 2016 tot Erasmusjaar, met o.a. lezingen. Deze serie is uitverkocht. De lezingen zijn te bekijken op

www.human.nl/erasmus

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden