De beurs is ook maar een mens

Ondanks zijn in aandelen belegde spaarcenten weet Rob Schouten niets van de beurs. Dat stoort hem allerminst; Schouten vindt de beurs “een van de meest fascinerende onbegrijpelijkheden” die er bestaan.

1998 was het jaar van de grote portemonnee, de Beurs met een hoofdletter. Je moest wel lichtjaren van de bewoonde wereld verwijderd zijn om niet te merken dat er iets niet helemaal goed ging en dat de oorzaak in het Verre Oosten lag. Vorig jaar kreeg ik van de beheerders van een of andere spaarrekening, die mijn appeltje voor de dorst in aandelen beleggen, nog de indruk dat het allemaal botertje tot de boom was, dit jaar zal men in de overzichtsbrief mij met gematigde somberheid leren dat beleggen ook zo zijn risico's met zich meebrengt.

Ik weet niks van de beurs, ik begrijp er niks van en het interesseert me ook niks. Dat is de kern van een mededeling die ik nogal eens om mij heen hoor. Zeker in linkse intellectuele kringen tóónt het nog steeds niet om je al te zeer met de wereld van effecten, koersdalingen en -stijgingen of wisseldisconto's te encanailleren. Maar die desinteresse in de beurs begint steeds schijnheiliger te klinken.

Al decennialang behoort de beursstemming tot het dagelijkse nieuws. Ook al gebeurt er helemaal niks, is het allemaal een 'flauwe' of 'lusteloze' bedoening, Noraly Beyer of Henny Stoel z l ons vertellen wat er allemaal op de Amsterdamse beurs is gebeurd en hoe het met de AEX-index zit. Het journaal kan niet meer zonder het beursnieuws, zoals het ook niet zonder het weer kan - al liggen alle hoge- en lage drukgebieden al weken onwrikbaar op hun plaats verankerd, het is nu eenmaal elke dag een bepaald soort weer en dat moeten we weten; hetzelfde geldt voor de beurs. Als nieuws behoort het daarom tot een andere categorie dan het 'normale' nieuws: het temperatuurt verplicht iets, of de patiënt nu ziek is of kerngezond.

Ik heb overigens de indruk dat het beursnieuws, dat in vroeger jaren beperkt bleef tot een onleesbare krantenpagina (welke stakker maakt die eigenlijk op?) en een gongslag op de radio waarna 'Beursplein 5' met een lijst ondoordringbare uitslagen van start ging, de rol heeft overgenomen van het landbouwpraatje, de aanvoerberichten van slachtvee en de waterstanden - onze collectieve teldwang. Daarin tekent zich een cultuuromslag af: het Nederlandse volk interesseert zich niet langer en bloc voor landbouw en binnenscheepvaart maar voor het maken van geld. Voorzover iemand niet zelf op een of andere manier deelneemt aan het grote Monopoly-spel heeft hij toch het gevoel dat daar iets van belang voor zijn eigen toekomst wordt uitgespeeld.

Ook ik weet, ondanks mijn in aandeeltjes belegde spaargeld, niks van de beurs en ik begrijp er ook weinig van. Maar dat het me niet interesseert kan ik niet zeggen. Integendeel, ik vind de beurs een van de meest fascinerende onbegrijpelijkheden die er bestaan. Het is mij bekend dat de beurs een zekere weerspiegeling van het economisch klimaat biedt maar dat neemt niet weg dat ze zo nu en dan een zelfstandig leven lijkt te leiden. Ergens ontstaat een gerucht (over renteverlaging in de VS, over stagnerende werkgelegenheid in Taiwan, weet ik veel) en langzaam verandert er iets op de beurs. Men begint opeens dringend te kopen of te verkopen, íets sleept een hele horde mensen mee, die zich niet laten bepraten door sussende leiders die melden dat er met de economie niks aan de knikker is.

Paniek op de beurs drukt haast iets dierlijks uit: zoals een kudde herten de oren spitst op een naderend gerucht en opeens tussen de bomen verdwijnt. W t hebben ze gehoord, waarom rennen ze weg?

En tegelijkertijd heeft de beurs iets antropomorfs, wat waarschijnlijk ook de reden is dat het zo dagelijks op ons nieuws-menu mag staan: de beurs heeft een stemming, net zoals wij zelf, ze voelt zich 'flauw', 'lusteloos', 'willig', terughoudend', 'meevallend' etcetera. Al begrijp je er niks van, zoveel is duidelijk, de beurs is ook maar een mens, dag in dag uit.

Je kunt nog zo met je rug naar de beurswereld gaan staan, het is onmogelijk je er helemaal aan te onttrekken.

Op school leer je iets over de achttiende-eeuwse Schotse financier John Law, die de Franse staatsschuld wel even zou saneren maar met wilde speculaties in het Zuiden van Amerika de boel naar de kelder joeg (we hebben er trouwens wel de stichting van een van de meest exotische steden op aarde aan te danken, New Orleans). In het nieuws van onze eigen jaren negentig valt de naam van Nick Leeson, ook zo'n fantastische goochelaar met geld. Hoe? Je weet het niet precies, maar ten gevolge van één man kan kennelijk een heel financieel imperium instorten.

En natuurlijk is er het beroemdste beursnieuws ooit, de Krach van 1929. De Newyorkse beurs stort in. Als jongetje dacht ik natuurlijk aan een concrete instorting van een gebouw, te meer omdat het verhaal gepaard ging met uit het raam springende speculanten. Dat laatste scheen trouwens nogal mee te vallen. In een van de weinige boeken over de beurs die ik in de kast heb staan, De crash van '29 van John Kenneth Galbraith, lees ik dat het zelfmoordcijfer ten tijde van de crash in 1929 niet opvallend hoger was dan voorheen en tijdens de erop volgende depressie ook heel wat langzamer opliep dan de mythevorming het wil. Maar goed, wat de crash van '29 de mensheid leerde is dat dromen er vooral zijn om aan diggelen te vallen.

Wat aan het 'harde' bedrijf van het geld opvalt is nu juist de bijna mystieke roes die ermee samenhangt. Aan het eind van de jaren twintig voorspelden allerhande professoren de Amerikaanse economie en dus ook de burgers gouden bergen. Een of andere democraat schreef in een blaadje Ladies' Home Journal een artikel onder de kop 'Iedereen behoort rijk te zijn', kortom de Amerikanen zetten hun American Dream in de steigers en wat gebeurt er? Even later ligt de hele boel op z'n gat, ontstaat de ergste economische crisis ooit en groeien op de puinhopen van 1929 zulke zaken als de depressie in Duitsland waar dan weer het nazisme op kan inhaken enzovoorts.

Als je het verhaal van Galbraith leest krijg je de indruk dat de paniek bij de gewone man ook behoorlijk werd aangewakkerd omdat de 'tikker' op de beurs, het instrument dat de koersen aangaf, het allemaal niet aankon en fiks achterliep, waardoor mensen eigenlijk niet precies wisten waar ze op dat moment aan toe waren en collectief panikeerden. Niet het mogelijk herstel van de koersen telde maar wat die achterlopende tikker aangaf. En vervolgens zet zich in het hoofd van de speculanten allemaal onzin vast, zoals dat na de zeven vette jaren nu wel de zeven magere jaren moeten volgen. Nogmaals, de beurs is een mens.

Volgens Galbraith had je het bij nader inzien in 1929 allemaal kunnen zien aankomen maar dat is wel erg makkelijk gezegd. In mijn editie van zijn boekje heeft hij na de crash van 1987 een voorwoord toegevoegd waarin hij de parallellen tussen '29 en '87 uitmeet, en weer krijg je het idee: de geleerden hadden het moeten kunnen voorspellen. Maar toch is dat niet zodanig gebeurd dat er iemand kon ingrijpen. En dat is precies wat mij aan de beurs fascineert: allemaal afzonderlijke mensen die bij elkaar iets kennelijk autonooms voortbrengen.

Op de beurs zelf willen ze daar natuurlijk niks van horen. In een oude brochure, getiteld 'Beurs, spiegel der waarheid' lees ik het volgende slotwoord : “Zo blijkt dan uit alles het grote belang van een vrije beurs, gevormd door een betrekkelijk groot aantal beursbezoekers. Het dient tot niets, en het heeft op den duur ook nooit succes gehad, om ter beurze situaties voor te spiegelen, die niet met het economisch evenwicht der vrije prijsvorming overeenstemmen. Want altijd komt te eniger tijd het demasqué, Zo is en blijft de effectenbeurs in ieder vrij en democratisch land niet alleen de spiegel der werkelijkheid, maar ook het instrument der waarheid, de 'leugendetector'. Maar zulk een uniek instrument, dat even goed als de vrije meningsuiting nauwkeurig reageert op de werkelijkheid, zulk een spiegel der waarheid, moet men in ere houden.”

De crash van 1987 staat me nog redelijk goed bij. Opeens hoorde je in het café en op feestjes Jan en alleman praten over de 'hoekman', kennelijk een cruciale figuur op de beurs. Daarmee raakte het beeld van de gezette, sigarenrokende patriciër die de beurspagina van het Handelsblad uitspelt en couponnen zit te knippen, obsoleet. De beurs was er nu ook voor de gewone man, net zoals hockey of golf. Voor het eerst drong tot mij door dat ik misschien ook eens een aandeeltje moest kopen.

Tot de artistieke sector is het geloof ik allemaal nog niet goed doorgedrongen. Ik ken nauwelijks gedichten, schilderijen of toneelstukken die de beurs en de geldhandel een erg goed hart toedragen. Natuurlijk, je hebt de Beurs van Berlage, maar die is inmiddels toch meer van Berlage dan nog Beurs, en trouwens als effectenbeurs voldeed het gebouw direct al niet. Vondel schreef een ietwat verplicht loftuiterig gedicht op de eerste beurs van Amsterdam, maar een echte literaire ode aan de zegeningen van het kapitalisme, zoals ze in Engeland met bijvoorbeeld de Forsythe Saga van John Galsworthy bezitten, wil me toch niet te binnen schieten.

Potgieter moet er ooit eens over hebben lopen peinzen, bij het passeren van de poort van Elswout, het bezit van de negentiende-eeuwse Nederlandse 'beurs'-familie Borski: “Zal ik die ingang ooit langs komen zonder aan het begin van The Virginians te denken, zonder van een roman te dromen: 'De Borski's' getiteld? Dat Poolsch-Joodsche geslacht zou stof in overvloed leveren.”

Joods waren de Borski's trouwens niet, dat maakte het negentiende-eeuwse vooroordeel er maar van, en misschien een beetje Pools. In de negentiende eeuw en tot diep in onze eeuw bezaten ze zo'n beetje alle land in de buurt van Overveen en Bloemendaal. Je had bijvoorbeeld de Borski-duinen, later (naar een nazaat genaamd) de Van der Vliet-duinen, die pas in 1950 tot een publiek toegankelijk nationaal bezit, de Kennemerduinen, werden omgedoopt.

De Borski's waren door hun speculaties op de beurs weliswaar steenrijk maar ze waren ook ongelukkig. In de laatste generatie echte Borski's stierven van de vijf zoons er vier voortijdig terwijl de vijfde niet goed snik was. Rijk maar toch arm, zo leerde de kinderbijbel ons aangaande Naüman.

Toen ik in het begin van de jaren zestig in de buurt van die voormalige Borski-duinen woonde en wij van Haarlem via de Zeeweg naar Bloemendaal aan Zee fietsten, hoorde ik nog de naklanken van die Borski-sage. In de duinen stonden prachtige huizen, vertelden mijn ouders ons, ware paleizen waren het, maar die rijkdom zei niet zoveel want heel wat bewoners ervan waren diep ongelukkig, en hadden doodzieke kinderen. Het Naüman-complex, de diep gewortelde hoop bij de gewone man dat de rijkaards boven hem toch ook een of ander geweldig defect vertonen, zodat je er tenslotte toch niet jaloers op hoefde te zijn.

Bei Geldfragen hort die Gemütlichkeit auf, beweren ze in Duitsland. En zo is het eigenlijk altijd geweest. In het toneelstuk 'Een wraak, of de Nieuwe beurs van Amsterdam' geschreven door een zekere Jacobus Doncker (ik vond de man in geen enkel naslagwerk terug) in 1903 ter gelegenheid van de opening van de Beurs van Berlage, heerst de God Mammon nog als een boosaardig tiran over de mensheid. De Beurs van Berlage is zijn wraak en als die verrezen is, loeit de Geldgod:

'Zoo zie ik eindelijk mijn wraak in steen verrezen, Maar Inspiratie, nog kan 'k niet tevreden wezen Aleer ik heb gezien en deugd'lijk ondervonden Hoe diep, hoe vlijmend zij de burgerij verwondde; Ik wil; en moet de rauwe jammerklachten hooren, Hun angstgehuil zal lief'lijk mijn gemoed bekoren, De bitt're tranen, die ze in hun rouwing plengen En storte, zullen mijn ziel in 't rijk wer brengen Canb zoete zaal'ge vree, waaruit ik was verdreven Door 's volks ondankbaarheid.'

En zo tettert het nog enige tijd voort.

Een eeuw later is er van de psychologische afstand tussen de gewone man en de beurs weinig meer over. Gebabbel over de beurs, met hoe weinig deskundigheid ook, behoort tot de modale kroegpraat, het is in zekere zin wel degelijk 'gezellig' geworden, en zelfs wereldvreemde kunstenaars hoeven zich niet langer te schamen voor een aandeeltje KPN-Telecom.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden