De berg Mulisch

Harry Mulisch heeft de mogelijkheid van de dood in zijn denken simpelweg geen kans gegeven. Hij leeft tot op de dag van vandaag alsof hij onsterfelijk is. Notities bij de vijfenzeventigste verjaardag van een ijdel genie.

Op zijn twaalfde was Harry Mulisch er al van overtuigd dat hij een genie was. Hij wist alleen nog niet waarin. Als puber dacht hij dat er een briljante scheikundige in hem schuilging, en verwachtte dat het slechts een kwestie van tijd zou zijn voordat hem de Nobelprijs voor de chemie zou worden toegekend. Op zijn zolderkamertje in het Haarlemse huis van zijn vader voerde hij scheikundige proeven uit en spijkerde een bordje op de deur met de tekst:

Laboratorium prof. Dr. Mr.

Ir. H. K.V. Mulisch Esq.

Deur sluiten

Stilte

Maar op zijn zeventiende - dat Mulisch als zijn 'absolute leeftijd' beschouwt - wist hij dat het niet de Nobelprijs voor de scheikunde, maar de Nobelprijs voor de literatuur zou worden. Hij was, als donderslag bij heldere hemel, begonnen aan een boek over 'alles' en wist dat hij zijn bestemming had gevonden. Hij zou een beroemd schrijver worden. Niet alleen in Haarlem, niet alleen in Nederland, maar in de wereld. ,,Het is niet moeilijk om in Nederland een schrijver van belang te zijn', zei Mulisch in 1956 in de lezing met de omineuze titel 'Op weg naar de mythe'. ,,Maar ik ben liever niets naast Dostojevski, dan 'iets' naast de klungels die hier voor grote schrijvers doorgaan. Zo ijdel ben ik wel.'

Het totale gebrek aan twijfel is kenmerkend voor de manier waarop Mulisch over zijn leven en werk dacht, heeft gedacht, en nog altijd denkt. ,,Ik heb er nooit aan getwijfeld dat het allemaal zo zou lopen', zegt hij nu, aanstaande maandag vijfenzeventig jaar oud, en vijftig jaar nadat hij debuteerde met de roman 'archibald strohalm'. ,,Het is', vindt hij, ,,een kwestie van talent. Daar kun je je niet op laten voorstaan, dat heb je of dat heb je niet. Misschien ontdekken ze nog op een dag in het DNA het schrijversgen - dat zou alles verklaren.'

Het gaat zelfs nog verder. In Mulisch' kosmologische levensfilosofie is geen plaats voor het toeval. Niet alleen acht hij zijn talenten genetisch vastgelegd, zijn hele leven beschouwt hij in hoge mate als voorbestemd. Als een verhaal dat er al is, maar dat alleen nog maar hoeft te worden geleefd. Dat blijkt alleen al uit de manier waarop hij in 'Mijn getijdenboek' zijn eigen geboorte heeft beschreven: 'Op vrijdag 29 juli werd ik, negen pond zwaar, uit de Stille Oceaan opgevist. Het was, schreef mijn vader in het babyboek, een dag na nieuwe maan, 10u15 Nederlandse zomertijd. [..] Diezelfde dag kwam de Vesuvius plotseling in verhevigde werking, maar de kranten vermeldden niet of dat kwam door mijn geboorte of door Mussolini, die ook die dag zijn verjaardag vierde.'

Mulisch is altijd gefascineerd geweest door de 'tekenen' waarin het bestaan zich kenbaar maakt. Deze tekenen bestaan natuurlijk alleen maar voor wie ze wil zien. 'Worden zij niet gezien, dan zijn ze er ook niet. Het zijn geen feiten, maar betekenissen', schreef hij in de necrologie van zijn oude vriend Godfried Bomans. Het is dan ook niet toevallig dat Mulisch betekenis toeschreef aan het onweer dat losbarstte toen hij op de drempel stond van zijn 'stralende zegetocht' in de literatuur.

Op 31 juli 1951 liep Mulisch, sinds twee dagen 24 jaar oud, over een donkere Amsterdamse gracht om het manuscript van zijn roman 'archibald strohalm' in te leveren bij de secretaris van de jury van de Reina Prinsen Geerligsprijs, een literaire debutantenprijs. Hij had die avond nog tot zes uur zitten tikken op zijn zolderkamer in Haarlem, om zijn manuscript gereed te krijgen. Om twaalf uur 's nachts sloot de inschrijvingstermijn, en om vijf voor twaalf drukte Mulisch op de bel van H. J. Smeding, de secretaris van de prijs. Smeding lag al in bed, en verscheen in pyjama aan de deur. Hij zag een jongeman op zijn stoep staan, met een manuscript in de hand. Op het moment dat Smeding het manuscript van Mulisch aannam, barstte er een geweldig onweer los. De secretaris wees naar het hemelvuur, en zei: ,,Het kan niet anders of dit boek heeft de prijs'.

De secretaris had het goed gezien. Mulisch kreeg de prijs, en achteraf markeert het onweer het moment waarop hij als schrijver werd ontvangen door de 'officiële, kanonieke' wereld. 'Het is hetzelfde onweer', schreef Mulisch in 'Voer voor psychologen', 'dat in 1870 woedde boven Rome, toen het Concilie in de Sint Pieter stemde over het dogma van de pauselijke onfeilbaarheid'.

De tekenen zijn Mulisch blijven achtervolgen. In 1958 verhuisde hij uit Haarlem, zijn geboortestad, en ging in Amsterdam wonen. Daar, op zijn kamer in een groot pand om de hoek bij het Leidse Plein, werkte hij aan het boek dat zijn doorbraak naar het grote publiek zou betekenen: 'Het stenen bruidsbed', een roman waarin een Amerikaanse gevechtsvlieger na de Tweede Wereldoorlog terugkeert naar de puinhopen in het centrum van Dresden. Mulisch had zijn kamer even verlaten om een kop koffie te drinken in het nabijgelegen Hotel American. Toen hij weer thuiskwam om verder te werken, schrok hij zich wezenloos. ,,Mijn kamer zag eruit als Dresden.'

Het plafond was naar beneden gekomen en had het massief eikenhouten blad van zijn bureau gespleten. Zijn stoel lag bedolven onder een stapel enorme blokken stucwerk. Mulisch was aan de dood ontsnapt. De tekenen bevestigden Mulisch' gedachten: het was r k waar hij zich mee bezighield. In interviews die in de kranten verschenen nadat 'Het stenen bruidsbed' was gepubliceerd, stelde hij zonder omhaal dat hij zijn eigen boek 'goed' vond. En in 1960 verklaarde hij brutaalweg: ,,Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertjelief aan'.

Mulisch vindt dat werkelijk. Hij heeft niets op met het benepen Hollandse adagium 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg'. Mulisch heeft zijn hele leven simpelweg gedaan waar hij zin in had, en ronduit gezegd wat hij dacht. Of dat nu ijdel overkwam of niet. ,,Het is geen houding, ik ben mezelf geweest en gebleven. Zo is mijn karakter nu eenmaal. Mijn vader stoorde zich er ook al aan toen ik twaalf was.'

Niet alleen heeft Mulisch altijd gedaan waar hij zelf zin in had, hij kreeg er, naarmate de tijd vorderde, ook steeds meer plezier in om olie op het vuur te gooien. Mulisch dreef de zelfspot op de top in de bij vlagen hilarische roman 'De pupil' uit 1987, waarin hij zijn zelfportret als jongeman schetst. 'De pupil' is 'een buitengewoon opmerkelijke jongeman van achttien, even opgewekt als getormenteerd, met een volstrekt onafhankelijke geest en een universele belangstelling, uitzonderlijk begaafd, met een mateloze ambitie, gecombineerd met een tomeloze werklust, daarbij ongetwijfeld creatief, met een aangeboren mensenkennis en een verbluffend originele fantasie, ook zeer geestig en ad rem, bovendien vrijwel volmaakt gebouwd en altijd smaakvol gekleed, welgemanierd, goed van de tongriem gesneden en bij dat alles van een hartveroverende bescheidenheid.'

Op de achterflap van 'De pupil' staat een foto van Mulisch in zwembroek, zijn lichaam diep gebronsd, terwijl hij uitkijkt naar de vulkaan aan de andere kant van de Golf van Napels. Het even briljante als bescheiden onderschrift bij de foto luidt: 'Van links naar rechts: de Vesuvius, Harry Mulisch'. Geconfronteerd met zijn eigen grap, zegt Mulisch achteraf, daverend van het lachen: ,,Wie het nu nog niet begrijpt, begrijpt niets. Ik heb me tijdens het schrijven kapot gelachen met die arrogante kwast.'

Hoewel Mulisch zichzelf dus met een flinke dosis ironie kan bezien, is zijn zelfverzekerdheid geen schijn. Sterker nog: zijn 'geniale' zelfbeeld verschafte hem een ijzeren doorzettingsvermogen om dingen te doen die anderen wellicht uit schroom of angst voor kritiek zouden laten. Nadat Mulisch in 1977 de P.C. Hooftprijs was toegekend (,,Ik ben natuurlijk blij met de prijs en vind die ook niet helemaal onverdiend. Daarover wil ik geen bescheiden of achteloze kuren tentoonspreiden', zei hij tijdens de uitreiking), zette hij zich voor de zoveelste maal aan zijn filosofische boek waarin hij het systeem dat aan 'alles' ten grondslag ligt, wilde ontrafelen.

Gedurende dertig jaar was 'De compositie van de wereld' in zijn achterhoofd aanwezig geweest. Honderden boeken had hij ervoor gelezen. Twee volle jaren, 1964 en 1967, had hij eraan geschreven. Bijna een meter mappen met duizenden aantekeningen, opzetjes, rekensommen, formules staat in de kast in zijn werkkamer. Alles tevergeefs. Totdat hij aan het einde van de jaren zeventig toch een doorbraak wist te forceren. In zijn werkkamer deed hij akoestische experimenten (het systeem is gebaseerd op de 'octaviteit'), en voelde zich net zo in zijn element als toen hij zeventien was en proeven deed in het 'laboratorium' op zijn Haarlemse zolderkamer. Mulisch had niet opgegeven. Waar de meeste mensen zouden zeggen: 'Dat was een jongensdroom, dat was tóen, ik voer het niet uit', daar dacht Mulisch: 'Kom, ik doe het wel'.

Natuurlijk was Mulisch zich ervan bewust dat hij een risico nam door een vuistdik filosofisch werk van 'een mateloze pretentie' te publiceren. Hij zou vast voor een charlatan worden uitgemaakt ('een krankjoreme onzinturf' noemde W. F. Hermans 'De compositie van de wereld' na de publicatie in 1981), maar hij was bereid dat risico te lopen. Verstandig was het misschien niet maar, schreef Mulisch in zijn inleiding bij zijn filosofische magnum opus, 'verstandigheid moet men aan de dommen overlaten'.

Mulisch paste zijn geloof in eigen kracht niet alleen onvervaard toe in zijn werk, maar ook op zijn eigen leven. In 1982, net na de publicatie van 'De Aanslag', kreeg Mulisch last van pijn in zijn zij. Zijn lijfarts, Julius Roos, vertrouwde het niet. Hij liet foto's maken van Mulisch' ingewanden, en constateerde dat zich in zijn maag een kwaadaardig gezwel bevond. Binnen een week werd Mulisch geopereerd. Zijn maag moest eruit. Mulisch bleef er doodkalm bij, en verliet de avond vóór de operatie zelfs het ziekenhuis om met zijn vrienden Hans van Mierlo en Jeroen Henneman nog uitgebreid te gaan tafelen in de Oesterbar op het Leidseplein. Geen seconde twijfelde hij eraan dat hij zijn ziekte zou overwinnen. Pas achteraf hoorde hij dat zijn overlevenskans maar tien procent was geweest. ,,Dit heb je me nooit verteld', zei Mulisch tegen zijn arts. ,,Je hebt er nooit naar gevraagd', antwoordde hij.

En zo was het geweest. Mulisch had de mogelijkheid van de dood in zijn denken simpelweg geen kans gegeven. Hij leeft tot op de dag van vandaag alsof hij onsterfelijk is. ,,Dat zijn geen situaties waarin je je zorgen moet maken', zegt hij. ,,Het was duidelijk wat ik had. Dat was lastig, maar zou overgaan. De meeste mensen hebben een lichaam, ik ben een lichaam.

VERVOLG OP PAGINA 11

De berg Mulisch

VERVOLG VAN PAGINA 9

Toen ik hoorde dat ik kanker had, dacht ik meteen: we zullen wel eens even zien wie hier de baas is.' U begrijpt, twintig jaar na dato, wie dat was.

In die twintig jaar bereikte Mulisch, zoals hij zelf al had voorspeld, de top van de Olympos. Hij publiceerde 'De ontdekking van de hemel', de literaire tegenhanger van 'De compositie van de wereld', en verblufte daarmee zelfs zijn grootste critici. Van het boek zijn inmiddels meer dan 500 000 exemplaren verkocht, en verschijnen vertalingen over de hele wereld. Eind oktober 1996 reisde Mulisch af naar New York, voor de presentatie van 'The Discovery of Heaven'. Daags na zijn aankomst in de stad las hij in de lobby van zijn hotel (een van de weinige plaatsen waar hij onbekommerd een pijp mocht opsteken) in The Wall Street Journal een recensie van zijn boek. De eerste regel luidde: 'Wie zich afvraagt wat er met de filosofische roman is gebeurd - en wie doet dat niet? - moet zich tot Nederland wenden.'

Mulisch las snel verder. In de rest van het stuk vergeleek Jamie James, de criticus van The Wall Street Journal, Mulisch met de allergrootsten uit de wereldliteratuur: 'Net als Homerus, Dante en Milton gebruikt Mulisch de kosmos als toneel en zijn thema is de geschiedenis en betekenis van alles. Het boek geeft voor eens en voor altijd antwoord op de vraag wat Mulisch noemt 'de algemene ondergang van alles'. [..] Waar Eco zijn enorme eruditie gebruikte om een traditionele whodunit te scheppen, heeft Mulisch' boek niets frivools.' Toen Mulisch het stuk uit had, sloeg hij de krant dicht en begon onbedaarlijk te lachen. ,,Harry Homerus!'

Grimlachend bedacht hij dat zo'n recensie wel weer veel kwaad bloed zou zetten in zijn vaderland. ,,Eigenlijk had ik toen dood moeten gaan', zegt Mulisch, ,,maar dat zat er nog niet in'.

Sterker nog: na de hemel te hebben ontdekt, schreef hij nog twee schitterende romans, waarin hij opnieuw twee alter ego's in het leven riep. Victor Werker, de hoofdpersoon van 'De procedure', een chemicus die ontdekt hoe leven uit de dood kan worden geschapen, is het spiegelbeeld van Mulisch. Hij wordt verwekt op zaterdag 24 november 1951, de dag dat Mulisch de Reina Prinsen Geerligsprijs kreeg uitgereikt voor 'archibald strohalm'. In 1992, het jaar dat 'De ontdekking van de hemel' verscheen, doet Victor Werker zijn grote wetenschappelijke ontdekking. Verder heeft Werker ook Mulisch' idealen in spiegelbeeld: Werker droomt ervan om schrijver te worden, maar staat op de nominatie voor de Nobelprijs in de chemie. Vlak voor het einde van 'De Procedure', en vlak voordat hij op kafkaëske wijze om het leven wordt gebracht, denkt Victor Werker: ,,Als de telefoon gaat: niet aannemen, ook al is het misschien de Zweedse ambassade'.

Het is de omgekeerde situatie van zijn schrijver: Mulisch droomde er ooit van professor in de chemie te worden, maar staat nu op de nominatie voor de Nobelprijs voor literatuur. Mulisch knikt. ,,Ik voel me niet te min voor die prijs. Maar als ik hem niet krijg, voel ik me ook vereerd. Ga maar na wie de prijs allemaal niet hebben gekregen: Proust, Kafka, Tolstoj, Nabokov.'

Voor zijn laatste roman 'Siegfried' bedacht Mulisch dat hij een schrijver als hoofdpersoon wilde hebben, die het bestaan van Siegfried, de zoon van Hitler, op het spoor moest komen. ,,Ik dacht: wie zal ik eens nemen? W. F. Hermans? Gerard Reve? Ach nee, waarom neem ik mezelf niet? Die ken ik toch het beste.'

Zo ontstond Rudolf Herter, wiens naam niet toevallig hetzelfde ritme heeft als 'Adolf Hitler'. Herter heeft een vrouw én een vriendin, twee dochters en een zoontje, rookt pijp en is aan één oor doof. Bovendien heeft hij een magnum opus geschreven, 'De uitvinding van de liefde', dat hem in de wereld vergelijkingen opleverde met Homerus, Dante, Milton en Goethe. Herter is weliswaar de schaduw 'van de schaduw die hij eens was', maar nog onbetwist de beste schrijver van Nederland.

In de ironische wijze waarop Rudolf Herter door Mulisch wordt verbeeld, lijkt hij wel een oudere versie van de jonge schrijver uit 'De pupil'. Hij is al even getalenteerd, en voorzien van net zo'n 'benijdenswaardig zelfvertrouwen'. Mulisch ontdekte zelf pas dat de twee schrijvers dezelfde waren nadat hij 'Siegfried' al had gepubliceerd. Maar hij achtte het daarom niet minder waar: ,,Nu wordt duidelijk waarom ik hem in 'De pupil' geen naam heb gegeven'.

Niets is toevallig, in het universum van Mulisch. De schrijver is niet langer op weg naar de mythe, hij heeft op zijn vijfenzeventigste zijn doel bereikt. Zijn leven staat geschreven. Voor Mulisch geldt, wat ook voor Rudolf Herter geldt: 'Zijn leven lang deed hij eenvoudig waar hij zin in had, omdat hij zich anders dood zou vervelen, en toch was hij daarmee meer en meer in een kunstwerk veranderd'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden