De beste taal achter tralies

(FOTO JÿRGEN CARIS) Beeld
(FOTO JÿRGEN CARIS)

Dichter Menno Wigman heeft een zwak voor gevangenispoëzie. Zelfs sentimentele ’rijmballen’ – gedichten die eigenlijk nooit de bajes uit hadden gemogen – weten bij Wigman een ’vreemde zindering’ te veroorzaken.

Begin dit jaar stond ik met een Britse cipier te praten over Oscar Wilde. Hij had op school wel eens wat van hem moeten lezen, maar het leven zei hem meer. Pas toen hij in de gevangenis van Reading kwam te werken, verdiepte hij zich in het lange gedicht dat Wilde over zijn gevangenis had geschreven.

„Ik hou niet van gedichten”, zei hij, „vroeger ook al niet. Maar nu ik ’The Ballad of Reading Gaol’ goed bestudeerd heb moet ik zeggen: alle details kloppen, nergens kun je Wilde op, hoe heet het, op dichterlijke vrijheid betrappen.”

Dichterlijke vrijheid of niet, al sinds mijn zestiende ben ik gefascineerd door gevangenispoëzie. Een van de eerste Engelse gedichten die ik op school las was ’The Ballad of Reading Gaol’. Daarin had Wilde het over ’that little tent of blue / which prisoners call the sky’.

In zijn ballade beschreef Wilde een groep getergde gevangenen die een executie van een medegevangene zat af te wachten. Tijdens het luchten droegen ze stuk voor stuk een kap. Spreken werd onmiddellijk afgestraft. Natuurlijk begreep ik niet elk woord uit dat gedicht. Dit wel: ’And some grow mad, and all grow bad, / and none a word may say.’

En ook deze woorden kwamen door: ’And blood and wine were on his hands / when they found him with the dead, / the poor dead woman whom he loved, / and murdered in her bed.’

Als ik eerlijk ben heeft Wilde behoorlijk wat erbarmelijke gedichten geschreven, maar zijn bajesballade is nog altijd weergaloos. Niet voor niets zijn sommige strofen uit dat gedicht in het collectieve geheugen van de Engelsen terecht gekomen.

In Nederland zijn het deze regels:

Een cel is maar twee meter lang

en nauw twee meter breed,

wel kleiner nog is het stuk grond,

dat ik nu nog niet weet,

maar waar ik naamloos rusten zal,

mijn makkers bovendien,

wij waren achttien in getal,

geen zal de avond zien.

Na Oscar Wilde las ik Baudelaire, las ik Rimbaud en kwam ik ook op het spoor van Paul Verlaine, die net als Oscar Wilde bijna twee volle jaren in de gevangenis moest zitten. De gedichten die hij in Brussel en later in Mons schreef, behoorden tot de mooiste die ik kende.

Tijdens een treinreis naar Limburg sprak ik eens met een vriendin – ze was opgegroeid in Engeland en kon niet wachten tot ze ’weer wat heuvels zou zien’ – over mijn fascinatie voor Oscar Wildes gevangenistijd. Ook Verlaine kwam ter sprake. Vlak na de eerste heuvel wist ik het. Ik moest naar Mons en Reading gaan, ik moest de cel zien waar ze hun vleugels hadden uitgeslagen en daar gloedvolle reportages over schrijven.

Die treinreis vond meer dan vijf jaar geleden plaats. Uiteindelijk heb ik pas dit jaar voor de celdeur van Verlaine en Wilde gestaan. Heilige plaatsen die stonken naar pis en verjaard mannenzweet. Lopend over de luchtplaats van Oscar Wilde zag ik ’die kleine tent van blauw / die gevangenen de hemel noemen’. Maar verder was er niks poëtisch aan, aan die afgetrapte steenkolos vol vernederde mannen.

De gevangenis van Verlaine was zo mogelijk nog troostelozer. Toch wist ik meteen waarom hier grootse literatuur was ontstaan.

Geen idee of het u interesseert, maar er worden onwaarachtig veel gedichten in de gevangenis geschreven. Dat was vroeger zo, dat is nu zo. De meeste van die gedichten zijn larmoyante rijmballen die maar beter nooit de gevangenismuren kunnen verlaten. Toch gaat er altijd weer een vreemde zindering door me heen als ik weet dat een gedicht achter de tralies is geschreven. Het is een soort De profundis-gevoel: nog voor je aan het lezen bent, besef je dat iemand vanuit een diepe, met niets te vergelijken eenzaamheid tot je spreekt. Noodzaak, waar is de noodzaak, hoor je vaak als er weer eens een betoog over poëzie wordt afgestoken. Hier kun je het krijgen.

Als je er eenmaal oog voor hebt, sterft het van de boeken en boekjes met strafpoëzie, met zorg gedrukt of halsoverkop in een conciërgehok gekopieerd, dat maakt niet uit.

Vergeet vooral de triomfantelijke wedstrijdbundels niet. Ik heb er tientallen van.

Laatst las ik in een bundel gevangenisgedichten een wonderlijk gedicht van een zekere Jean Tardieu. ’Klacht van de veeleisende man’ heet zijn gedicht. Wat eist die man?

’Midden in de nacht / Vroeg hij om de zon / Hij wilde de zon / Hij eiste de zon.’

Ja, het is waar, herhaalt de dichter, midden in het volle midden van de nacht schreeuwde de man om de zon, nee, eiste hij ’de zon, de zon!’

Ze vroegen hem: wat wou je ermee?

Hij antwoordde: het licht,

Ik wil het licht laten vallen

Op deze smerige zaak.

Geen idee wie Jean Tardieu is, geen idee ook of hij werkelijk zo heet, maar zijn gedicht zegt in een paar woorden waar het elke gevangene om te doen moet zijn: een zon in je spelonk die alle onrecht en alle vernedering voor eens en altijd aan het licht zal brengen.

Er zijn in de loop der tijden heel wat ’verdedigingen van de poëzie’ geschreven. Er bestaat ook zoiets als de triomf van de poëzie. En dan heb ik het niet over de dichters zelf met al hun aandoenlijke of minder aandoenlijke ijdelheden, maar over de poëzie die midden in de gevangenis bezit van iemand kan nemen, die zich tussen vier onvriendelijke muren als een blinde oerkracht naar buiten vecht. Van malafide boekhouders tot pederasten, van brandstichters tot mensenhandelaars: vroeg of laat geeft iedereen in de gevangenis zich wel eens aan de poëzie over.

Juist wanneer alle hoop verpulverd lijkt gaat een mens op zoek naar de beste taal die er is. Aan gewoon proza, bedoeld om te vertellen, uit te leggen, aan te tonen, heb je dan niks. En zo ontstaan er gedichten, duizenden en duizenden gedichten – de enige manier om alle wanhoop te bezweren.

Ik weet het: lang niet alle dichters voelen een drang om te schrijven. Sommigen vallen maanden, sommigen zelfs jaren stil. Je mond valt haast open als je ziet hoe verstard ze de tijd uit hun handen kunnen laten lekken. Hoe anders zou dat in de gevangenis zijn. In haar gevangenisdagboek ’Vuile handen’ beschrijft de Duitse schrijfster Luise Rinser hoe ze onder een losse plank in de vloer van haar cel wat papier, een potlood, een stompje kaars en een paar lucifers vindt.

„Het is vast een veilig plaatsje”, noteert ze op 22 oktober 1944. „Ik ga het gebruiken om een dagboek te verstoppen dat ik wil bijhouden. Schrijven is streng verboden. Ik doe het toch. Toen ik nog vrij was en kon schrijven wanneer en zo vaak als ik maar wilde, heb ik dikwijls getwijfeld aan de zin van deze bezigheid; nu beschouw ik haar als een persoonlijke weldaad. Het woord is een genade.”

Dat het woord een genade is zul je niet vaak horen in schrijverscafés. Het lijkt me ook niet helemaal waar. Hoe gedreven je op je cel mag zitten schrijven, je zult nooit werkelijk verlost zijn van het gevangenisleven vol vernederingen, woede, geweld, verdriet en gemis.

Tijdens mijn bezoek aan Reading en Mons zag ik vooral veel apathie. In Mons, dat diep in Wallonië ligt, zaten de gevangenen met twee, soms drie man op een cel. Om de ellende en verveling te vergeten werden er voortdurend slaappillen aangevraagd. Ook was er een levendige handel in drugs, vooral hasj was erg gewild. De cipiers, die om de zoveel maanden staakten, hadden het zo druk dat het ze alleen maar goed uitkwam dat de gevangenen gedrogeerd op hun cel wegdroomden.

Splendid isolation, jaja, maar het lijkt me sterk dat je in zo’n bedompte burcht als een Wilde of een Verlaine je vleugels kunt uitslaan.

Laat me tot slot nog één gedicht citeren, en wel een gedicht dat niet binnen de muren van een gevangenis ontstond. Alleen al de titel van dat gedicht is meesterlijk: ’Breyten Breytenbach mag de maan zien.’

Lucebert schreef dat gedicht in de zomer van 1977 voor zijn grote Afrikaanse mededichter die vanaf 1975 zeven jaar gevangen zat. Natuurlijk klampte ook Breytenbach zich in het cachot aan het woord vast. Toevallig ontdekte ik laatst dat het moment waarop Breytenbach voor het eerst sinds maanden de maan mocht zien, tot op de dag en de minuut te achterhalen is. In zijn gevangeniskroniek ’De ware bekentenissen van een witte terrorist’ schrijft hij: „Ik zie de maan voor het eerst terug op 19 april 1976 omstreeks zeven minuten voor half vier in de middag, staande op het grootste van de drie oefenvelden, dat omringd is door hoge muren, zodat het op een diepe put lijkt. Ik keek op en zag in het vierkante stuk lucht tot mijn verbazing een verschrompelde witte vorm. Kon het een parel in mijn oog zijn? Was het de nageboorte van een ruimteschip? Nee, dit kon alleen de maan zijn.”

Ik schrijf dit op een donderdagavond en morgenochtend verschijnen er weer nieuwe kranten en zult u ongetwijfeld ergens lezen dat er met ingang van nu zwaardere straffen moeten worden gegeven.

Wie weet leest u ergens op het net dat het hoog tijd wordt om het strafrecht af te schaffen en weer ouderwetse lynchpartijen te houden. Wie weet heeft u zelfs op een partij gestemd die vindt dat één enkele straatroof met acht jaar celstraf moet worden afgestraft – alles mag. Maar denkt u bij al uw hoog beleden onvrede en heilige ergernis soms ook even aan zoiets wonderlijks als de maan en de duizenden verworpenen die verstoken van liefde in gore cellen gedichten zitten te schrijven.

Amen.

En dan wil ik nu graag bewijzen dat de poëzie de beste taal is die er is:

breyten breytenbach mag de maan zien

van ver blies het zwijn zonder gezicht

en vandaag kwam naar hier het bericht

dat je na twee jaar potdicht cachot

een dun matras kreeg en een beetje maan

dit gedicht schaamt zich gedicht te zijn

woede wil andere wapens dan woorden

ja het schaamt zich gedicht te zijn en geen schot

waarmee het – dichter – jouw beul kan vermoorden

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden