De berg van Petrarca

In 1336 bereikte de Italiaanse humanist Petrarca na een tocht van twintig uur de top van de Mont Ventoux. Een kleine 700 jaar later treedt cultuurhistoricus Léon Hanssen in zijn voetsporen. „Ik kon niet anders bedenken dan dat de pelgrimage op de flanken van deze berg bedoeld moet zijn om de strijd in en tussen de mensen geheel tot bedaren te brengen.”

Léon Hanssen

In Bedoin, aan de voet van de Mont Ventoux, troffen we een gids die aanbood ons in een nachtelijke voettocht naar de top van de berg te vergezellen. Vele jaren eerder had ik, onderweg op de fiets naar de Méditerranée, de legendarische reus al eens op twee wielen bedwongen.

Dat had me weinig gedaan. Er waren massa’s wielertoeristen op en rond de weg geweest. Sommigen klampten me wanhopig aan voor een slok water of een hap uit een zoete reep. Uit passerende auto’s klonk getoeter en gejoel, deels ter aanmoediging, deels om me te verzekeren dat ik vooruitging als een slak. En ik had nota bene de ’gemakkelijke’ route vanuit Malaucène over de noordwestzijde van de berg genomen! Op de top was het kermis. Het hinderde me om rustig van het veelgeroemde uitzicht te genieten, dat bij helder weer van de Mont Blanc over de Rhônedelta tot de Pyreneeën reikt.

Dit was allesbehalve het eenzaam avontuur waarover Petrarca in zijn brief aan de augustijner monnik Dionigi, gedateerd ’Malaucène, 26 april 1336’ had geschreven. De brief van de Italiaanse humanist geldt als de eerste getuigenis van een mens die een hoge top beklimt omwille van de prestatie zelf en om het uitzicht te inspecteren. Hij is wel ’de vader van het alpinisme’ genoemd. Interessanter is dat Petrarca ook beschrijft wat de klimtocht innerlijk met hem doet: het is zijn eigenlijke onderwerp. Het bereiken van de fysieke top leidt tot een toestand van gelukzaligheid, gevolgd door het inzicht dat het ’ene goede, ware, schone en blijvende’ alleen in de verhevenheid van de geest te vinden is en niet in het aardse leven, hoe indrukwekkend het zich ook mag voordoen. Alleen door de innerlijke geest kan men tot God naderen. Dat bewustzijn was de winst van Petrarca’s beklimming van de Ventoux, ondernomen vanuit Malaucène, waar hij na een expeditie van twintig uren in het holst van de nacht in een herberg zijn ervaringen fris van de lever op papier bracht.

Nu we de kans kregen een nachtelijke voettocht naar de top te ondernemen, konden we Petrarca’s woorden toetsen. Als vertrekpunt namen we niet Malaucène, maar het aan de zuidelijke voet gelegen gehucht Sainte Colombe, iets ten oosten van Bedoin. Van hieruit leidt een eeuwenoude pelgrimsroute naar de top. Aan het einde van de vijftiende eeuw was door godvruchtige lieden hier een houten kapel opgericht waarin men desgewenst een deel van de nacht kon doorbrengen of beschutting kon vinden tegen kou, regen, sneeuw en de bijna voortdurend actieve stormwinden.

En masse plachten de pelgrims jaarlijks op 14 september naar het hoogste punt van de berg te trekken: de dag van de verheerlijking van het Heilige Kruis, ad diem exaltationis Sanctae Crucis. Een replica daarvan markeert sinds jaar en dag de entree van de kapel. Kort na het vertrek uit Sainte Colombe passeerden de bedevaartgangers een kruis, waar zij elk een steen voor neerlegden onder het uitroepen van de woorden ’Dieu face mercy aux trespasses’. Gods mededogen zouden zij op hun tocht over deze ’steile en bijna ontoegankelijke rotsmassa’ (Petrarca) hard nodig hebben.

Iedereen kon wel beweren dat hij de Mont Ventoux had bedwongen. Je kon je toen nog niet aan de ingang van de kapel door een metgezel met een camera laten vereeuwigen. Daarom namen de reizigers in die dagen een takje van de epicea mee naar beneden, een sparrenboom die in dit deel van de Provence, de Vaucluse, alleen op de bovenste hellingen van de Ventoux voorkwam. De vegetatie van de berg was zo eigenaardig dat menig pelgrim er apart verslag van deed. Terwijl aan de zuidkant van de berg flora te vinden was die normaal alleen in de Sahara voorkomt, groeiden er op de top rotsplantjes waarvan het bestaan alleen op Groenland en Spitsbergen kon worden aangetoond.

Anders dan de grote humanist vertrokken we niet bij het krieken van de dag, maar aan het eind daarvan, om half twaalf ’s avonds. Dit had een speciale bedoeling. Volgens een soepel tijdschema, dat voorzag in een rustpauze in een berghut, zouden we de volgende ochtend precies op tijd aankomen om getuige te zijn van het opgaan van de zon.

Op een windstille zomeravond gingen wij van start, in de rug beschenen door een vrijwel volle maan. Tot diep in de nacht waren een onderhemdje en een korte broek voldoende, zo warm was het op de flanken van de berg. Elk van ons droeg een rugzak met etenswaar, een liter vocht, extra kleding en een duvet (slaapdeken). Het gezelschap was klein. Er had zich alleen nog een Belgisch echtpaar bij ons gevoegd. Gelukkig was de geringe recette, zestien euro per persoon, voor de gids geen reden de expeditie af te blazen. In mum van tijd hadden we het geroezemoes van de terrasjes achter ons gelaten.

De klim voerde aanvankelijk over een tamelijk breed boswachterspad onder de naaldbomen. Ik keek omhoog naar de sterren tussen de boomtoppen. Door het donkere silhouet van de kruinen tegen het verlichte hemel voelde ik mij een figuur in een schilderij van Caspar David Friedrich. De romantische filosofie leerde dat het heelal slechts een spiegel van ons innerlijk is. De geheimzinnige weg leidt naar binnen, meende Novalis: „In ons, of nergens is de eeuwigheid met haar werelden, het verleden en de toekomst.” Ik meende van dit romantische effect, de terugkaatsing van het universum in het innerlijk, ook warempel iets te bespeuren.

De stilte over de berghelling was geenszins doods. Regelmatig hoorde je het schuifelen van kleine en grote dieren, de aanhoudende, vreemde roep van een vogel waarvan zelfs de gids de soortnaam niet kende. De Ventoux liet ons binnentreden in een kristallijnen rust. Misschien stopte de Belgische reisgezel daarom geen seconde met praten, maar zijn stemgeluid vond in de oneindigheid van de bergwand geen klankkast en was op anderhalve meter afstand al nauwelijks meer te horen.

We werden nu helemaal in beslag genomen door het omhoogklauteren. De route voerde langs een bochtig brokkelig smal pad tussen cederbomen. Voor de zekerheid had ik mijn zaklantaren opgestoken. Terwijl ik dacht dat ik iedereen een dienst bewees, gebaarde de gids dat het helemaal niet nodig was: je zintuigen wennen sneller aan het duister als je je er aan overlevert.

De berg die wij aan het bedwingen waren (in die termen ga je vanzelf denken) was allang niet meer de berg van Petrarca. In zijn tijd was de Ventoux nog dicht begroeid met een veelvoud aan planten- en boomsoorten. Het moet in die dagen een onwaarschijnlijke inspanning zijn geweest om in deze wildernis de weg naar de top te vinden. Na de Middeleeuwen is de reus stelselmatig kaal gekapt. Het hout bracht goud op in de vlootbouw en de oorlogsindustrie.

De Ventoux werd een kale berg in een kale vlakte. Pas in de negentiende eeuw kwam het besef dat deze situatie rampzalig was. De streek was onherbergzaam geworden.

De berg werd opnieuw beplant, nu met boomsoorten die de extreme weersomstandigheden moeiteloos moesten kunnen trotseren: de ceder uit het Marokkaanse Rifgebergte en de Oostenrijkse den.

Her en der waren op de berghelling vlakke stroken of putten zichtbaar waar eeuwen geleden langdurige vuren werden gestookt voor de productie van houtskool. Een beetje woelen in de aarde ter plaatse leverde koolzwarte handen op, maar het materiaal was zo zuiver dat het na één, twee keer vegen als fijn stof in het maanlicht vervloog.

Toen ik omkeek zag ik dat we dit blanke, buitenaardse landschap hadden betreden door een kloof waarvan de loodrechte wanden onwerkelijk scherp afstaken tegen de nachtelijke hemel. De maan gaf een licht als van miljoenen tl-buizen. Dag en nacht waren hier door elkaar gehusseld. Verdwaasd liepen we een hele poos als schaduwloze automaten door dit ravijn, totdat we door een nauwe opening tussen de rotsen stapten die toegang bood tot wat uiteindelijk de echte klim bleek. Al na vijftien minuten gutste het zweet ons langs de rug. Als het mij was gevraagd, dan hadden we de laatste ruk naar de top in één keer afgelegd, maar zo stak het schema niet in mekaar. De gids wees ons op een gebouwtje dat in de schemer tussen de laatste struiken verrees.

In deze uit keien opgetrokken berghut zouden we tot half vijf in de ochtend pauzeren en zelfs even kunnen slapen. Het was er aardedonker en er hing een verstikkende, vieze, vochtige lucht. We hoorden de gids met iemand enkele woorden uitwisselen, er werd een lantaarn ontstoken en tot onze verbazing lag er wel een dozijn mensen op de vloer te slapen. Een vrouw, nauwelijks gekleed, stond op, nam een slok uit een veldfles en begon een uitgebreide conversatie met de man die naast haar lag. Stoorden we? De gids verzekerde ons dat we rustig aan de kop van de hut in het stro konden gaan liggen, hijzelf zou wel een plekje in de buitenlucht zoeken.

Als het kerstkindje in een krib vol hooi en stro probeerde ik in slaap te vallen, maar het was eerder alsof de slaap in de nog wakende rede omhoogkroop en daar allerlei verontrustende beelden neerplantte.

Niet veel later hervond ik mijn bewustzijn, om me nog net te realiseren dat mijn ijle slaap was uitgemond in een smeekbede aan een naamloze god: of mijn zuster, die kort daarvoor zelf de dood had gezocht, voor altijd rust zou mogen vinden. Wat niets anders kon betekenen dat zij nog steeds streed. Ik zag haar strijd. Nog. Dat was het ergste van deze droom.

De voettocht van Petrarca naar de top van de Ventoux wordt in de literatuur doorgaans begrepen als een queeste naar het innerlijke licht, dat een schijnsel is van de goddelijke waarheid. Zo heeft de humanist het in zijn brief immers voorgetekend. Het ging hem helemaal niet om het bewonderen van de natuur of om het uitzicht op de top, dat hij bij ondergaande zon genoot, maar waar hij weinig woorden voor veil heeft.

De fysieke tocht was niets anders dan een spirituele reis naar het ware geloof. Sinds een opstel van de inmiddels overleden Petrarca-filoloog Giuseppe Billanovich, ’Petrarca e il Ventoso’ uit 1966, zijn steeds meer geleerden gaan betwijfelen, zoniet ontkennen, dat hij deze voettocht werkelijk heeft gemaakt. Zijn brief zou niet meer dan een ijdel vertoon van eruditie zijn, een literaire opeenstapeling van klassieke, mythologische en christelijke citaten en toespelingen, bedoeld als een geïdealiseerde autobiografie, waarbij de Ventoux de rol van de ’bekeringsberg’ toeviel. De beklimming was niet meer en niet minder dan de figuurlijke uitdrukking van wat Petrarca als de kern van zijn leven beschouwde. Maar in werkelijkheid had hij de reus nooit betreden. Zeker is dat Petrarca’s datering van de brief, ’Malaucène, 26 april 1336’, onmiddellijk na zijn terugkeer van de top, op een misleiding berust. In werkelijkheid heeft hij hem pas zeventien jaar later op papier gezet. Toen was de monnik aan wie hij de brief adresseerde al tien jaar dood .

De grootste Petrarca-kenner van dit ogenblik, de Duitse romanist Karlheinz Stierle, ontkent ten stelligste dat de grote humanist enige mystificatie op zijn geweten heeft. In zijn magnifieke biografie uit 2003 probeert hij aan te tonen dat de Italiaan de top wel degelijk met zijn voeten heeft beroerd. Maar ik verdenk Stierle ervan dat hij heeft nagelaten wat hij als biograaf had moeten doen: in zijn voetstappen te treden en zelf de mars van twintig uur naar de deur van de hemel ondernemen. Op feitelijk vlak blijft Stierle verdacht vaag en blijkt hij niet te weten dat er sinds eeuwen een traditie bestaat van nachtelijke pelgrimages naar de geheiligde witte top. Overigens is Petrarca in zijn beschrijving van de klim, en in de details die hij geeft over de reisduur, over de situatie op de top zo concreet dat ik hem onvoorwaardelijk op zijn woord geloof. Zo’n expeditie verzin je niet. En heeft hij het wel gedaan, dan behoort hij de grootste laaielichters van de literatuurgeschiedenis.

Petrarca moet de Ventoux hebben gezien als de letterlijke tegenpool van Dantes hel, het Inferno, dat immers in een onderaardse kegel gesitueerd is. Hoe dieper in de hel, hoe erger de zonden van de boetelingen. Hoe hoger op de berg, hoe dichter bij de waarheid van de hemel, die een afzien veronderstelt van alle aardse bevliegingen.

Na een hazeslaap van een uur of anderhalf hervatten wij onze tocht. Bij elke blik naar boven dachten we er bijna te zijn, maar dat bleek telkens bedrog. De top kwam nauwelijks dichterbij. De ondergrond bestond nu voornamelijk nog uit losse witte kalkstenen, van groot tot gruis, die onder onze schoenen wegschoven.

We passeerden schapen, druk bezig het stugge groen tussen de keien uit te trekken. We moesten nog de laatste dennenbomen en struiken achter ons laten om ons te realiseren dat hierboven geen ander leven geduld wordt dan de oerelementen. De laatste honderden meters onder de top zijn uitsluitend samengesteld uit kleine scherpe keien en verpulverd witgrijs kalkgesteente.

Even voor zessen was het zover. We bereikten de stenen pelgrimskapel die in de jaren dertig van de vorige eeuw is opgericht op de plaats waar sinds de middeleeuwen een schuilhut heeft gestaan. We sloegen een kruis en haastten ons naar het hoogste punt, een zendmast op 1912 meter hoogte, om vandaaruit het opgaan van de zon gade te slaan.

We waren niet de enigen. Touringcars en campers waren uitgerukt om dit schouwspel op de parkeerplaats mee te maken. Hadden we niet een beetje gelijk dat we letterlijk op hen neerkeken terwijl zij zich voor de snijdende wind beschermden door achter hun verwarmde ruiten te blijven zitten? Zij misten het leeuwedeel van het spektakel, dat pas je beloning wordt als je de berg op eigen kracht beklommen hebt en één geworden bent met de elementen. Zo dachten wij althans, reuzenbedwingers die we ons voelden.

In het late duister leken de Alpentoppen vanwaarachter de zon in het oosten moest opklimmen op donkere wolken. Ik was bang dat ze het zicht zouden ontnemen, maar de gids stelde me gerust: het was een zeldzaam heldere ochtend. Op de seconde precies brak het eerste zonlicht aan de horizon door, met een beslistheid en verhevenheid die geen relativering duldden. Dit kwam mede door een vreemd fenomeen. Terwijl de zon zich ginds als een pauw van goud oprichtte, bleef het in onze onmiddellijke nabijheid nog wel een kwartier lang schemerig. En achter ons, in zuidwestelijke richting, was de wereld nog steeds in een bijna beangstigend duister gehuld. Nee, de zon heeft geen assistentie nodig. Als enige onder de hemel behoeft zij geen hulp. De poolkappen smelten onder ons vandaan, de gletsjers trekken zich terug. De sterren doven bij het licht dat wij op aarde produceren, maar de zon dicteert nog steeds ons bestaan.

Camera’s klikten en snorden. Er klonk applaus en bravo en dit duurde totdat de eersten het voor gezien hielden en de toeschouwers zich ineens rap in hun voertuigen naar de bewoonde wereld spoedden. Zo ook de lieden die wij ’s nachts in de berghut hadden aangetroffen en van wie ik aannam dat zij voor een dagenlange bergtocht onderweg waren. Zij bleken op de top een auto te hebben gereserveerd die hen op de snelste wijze naar een espressoapparaat kon brengen.

Wij stonden aan het begin van een urenlange afdaling van meer dan 1600 meter, die nog vermoeiender zou blijken dan de weg omhoog. Langs de pelgrimskapel afzakkend, zagen wij hoe de schaduw van de berg zich over het dal van de Rhône uitspreidde, strak omlijnd door zonlicht in onze rug. We realiseerden ons dat wij, in ganzenmars wandelend op de helling, minuscule poppetjes in de diepte vormden. Ik kon niet anders bedenken dan dat de pelgrimage, zoals die sinds eeuwen op de flanken van de Ventoux wordt bedreven, bedoeld moet zijn om de strijd in en tussen de mensen geheel tot bedaren te brengen en hen te bewegen niet meer in de buitenwereld te zoeken wat alleen in hun innerlijk gevonden kan worden.

De Ventoux neemt en geeft roem. In de Touretappe van 13 juli 1967 liet de Britse renner Tom Simpson, het lijf vol dope en drank, ruim een kilometer onder de top het leven. Iedereen die nu het monument voor deze sportman passeert, slaat eerbiedig een kruisteken en legt een herinnering bij het gedenkteken. Intuïtief weet elke klimmer wat Petrarca met zijn beroemde brief uit dertienzoveel bedoelde: de berg is een gebed en in elk gebed moeten we een berg bedwingen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden