De biggencampagne was misleidend

Miljoenen biggen halen de slacht niet, meldden we deze week. En we waren het enige medium niet waarin de noodklok werd geluid over de sterfte onder jonge biggen. In die berichtgeving ontbrak de broodnodige nuancering.

Aanleiding voor het bericht was een publieksactie van Varkens in Nood. Die stichting had ontdekt dat in Nederland per jaar zo’n vijf miljoen biggen voortijdig aan hun einde komen, en was zich naar eigen zeggen rot geschrokken van dat getal. Dat maakt maar weer eens duidelijk welk een dieronterende toestanden er heersen in de bioindustrie, aldus Varkens in Nood.

Om die toestanden in beeld te brengen rijden medewerkers van de stichting door het land, gewapend met videocamera’s, en inspecteren de kadaverputten die iedere veehouderij aan de weg heeft staan. De relevantie van die beelden is onduidelijk. Ook deze nobele stichting weet dat een wereld waarin de kadaverput overbodig is geworden, niet bestaat, tenminste niet zo lang er vee wordt gehouden.

Maar die beelden en vooral dat grote getal van vijf miljoen, hadden het beoogde effect. Er kwamen verontwaardigde reacties. Hoe is het mogelijk dat een beschaafd land zoveel dierenleed toelaat? Waarom krijgt de bioindustrie alle ruimte voor zijn ongebreidelde winstbejag? Hoe hebben we het dier zo kunnen reduceren tot een bron van omzet, die maximaal benut moet worden? Hoe heeft de mens zo ver kunnen zakken?

Varkens in Nood kon tevreden zijn; campagne geslaagd. Maar je krijgt toch het schaamrood op de kaken als je de reacties leest van varkenshouders, die het doelwit waren van deze campagne, en als je wat beter naar de cijfers kijkt.

Zo werd door veel media gemeld dat de sterfte onder jonge biggen stijgende is. En er is inderdaad een lichte stijging van het absolute aantal. Maar het aantal geboren biggen stijgt veel harder. De percentuele sterfte onder biggen daalt. In de grafiek die deze week bij het bericht stond was dat keurig te zien. Maar in het bericht spraken we desondanks van een stijgende uitval onder biggen, terwijl die daalt.

De intensieve veehouder weet de biggensterfte dus te beperken. En wat belangrijker is: hij doet het beter dan zijn biologische collega, en veel beter dan de natuur. In de reguliere varkenshouderij komt 13 procent van de varkens op jonge leeftijd te overlijden. In de biologische varkenshouderij is dat zo’n 20 procent. En in de natuur komt meer dan de helft van de jonge varkens niet tot wasdom. Als de consument wil bijdragen aan een lage biggensterfte, moet hij kiezen voor een varkenslapje uit de reguliere veehouderij, schreef een veehouder deze week in zijn reactie.

Er waren meer teleurgestelde en boze reacties van veehouders. En terecht. Varkens in Nood heeft met deze campagne mensen op het verkeerde been gezet. Je kunt gegronde bezwaren hebben tegen de bioindustrie. Ook wij hebben kritiek op die sector. Maar in deze campagne wordt gedaan alsof het boeren worst zal zijn hoeveel biggen sterven. Dat is onzin. Iedere dode big kost de boer opbrengst. En al maakt hij het dagelijks mee, gevoelloos wordt een boer niet. Of zoals een varkensboerin op deze pagina schrijft: „Je weet dat er soms biggen sterven, maar het went nooit.”

Als we Varkens in Nood en zijn sympathisanten kritiekloos volgen, plaatsen we de veehouder lager op de beschavingsladder dan zijn varken. De woorden van die varkensboerin maken duidelijk hoe onzinnig dat zou zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden