Review

De bevrijdende schaterlach van K. Michel

K. Michel: Boem de nacht. Meulenhoff, Amsterdam; 52 blz. - ¿ 34,90.

Toch was de kritiek van de Maximalen niet geheel ongegrond. De poëzie dreigde in die jaren inderdaad enigszins vast te lopen in een aantal overgecultiveerde mechanismen. Michel en de zijnen pleitten voor een meer 'open' dichtkunst, waarin populair gezegd weer straatrumoer doorklonk. Deze barokke variant was nooit helemaal uit het poëtische landschap verdwenen (Hamelink, Ter Balkt, Ouwens), maar nam niettemin slechts een marginale positie in.

Hierin is de laatste jaren echter een opvallende verandering gekomen. Er is tegenwoordig ontegenzeggelijk meer aandacht voor het vluchtige en dynamische dan in de jaren tachtig. 'Elk moment is aan zich een ode', schreef Huub Beurskens in zijn laatste bundel, waarmee hij heel wat autonome verstarring uit een vorig dichtersleven van zich afschudde. Ook Robert Anker komt in zijn recente werk exuberanter uit de hoek dan voorheen. Daarnaast zijn er nieuwe dichters aan het woord gekomen die de verbrokkelde werkelijkheid met een barokke hybris in hun werk hebben geïntegreerd, zoals Elma van Haren, Arjen Duinker, Esther Jansma en Tonnus Oosterhoff.

K. Michel hoort onmiskenbaar in dit rijtje thuis. Zijn gedichten laten zoveel werkelijkheid toe - gespreksflarden, rinkelende telefoons, bizarre reclametaal ('Stoomstrijkijzer met snoeroprolmogelijkheid') en wat al niet - dat ze ervan uit hun voegen dreigen te barsten. Michel zoekt het wezen der dingen veeleer aan de oppervlakte dan in de diepte. 'De verschijning is qualitate qua het wezen', schreef hij al in zijn debuutbundel 'Ja! Naakt als de stenen'. In zijn nieuwe bundel 'Boem de nacht' suggereert hij in andere bewoordingen hetzelfde: 'zonder gebladerte geen wind / zonder ijsbloemen geen vorst'.

Dit baldadige primaat van de schijn opent groteske perspectieven:

voor de goudvissen op het balkon is het aquarium een duikerklok

rondom mijn lichaam stuift nu een wolk veren op

dan moet ik dus een gebarsten hoofdkussen zijn, liefste of een vogel die wordt geplukt.'

De vijftien voor het merendeel langere gedichten in 'Boem de nacht' vormen een mêlée van observaties, droom- en herinneringsflarden, kritische kanttekeningen en humoristische tournures. In de wereld zoals Michel die ervaart staat alles op z'n kop ('Er groeien wortels boven de grond'), regeert het kolderieke toeval ('Zie ook Garage Roest op de Zeeburgerdijk') en wordt datgene wat traditioneel voor wezenlijk doorgaat als bagatel afgedaan ('een laatste detail: ze draagt geen ringen / ze gelooft in het bestaan van de ziel').

Het aardige is dat Michel bij dit alles volstrekt nuchter en realistisch blijft. Het is de werkelijkheid zelf die ons dergelijke absurditeiten voorzet. Al zijn gedichten geven uiting aan het besef dat de mens voor eeuwig gedoemd is - boem! - om in het geestelijk duister - de nacht - rond te tasten. Maar hij treedt dit existentiële gebrek aan samenhang en houvast verrassend laconiek tegemoet.

Zo ook in het slotgedicht, 'Aangaande uw verzoek om een zelfportret'. Michel somt daar een aantal dichters en wijsgeren op en constateert dat geen van hen hem nader heeft gebracht tot de zin van dit verwarrende bestaan. Vervolgens mondt het gedicht wel heel onverwacht uit in een minutieuze ontleding van de verpakking van het bekende Franse smeerkaasje 'La vache qui rit'. Aldus doet het toeval hem aan de ontbijttafel de 'oplossing' voor het gebrek aan samenhang aan de hand: een bevrijdende schaterlach.

Door dergelijke abrupte wendingen maken Michels gedichten een levendige indruk, maar er schuilt tegelijk iets gemakzuchtigs in de wijze waarop hij, hoe suggestief en scherpzinnig soms ook, de chaos weerspiegelt als chaos. Het best bevallen mij daarom die gedichten waarin hij als bij toeval toch iets van samenhang door de ordeloosheid heen ziet schemeren. Desnoods een 'vergane samenhang', zoals het ergens heet.

Dat gebeurt bijvoorbeeld in 'In het vijfde element', waarin een oude opname van Nescio, uit 1959, die een verhaal met herinneringen aan een treinreis uit 1896 voorleest, op de radio wordt uitgezonden. De ontroerde stem van de bejaarde schrijver, inmiddels allang overleden, brengt de dichter op zijn beurt in een staat van etherische ontroering. Heel even valt alles voorbeeldig samen:

een man, een houtduif, een trein en wat licht

kwamen uit het ongerijmde in mijn keuken samen om een glimp te tonen van gene zijde

in een trage werveling van tijdstippen.

Zo'n 'glimp van gene zijde' duikt ook op in 'Onder de open hemel', waarin een veerboot, die dag in dag uit tussen 'twee wallen en valuta's schippert', opeens in een soort tegenwereld verzeild raakt ('uren over tijd, ver buiten het boekje') en koers lijkt te zetten naar 'de derde oever'. In dit en het vorige gedicht dwingt Michel van zijn materiaal iets af dat verder reikt dan een speelse weergave van de capriolen der verschijnselen. Noem het het vijfde element, of de derde oever; het is in elk geval de plek waar zijn poëzie het best tot haar recht komt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden