'De beste poëzie berust op bluf en suggestie'

Er bestaat geen onduidelijkheid over de vraag welke Nederlandse gedichten Gerrit Komrij interessant genoeg vindt om voor de vergetelheid te behoeden. Hij heeft ze immers keurig bij elkaar gezet in zijn befaamde, driedelige bloemlezing 'De Nederlandse poëzie in 3000 en enige gedichten'. Maar wat we daarmee nog niet weten is waaróm hij nou juist die gedichten de moeite van het bloemlezen waard vindt.

Die vraag zal wel nooit volledig en bevredigend worden beantwoord, maar een tipje van de sluier wordt toch opgelicht in zijn zojuist verschenen 'In Liefde Bloeyende - De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de twintigste eeuw in 100 en enige gedichten'.

Hierin reiken Komrij de bloemlezer en Komrij de essayist elkaar de hand. Het bevat 101 in chronologische volgorde geplaatste gedichten, te beginnen met het oermoedertje van onze poëzie, 'Hebban olla vogala...' en eindigend met het nog maar onlangs uit het ei gekropen 'Jeunesse dorée' van de jonge Menno Wigman. Elk gedicht, en dat is het bijzondere van dit boek, wordt gevolgd door enkele pagina's kernachtig commentaar.

'Commentaar' is eigenlijk het goede woord niet voor deze sprankelende leesimpressies. Wat je verder ook van dit boek en de erin verwoorde kunstopvattingen mag vinden, voorop staat toch in elk geval dat het prachtig is geschreven. In Komrij's proza gaan luchtigheid en diepzinnigheid voorbeeldig samen. Of een gedicht hem nu ontroert of vermaakt, ernstig stemt of verkwikt, zijn stijl oogt altijd ontspannen.

Overal proef je zijn vakmanschap, intelligentie en poëtische intuïtie: zij leggen zelfs het grootste gewicht in de schaal, maar Komrij's proza wil er, goddank, maar niet zwaarwichtig van worden. Ernst mag, speelsheid ook - dat zijn zelfs de contrasterende grondtonen van zijn commentaar. Maar een hoge borst opzetten is er niet bij.

Ernstig is Komrij bijvoorbeeld wanneer hij over een gedicht van de rederijker Cornelis Crul opmerkt: “Waarom is dit gedicht zo grandioos en onvergetelijk? Het bestaat nota bene voor het grootste deel uit bijbelcitaten. Het moet de mineurtoon zijn die mij als lezer inkapselt, de melancholie tussen madrigaal en lamentatie in.”

En in één moeite door grappig is hij wanneer hij zijn stukje over ditzelfde gedicht besluit met: “Het werkt troostender dan Prozac.” Komrij balanceert graag tussen uitersten. De heetgebakerde grollen van de 19de-eeuwer Jurriaan Moulin ('De kankerbloem der ongenade / Bedwelme uw 'waterhersenbol') zijn zeer aan hem besteed, maar de onaardse, bezwerende gestrengheid van Ida Gerhardt ('Zeven maal om de aarde te gaan, / als het zou moeten op handen en voeten') evenzeer.

En zo zijn er meer gedichten in deze bloemlezing die qua emotionele sfeer haaks op elkaar staan. Vlak voor het elegische 'Op de doot van myn dochtertje' van Hubert Korenliszoon Poot staat het virtuoos malle 'Verbeelding' van Carolus Tuinman. Deze Kees Stip van de vroege achttiende eeuw presteerde het om 32 regels lang te rijmen op het titelwoord:

Zeg, is een ouwel niet een meelding? Is pop en koot geen kindren speelding? En is een bef, of das, geen keelding? Een diamant, is 't geen juweelding? Oorblazers tong, is 't geen verdeelding?

Enzovoort. Meer een vers voor een thematische bloemlezing als 'De dichter lacht' zou je zo denken, maar kenmerkend voor Komrij is nu juist dat het existentiële en kolderieke heel goed in één band kunnen samengaan.

Komrij hééft iets met contrasten en tegenstellingen. Zowel die tussen gedichten onderling als die welke zich manifesteren binnen één gedicht. 'In Liefde Bloeyende' bevat voorbeelden te over van deze fascinatie voor het barokke en paradoxale.

Zo boeit het sonnet 'Antichrist' van Jacob Revius hem onder meer vanwege de 'onwrikbare structuur' waarin een inhoud gegoten is 'die alleen maar over ontwrichting handelt'. Hij wordt niet moe te wijzen op de versmelting van tegenstellingen die hij in zijn favoriete gedichten aantreft. Hij is lyrisch over een gedicht van Vondel, waarin een echtpaar verdrinkt, niet alleen in het water, maar ook in de contrastrijke alchemie van Vondels taal, hetgeen culmineert in een liefdeskus aan het slot die tevens een doodskus is.

In 'Paeschen' van Constantijn Huygens, dat zo prachtig inzet met 'Den Engel is voorbij: de grouwelicke nacht / Der eerstgeborenen is bloedeloos verstreken', spitsen de contrasten zich onder andere toe op het persoonlijke en mythische, en binnen het mythische weer op het joodse (Pesach) en christelijke (Pasen).

Naar aanleiding van 'Luchtige liedjes' van Jacqueline E. van der Waals, een gedicht dat in werkelijkheid zo luchtig niet is, merkt Komrij op dat poëzie 'een kunstvorm van de contradictie (is), van de veelheid in eenheid, van de uitgebalanceerde excessen, van de veinzerij, van de - dubbelzinnigheid'.

Dit lijkt een zeer wezenlijk punt voor Komrij's poëtische appreciaties. Een goed gedicht is vaak harmonieus met zichzelf in tegenspraak. Het liegt de waarheid. Als de dichter vrolijk is, dan schrijft hij een elegie; is hij droevig gestemd dan huppelt hij. Er is distantie en tegenspraak nodig om onze gevoelens het juiste masker op te zetten. “Kunst is magie”, zegt Komrij ergens, maar ook: “De beste poëzie berust op bluf en suggestie.”

In de visie van Komrij is het allebei waar. Ik denk dat 'waarheid' en 'zuiverheid' in zijn ogen altijd legeringen zijn, zowel artistiek als menselijk gesproken. De mens is een vat vol tegenstrijdigheden, de dingen zijn niet wat ze schijnen, en de poëzie is een waardige dan wel aardige leugen. Er zijn kunstgrepen voor nodig om tussen magie en bluf, waarheid en illusie, jongleren en bezweren door te laveren. Waar hij dergelijke kunstgrepen welbewust en vakbekwaam ziet toegepast, begint voor Komrij de ware poëzie.

In dit paradoxale licht moeten we ook zijn voorkeur bezien voor het vormvaste gedicht. Een gedicht moet om Komrij te kunnen bevallen technisch wel wat in huis hebben. Waarom? Omdat een dichter pas in gebondenheid vrijuit kan heersen over de stof. Poëzie, aldus Komrij, is 'een optelsom van technische wegversperringen die de hordeloop van de kunstenaar zo adembenemend mogelijk moet maken'.

Hij ziet de dichter graag als een Houdini die zich uit de door hemzelf gelegde knopen bevrijdt, theatraal en illusionistisch, zich onttrekkend aan wat hij niettemin vastlegd. Het is typerend dat wanneer P. C. Hooft ergens een driedubbel rijm hanteert, dit in de ogen van Komrij 'meer heeft van een wapperend lint dan van een keurslijf'.

Deze voorliefde voor het jongleren met de vorm doet enigszins aan de rederijkers denken. Die associatie is niet misplaatst. Weliswaar is het aantal echte rederijkersgedichten dat Komrij heeft opgenomen op de vingers van één hand te tellen, maar de titel van zijn boek spreekt op dit punt toch duidelijkt taal. 'In Liefde bloeyende' was het devies van de Amsterdamse rederijkerskamer De Egelantier.

Nu hebben de rederijkers een hoop krompraat de wereld in geknutseld maar dat laat onverlet dat zij een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van de verstechniek. Zij voegden een waar arsenaal van akoestische, metrische en plastische noviteiten toe aan het alles bijeen toch wat schrale, uniforme middeleeuwse vers.

Met de rederijkers begon de poëzie haar onschuld te verliezen. Zij werd gewrongener, zeker, ook alerter, complexer, speelser en moderner. Komrij laat zich hierover niet uitdrukkelijk uit, maar de titel van zijn boek suggereert toch dat het belang hiervan door hem onderkend. Ik denk trouwens dat hun voorliefde voor het theatrale en declamatorische hem persoonlijk ook erg aanspreekt.

En zeker zal hij veel waarde hechten aan de wijze waarop zij de muzikale mogelijkheden van het vers hebben verruimd. Met hoeveel instemming citeert hij niet ''t Gauwe miertje' waarvan de eerste vier verzen luiden:

Gauwe miertjes, Kleyne diertjes, Groote meesters van den mensch! U te prijzen Met den wijzen Is mijn welberaden wensch.

'Het lijkt verdomd Gezelle wel', aldus Komrij. Bij tal van andere gedichten komt hij op het juiste 'gevoel voor muziek en maat' terug. Voeg daarbij zijn vele opmerkingen in de trant van: 'Kunst - een kwestie van positie en getal', en het beeld van Komrij als liefhebber van technisch volmaakte, ambachtelijke poëzie is compleet.

Speelsheid. Theater. Vertoon. Timing. Techniek. 'Zelfs als het de dichter heilige ernst is speels hij', schrijft Komrij. Om ons emotioneel te raken heeft de dichter eerst heel wat moeten plussen en minnen. Het 'spel' bestrijkt het hele domein tussen komedie en tragedie in, de platte klucht en het praalzieke kostuumstuk inbegrepen.

Een gedicht is maakwerk, is onecht. Maar als het goed gemaakt is, dan kan het ons wezenlijk raken en lijkt het 'echter' an het leven zelf. Dat leven immers heeft, o paradox, maar al te veel weg van een maskeradespel met de dood als laatste masker. Poëzie die op deze dubbelzinnige grond tuiniert is duidelijk favoriet in de hof van Komrij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden