DE BARBARIJ IS IN DE MODE

Een jongen komt tussenbeide als de vriend van zijn moeder haar probeert te wurgen. ' Maar de oudere man sloeg de jongen neer en trapte hem verschillende malen tegen zijn hoofd. Vervolgens sleepte hij hem naar buiten en beukte zijn hoofd tegen de grond totdat hij bewusteloos was en bloedde uit een diepe wond. In de ambulance kwam de jongen weer bij kennis, maar zijn moeder eiste dat hij niets zou zeggen tegen de politie, want dan zou haar geliefde naar de gevangenis moeten, en ze voelde er weinig voor een man op te geven die, zoals ze letterlijk zei, ' heel wat beter neukt dan je vader'.' Deze beestachtigheid is volgens de Engelse psychiater Theodore Dalrymple een massaverschijnsel geworden. De schuld van de dreigende triomf van de barbarij legt hij bij ' beschaafde mensen die de afgelopen decennia zijn gaan heulen met de barbaren'.

Als we horen van wereldschokkende gebeurtenissen, rampen of bloedbaden, zijn we geneigd ons te schamen dat we zo klagen over onze eigen kleine misère. Dan vragen we ons af waar we ons nou eigenlijk mee bezighouden. Dat deed ik ook toen ik hoorde over de verwoesting van de twee torens van het World Trade Center. Ik was net gaan zitten om een boekrecensie te schrijven; niet over een groot werk, maar over een degelijke, gewetensvolle, ietwat saaie biografie over een minder belangrijke historische figuur. Vergeleken met het gruwelijke lot van de duizenden mensen die zaten opgesloten in het brandende en instortende gebouw, was niets minder belangrijk dan wat ik aan het doen was. Een boekrecensie, afgezet tegen de dood van meer dan driehonderd omgekomen brandweermannen, om nog maar te zwijgen van de duizenden andere doden. Wat had het nog voor zin om zo'n energieverslindende, onbeduidende opdracht af te maken?

Als gevangenisarts red ik een paar levens per jaar. Als ik met pensioen ga, heb ik in mijn hele carrière nog niet eens zoveel levens gered als er in die gruwelijke momenten in New York verloren gingen, zelfs niet als ik mijn tijd in Afrika meereken, waar het erg eenvoudig was om met de simpelste medische middelen een mensenleven te redden. En mijn schrijven legt nauwelijks gewicht in de schaal; mijn werk amuseert enkelen, maakt sommigen kwaad en is onbekend bij de overgrote meerderheid van de mensen in mijn directe omgeving, laat staan bij anderen. Ik voel me onmachtig en nutteloos.

Maar tegelijk denk ik aan de pianiste Myra Hess die tijdens de Tweede Wereldoorlog in de National Gallery in Londen Mozart speelde, ook tijdens de bombardementen. Ik ben geboren na de oorlog, maar de rustige heroïek van deze concerten, over de radio uitgezonden, was in mijn jeugd nog steeds een krachtig symbool. Het won natuurlijk nog aan kracht omdat Myra Hess joods was en het antisemitisme van de vijand centraal stond in diens ontaarde kijk op de wereld; en omdat de muziek die zij speelde -een hoogtepunt van menselijk kunnen -afkomstig was uit het land van de vijandelijke leider, die de diepste barbarij vertegenwoordigde.

Niemand vroeg ' wat heeft het voor zin Mozart te spelen terwijl de wereld in brand staat?' Niemand dacht ' hoeveel legerdivisies heeft Myra Hess?' of ' over hoeveel vuurkracht beschikt een rondo van Mozart?' Iedereen begreep dat deze concerten een uitdagend gebaar van menselijkheid en cultuur waren tegenover een ongekende beestachtigheid. Daar ging het om in de oorlog. Ze onderstreepten de overtuiging dat de waarde van de beschaving door niets kan worden aangetast.

Ik herinner me ook een verhaal van de filosoof Karl Popper, een Oostenrijkse vluchteling die zich in Engeland vestigde. Vier Berlijners, die in afwachting waren van hun arrestatie door de Gestapo, brachten hun laatste avond -mogelijk de allerlaatste van hun leven -samen door met het spelen van een Beethovenkwartet. Uiteindelijk werden ze niet gearresteerd, maar ze hadden blijk gegeven van hun overtuiging dat de beschaving de barbarij overwint, dat ondanks het schijnbare onvermogen van de toenmalige beschaving om de aanslag door de barbaren te weerstaan, de beschaving nog steeds het verdedigen waard was. Ze is zelfs het enige dat het waard is om verdedigd te worden, omdat ze betekenis geeft aan ons leven.

Natuurlijk is beschaving niet alleen maar een liefde voor de absolute hoogtepunten van menselijk kunnen. Haar bestaan is afhankelijk van een oneindig ingewikkeld en broos weefsel van relaties en activiteiten, sommige nederig, andere heel verheven. De straatveger speelt evengoed een rol als de grote kunstenaar of de denker. Beschaving is het geheel van alle activiteiten waardoor mensen hun louter biologische bestaan overstijgen en reiken naar een rijker geestelijk, esthetisch en materieel leven.

Waardering voor grote culturele prestaties is noodzakelijk, maar niet voldoende voor beschaving. Want men zegt dat kampcommandanten na een lange dag van massamoord ' s avonds weenden bij liederen van Schubert -en niemand zou zulke mannen beschaafd willen noemen. Integendeel, ze leken meer op de oude barbaren die, nadat ze een beschaafde stad hadden veroverd en gebrandschat, tussen de ruïnes gingen wonen, omdat die altijd nog beter waren dan wat ze zelf konden bouwen. Het eerste vereiste voor beschaving is dat mensen bereid zijn hun laagste instincten en begeerten te onderdrukken: als ze daar niet in slagen dan worden ze, juist door hun intelligentie, veel erger dan dieren.

Ik groeide veilig op, maar een besef van de kwetsbaarheid van de beschaving werd mij al vroeg bijgebracht doordat er in mijn jeugd in Londen nog altijd veel bomkraters waren. Vaak speelde ik in kleine stadswildernissen van onkruid en puin, en eigenlijk vond ik het jammer dat ze geleidelijk verdwenen; maar toch ontging mij de betekenis van de vernieling die was aangericht niet.

Ook bracht ik veel uren van mijn jeugd door in schuilkelders. Ze waren duister en vochtig en prettig angstaanjagend; je wist nooit precies wat je er aan kon treffen. Als ik niet meteen misselijk was geworden van de nicotine, had ik daar roken geleerd, zoals mijn vrienden deden. Daar ook vond menige seksuele verkenning plaats.

Toch waren we ons altijd bewust van het doel waarvoor ze gebouwd waren.

De schaduwen van degenen die er, nog niet zo lang geleden, in geschuild hadden, waren nog aanwezig. Elke volwassene herinnerde zich de Blitz: het flatgebouw van mijn moeder was gebombardeerd, en toen ze op een ochtend wakker werd was het half weg en stond een van haar kamers in open verbinding met de buitenlucht. Wij hadden thuis een geïllustreerde geschiedenis van de oorlog, in vele delen, waar ik hele ochtenden of middagen aandachtig in bladerde, tot ik elke foto kon dromen. Eén ervan had ik steeds voor de geest als ik met mijn vrienden een schuilkelder in ging: die van twee jonge kinderen, beiden blind, in net zo'n schuilplaats, hun blinde ogen opwaarts gericht naar het geluid van de explosies boven hen, met een hartverscheurende blik van onbegrip.

Maar meer dan iets anders droeg het feit dat mijn moeder zelf een vluchtelinge uit Duitsland was bij aan mijn besef dat veiligheid -het gevoel dat er niets echt ten kwade kan keren en dat je eigen leven onkwetsbaar is -een illusie was en zelfs gevaarlijk. Ze liet mijn broer en mij foto's zien van haar leven in het Duitsland van vóór de nazi's: een comfortabel bourgeoisbestaan, met chauffeurs en grote auto's, mannen met hoge boorden die duurdoenerig sigaren roken, vrouwen met veren boa's, picknicks aan het meer, winter in de bergen. Er waren foto's bij van mijn grootvader in uniform, een arts en trouw onderdaan van de keizer, die voor zijn militaire dienst tijdens de Eerste Wereldoorlog onderscheiden werd. En daarna -plotseling -niets: een langdurige fotostilte, totdat mijn moeder opdook in een nieuw, minder luxueus en gewoner (want vertrouwder) gezinsleven.

Zij verliet Duitsland toen ze zeventien jaar oud was en heeft haar ouders nooit teruggezien. Als dit haar kon overkomen, waarom dan mij niet of wie dan ook? Ik verwachtte niet dat het zou gebeuren, maar dat had zij ook niet gedaan. De wereld, of dat kleine deel ervan dat ik bewoonde, dat zo stabiel, kalm en solide leek -saai zelfs -had wankeler funderingen dan de meeste mensen meestal denken.

Zodra ik de kans kreeg, ging ik reizen. Ik werd gedreven door verveling, nieuwsgierigheid, onvrede, een hang naar het exotische en naar filosofisch onderzoek. Vergelijking leek mij de enige methode om de waarde van dingen, met inbegrip van politieke ordeningen, te leren kennen. Ik kreeg veel praktijklessen in de broosheid van de menselijke orde, vooral wanneer deze wordt ondergraven uit naam van een abstracte rechtvaardigheid. Het is vaak eenvoudiger om een totale ramp te bewerkstelligen dan een bescheiden verbetering.

Veel van de landen die ik bezocht -Afghanistan, Mozambique, Iran -verzonken algauw in de meest vreselijke chaos. Hun orde had natuurlijk altijd al zwakke plekken gehad, welke heeft die niet? Ik kwam er achter dat de hartstocht om kapot te maken helemaal niet ' óók' opbouwend is, zoals de beroemde maar dwaze opmerking van de Russische anarchist Bakoenin wil, maar al snel een eigen leven gaat leiden, zonder enig ander doel dan het loutere plezier van het vernielen zelf. Ik herinner me bijvoorbeeld relschoppers in Panama die winkelruiten ingooiden, zogenaamd uit naam van vrijheid en democratie, en die lachend op zoek gingen naar nog meer glas om te veroveren. Veel relschoppers waren overduidelijk bourgeois, telgen uit bevoorrechte families, wat geldt voor veel aanvoerders van destructieve bewegingen in de moderne geschiedenis. Diezelfde avond dineerde ik in een chic restaurant en zag daar iemand eten die ik een paar uur eerder vrolijk een steen door een ruit had zien gooien. Hoeveel afbraak dacht hij dat zijn land zou kunnen verdragen, voor zijn eigen leven werd geraakt, zijn eigen bestaan aangetast?

Ik moest denken aan een voorval uit mijn jeugd. Mijn broer en ik namen een radio mee naar buiten en sloegen hem met croquethamers aan gruzelementen. Met een prettig wraakgierige razernij, alsof we een waardevolle taak volbrachten, gingen we met onze hamers elk onderdeel te lijf tot het onherkenbaar was. We voelden een onbeschrijflijke vreugde, maar waar die vandaan kwam en wat ze betekende, wisten we niet. Binnen onze kleine zielen streed beschaving met barbarij, en ik vermoed dat als we geen straf hadden gekregen, de tijdelijke overwinning van de barbarij langer had geduurd.

Ik denk dat we in opstand kwamen tegen onze eigen machteloosheid en ons gebrek aan vrijheid, die wij ervoeren als een kwetsing in vergelijking met wat wij aanzagen voor de almacht en volledige handelingsvrijheid van de volwassenen. Hoe smachtten we ernaar volwassen te worden, zodat we net als zij konden zijn, vrij om te doen wat we wilden en anderen te commanderen, zoals zij ons commandeerden. Nooit hadden we enig vermoeden dat de volwassenheid haar eigen frustraties, verantwoordelijkheden en beperkingen meebrengt. We keken uit naar de tijd dat onze wil wet zou zijn, dat we in volle vrijheid onze gang konden gaan. Tot dan was het het beste om te rebelleren tegen een symbool van onze onderwerping aan anderen. Als we niet konden zijn zoals de volwassenen, dan konden we toch op z'n minst een klein deel van hun wereld kapotmaken.

Ik zag in veel landen de opstand tegen beschaving, maar nergens grimmiger dan in Liberia in het heetst van de burgeroorlog. In Monrovia was geen electriciteit of stromend water meer, geen winkels, geen banken, geen telefoons, geen postkantoor; geen scholen, geen vervoermiddelen, geen ziekenhuizen. Bijna elk gebouw was verwoest en wat niet verwoest was, was geplunderd.

De openbare gebouwen waren verwoest met een grondigheid die niet louter was toe te schrijven aan het militaire conflict. Van de ziekenhuizen was elk onderdeel zo grondig vernietigd dat het nooit meer hersteld of gebruikt kon worden. Van elk wagentje waren alle wielen afgebroken, wat hard werken moet zijn geweest. Alsof een horde mensen met afschuwelijke ziekenhuis-ervaringen was langsgekomen om wraak te nemen.

Maar dit kon niet de verklaring zijn, omdat alle andere instellingen net zulke verwoestingen hadden ondergaan. Alle boeken in de universiteitsbibliotheek waren van de planken getrokken en op stapels gegooid, vaak met bladzijden eruit gescheurd en opzettelijk gebroken ruggen. Het was de wraak van barbaren op de beschaving, en van de machtelozen op de machtigen, of op wat zij zagen als de oorsprong van de macht. Onwetendheid kwam in opstand tegen kennis, om dezelfde redenen als die van mijn broer en mij om die radio kapot te slaan. Was er een nog duidelijker blijk mogelijk van de haat van het lagere voor het hogere?

Dat was er wel degelijk -in een gebouw dat Centennial Hall heette, waar de inauguratieplechtigheden van de presidenten van Liberia plaatsvonden. De zaal was nu leeg, afgezien van de bustes van de voormalige presidenten, sommige omgedraaid, langs de wanden -en een Steinway-vleugel, waarschijnlijk de enige in het hele land. De piano was echter niet onbeschadigd: de poten waren er afgezaagd en de romp lag op de grond, als een gestrande walvis. Eromheen lagen kleine hoopjes menselijke uitwerpselen.

Nooit had ik een aanschouwelijker afwijzing van menselijke beschaving gezien. Natuurlijk vertegenwoordigde de piano een cultuur die niet geheel bij Liberia hoorde en die zich niet iedereen in het land geheel eigen had gemaakt.

Maar dat de piano niet alleen een specifieke beschaving vertegenwoordigde, maar het idee van beschaving zelf, bleek overduidelijk uit de grofheid van dit gebaar van minachting.

Nog erger werd ik geschokt door de reactie van twee jonge Britse journalisten die ook in Monrovia waren, en aan wie ik het vertelde in de veronderstelling dat ze het zelf zouden willen zien. Maar het vernielen van de piano -uiteindelijk slechts een levenloos voorwerp -zei hen weinig in de context van een burgeroorlog waarin vele duizenden mensen gedood waren en nog veel meer verdreven van huis en haard. Zij zagen geen verband tussen de impuls om de piano te vernielen en de impuls om te doden, geen verband tussen respect voor menselijk leven en voor een verfijnd product van menselijke arbeid, geen verband tussen beschaving en het verbod op het willekeurig doden van medemensen, geen verband tussen de boekverbrandingen in nazi-Duitsland en alle daarop volgende barbaarsheden van dat regime. Ook het feit dat de Rode Gardisten tijdens de Culturele Revolutie in China duizenden piano's hadden vernield en eveneens een miljoen mensen hadden gedood, bevatte voor hen geen boodschap, maakte hen niets duidelijk.

Als ze het kapot maken van de piano in de Centennial Hall al ' begrepen', dan sympathiseerden ze er juist mee. De ' structurele oorzaak' van Liberia's burgeroorlog was, zo zeiden ze, de langdurige overheersing door een elite geweest -zoals van armoede altijd gezegd wordt dat het de ' structurele oorzaak' van misdaad is. De piano was een zowel muzikaal als politiek instrument van deze elite, en daarom was de vernietiging ervan een stap in de richting van democratie, een expressie van de wil van allen.

Deze manier van denken over beschaving -alleen mogelijk voor mensen die geloven dat hun genoeglijke leventje geen einde kent -is onder de westerse intelligentsia bijna standaard geworden. Het woord beschaving duikt nog maar zelden op in academische of journalistieke teksten zonder dat het tussen ironische aanhalingstekens staat, alsof beschaving een mythisch wezen is, zoals het monster van Loch Ness, en alsof het naïef is om erin te geloven. Mensonterende gebeurtenissen worden opgevat als bewijs dat beschaving bedrog is, dat enkel dient ter maskering van botte materiële belangen -alsof de mens door iets anders kan worden beschermd tegen zijn voortdurende neiging tot beestachtigheid dan door zijn verlangen naar beschaving. Tegelijkertijd worden bereikte successen voor vanzelfsprekend gehouden, alsof ze er altijd al geweest zijn, alsof de natuurlijke staat van de mens eerder kennis is dan onwetendheid, eerder rijkdom dan armoede, eerder vredige rust dan anarchie. Hieruit volgt dat er niets is dat het waard is of dat het nodig heeft om beschermd en behouden te worden, omdat alles wat goed is tot stand komt als een vrije gave van de natuur.

Alles wat nodig is om de barbaarsheid te laten zegevieren, is dat beschaafde mensen niets doen. Maar in feite hebben beschaafde mensen de laatste decennia iets ergers gedaan dan niets: ze zijn met de barbaren gaan heulen. Zij hebben het onderscheid tussen hoger en lager geloochend, steevast in het voordeel van het lagere. Zij hebben geloochend dat culturele topprestaties superieur zijn aan oppervlakkig en vulgair vermaak; zij hebben geloochend dat de wetenschappelijke inspanningen van geniale mensen hebben geleid tot een objectief inzicht in de natuur. En ze hebben de waarheidsvraag opgevat als een grap. Bovenal hebben zij geloochend dat het ertoe doet hoe mensen zich in hun persoonlijk leven gedragen zolang zij zelf maar instemmen met hun ontaarding. Het uiteindelijke doelwit van het deconstructivisme dat de academische wereld als een epidemie heeft geteisterd, was de beschaving zelf, omdat de narcisten aan de universiteit een theoretische rechtvaardiging probeerden te vinden voor hun eigen revolte tegen beschaafde zelfbeheersing. En de voor de hand liggende waarheid -dat het noodzakelijk is de voortdurende neiging in de menselijke natuur tot barbaarsheid te onderdrukken door wet of gewoonte -bereikt daardoor nooit de massamedia.

De afgelopen tien jaar heb ik in mijn medische praktijk gezien wat de effecten zijn van de uitholling van beschaafde gedragsnormen door intellectuelen op een grote bevolkingsgroep die daar vatbaar voor is. Als Joseph Conrad ¹ nu op zoek zou zijn naar het hart der duisternis -het kwaad dat niet wordt afgeremd door de vrees voor wettelijke sancties of gewetenswroeging -zou hij het in mijn stad kunnen vinden.

Waarom word ik zo volledig in beslag genomen door de zoektocht naar de oorsprong en de vertakkingen van het kwaad? Omdat ik dagelijks verhalen hoor als het volgende. Het betreft een jonge man van rond de twintig, die nog bij zijn moeder woonde en een zelfmoordpoging had gedaan. Niet lang daarvoor was de vriend van zijn moeder, een alcoholist die tien jaar jonger is dan zij, in een vlaag van jaloezie de moeder in het bijzijn van de jongen te lijf gegaan, had haar bij de keel gegrepen en proberen te wurgen. De jongen probeerde tussenbeide te komen, maar de oudere man was een kop groter en veel sterker. Hij sloeg de jongen neer en trapte hem verschillende malen tegen zijn hoofd. Vervolgens sleepte hij hem naar buiten en beukte zijn hoofd tegen de grond totdat hij bewusteloos was en bloedde uit een diepe wond.

In de ambulance kwam de jongen weer bij kennis, maar zijn moeder eiste dat hij niets zou zeggen tegen de politie, want dan zou haar geliefde naar de gevangenis moeten, en ze voelde er weinig voor een man op te geven die, zoals ze letterlijk zei tegen het elfjarige zusje van de jongen, ' heel wat beter neukt dan je vader'. Een klein dierlijk genot betekende voor de moeder meer dan het leven van haar zoon; en dus werd hij geconfronteerd met het vreselijke besef dat hij, in Joseph Conrads woorden, alleen was geboren, alleen leefde en alleen zou sterven.

Als je dag in dag uit, jaar na jaar, dit soort gevallen hebt moeten aanhoren, dan ga je je toch afvragen welke denkbeelden hebben geleid tot de verspreiding van een gedrag dat zo pervers is dat je bijna fysiek onpasselijk wordt als je erover nadenkt. En dan word je bijna gek als je erover gaat peinzen wie de ergste schoft is: de man die zich zo gedraagt of de vrouw die dat accepteert voor een enkel moment van genot.

Deze beestachtigheid is tegenwoordig eerder een massaverschijnsel dan een individuele psychopathologie. Onlangs ging ik voor een krant naar een voetbalwedstrijd. De fans van de twee teams moesten door honderden politieagenten uit elkaar gehouden worden. De politie loodste of dreef de bezoekende supporters naar hun eigen vak in het stadion, met meer veiligheidsvoorzorgen dan tegen de gevaarlijkste misdadiger.

In het stadion zat ik naast een man, die er volmaakt normaal en fatsoenlijk uitzag, en zijn elfjarig zoontje, dat een goedgemanierd jongetje leek. Plotseling, midden onder de wedstrijd, sprong de vader op en begon in koor met duizenden anderen te zingen: ' Who the fuck do you think you are, who the fuck do you think you are' terwijl hij, met duizenden anderen, een dreigend gebaar maakte, dat veel weg had van een fascistische groet, in de richting van de andere supporters. Was dit het voorbeeld dat hij zijn zoon voorhield? Kennelijk. De frustraties van de armoede konden zijn gedrag niet verklaren: van wat de kaartjes kostten, had een heel gezin een week lang royaal kunnen leven.

Na afloop van de wedstrijd zag ik duidelijker dan ooit hoe weinig ons van de chaos scheidt. Dat de gebeurtenis niet eindigde in vernielingen, doden en gewonden, lag alleen aan de aanwezigheid van de politie, een betrekkelijk klein aantal mensen dat bereid was zijn plicht te doen.

Hoewel het evident is dat de barbarij overal om ons heen toeneemt, staan de verraders van de beschaving nergens voor. Pas zag ik op het vliegveld een advertentie van een firma in elegante overhemden en dassen, gevestigd in de duurste wijk van Londen. Het fotomodel dat zij gekozen hadden om voor hun producten reclame te maken was een kaalgeschoren, getatoeëerd monster, met op zijn schedel de littekens van caféruzies -het soort dat vrouwen slaat, een mes bij zich heeft en tijdens voetbalwedstrijden klappen uitdeelt. De reclame is niet ironisch, zoals academische cultuurcritici ons willen doen geloven, maar een verachtelijk buigen voor en vleien van de meest extreme grofheid. De barbarij is in de mode.

Als er iets goeds voortkomt uit de verschrikkelijke gebeurtenissen in New York, laat het dan dit zijn: dat onze intellectuelen gaan beseffen dat de beschaving het verdedigen waard is. Wij hebben meer te verliezen dan zij beseffen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden