De ballon flubbert leeg

Mijn vriend is broodmager. Hij klooit tegenwoordig wat aan in een Indiaas restaurant in Tokio, nadat hij onlangs een naar “veelbelovende handel” in gouden munten misliep. De gekte van de jaren tachtig bezorgde hem een klap van vijf miljoen gulden. Die schuld kan hij nimmer aflossen. Duistere handlangers van zijn voormalige geldschieters bezoeken hem van tijd tot tijd, in de ijdele hoop dat hij een deel van zijn schuld afbetaalt. Ze mogen hem in elkaar slaan, zegt hij. Een kale kip valt niet te plukken.

Japan kermt, kreunt en steunt. Het gaat beroerd. Iedere oplettende aardbewoner weet intussen dat het slecht gaat met het wonderkind. Maar wat mankeert eraan? Waar komt deze Nipponese malaise vandaan? Hoe zit het met de crisis in het keizerrijk die de rest van de wereldeconomie dreigt te infecteren?

Na de Tweede Wereldoorlog is het Japan lang heel goed gegaan. Vanaf het begin van de jaren vijftig beleefde het land een enorme economische groei, die alleen in de West-Duitse herrijzenis zijn gelijke had. De Japanse economie was vernietigd in de oorlog. Maar de centraal geleide wederopbouw bracht voor spoed. Het was op den duur de industrie die de drijvende kracht werd achter de economische groei. Maar de overheid, dat wil zeggen de bureaucratie, hield een belangrijke rol. Zij stuurde bij en hield de groeistuipen in de hand.

De Japanners zagen hun welvaart groeien. Daarmee nam ook de koopkracht toe en de vraag naar nieuwe producten, waardoor de Japanse consument de economische groei verder aanwakkerde. De economische groei en de adembenemende industrialisering van het land kregen ook van buiten groeiende impulsen: het buitenland kocht meer en meer artikelen 'made in Japan'.

In 1964 organiseerde Tokio de zomerolympiade: de kroon op de eerste naoorlogse groeiperiode. Grote infrastructuur- projecten kwamen in die tijd gereed, zoals de shinkansen, de eerste flitstrein-trajecten ter wereld. Het ging Japan goed en dat moest de wereld weten. De slaafse volgeling van het Westen, namaker van andermans succesformules, achterhaalde de innoverende kopgroep van rijke landen.

Die opmerkelijke groei had toen al een keerzijde. Zo waren de kosten van de publieke werken dermate hoog, dat de staatsspoorwegen de investeringen in hun infrastructuur in drie eeuwen nog niet konden terugverdienen. De spoorwegen gingen er jaren later zelfs aan failliet. De Japanse spoorwegen moesten worden opgesplitst, hoegenaamd geprivatiseerd en met een pennenstreek verlost van de gigantische schuld. Die molensteen (ter grootte van tientallen triljoenen yen, enkele afschrijvingen ten spijt) bungelt echter nog om de Japanse nek, bagage voor het volgende millennium.

In de loop van de jaren zestig en zeventig veranderde de hoge groei in een wat minder hoge, maar aanhoudende groei. De oliecrises (1973-74 en 1979-80) deerden het keizerrijk nauwelijks. De veerkracht van Japan verbaasde kenners alom. De werkloosheid bleef zeer laag, ondanks stijgende loonkosten, een duurder wordende yen en prijsinflatie.

Door de stijgende yen werden Japanse producten overzee minder goedkoop, maar zij wonnen aan kwaliteit en populariteit. De exportindustrie zorgde voor een stug doorzettende groei. Japan bleef overeind dankzij de buitenlandse afnemers van Toyota en Sony.

De jaren tachtig werden de jaren van de Grote Voorspoed en de jaren der Grote Gekte. Japan vierde feest. De economie draaide als nooit tevoren. De aandelenkoersen vlogen naar nooit gedroomde hoogten, net zoals de prijzen van het onroerend goed. Japanners waren rijk; voor het eerst in hun bestaan voelden zij zich puissant rijk. Het kon niet op. Zo leek het.

Maar de voorspoed kreeg zijn schaduwzijde. De prijzen stegen. Dat maakte niemand wat uit, zolang de inkomens maar harder stegen dan de prijzen en zolang de waarde van huis en haard en van de aandelen maar omhoog bleven gaan. De harde yen berokkende Japan nog de meeste kopzorgen, halverwege de jaren tachtig. Maar de exportindustrie en de overheid weerden een dure-yencrisis af. De industrie begon zichzelf te exporteren, vooral naar Zuid-Oost Azië.

Door een deel van de Japanse productie naar het goedkope buitenland te verleggen, konden de productiekosten aanzienlijk worden verlaagd. Deze sanering van de industrie werkte. Overtollig geworden arbeidskrachten werden door de de traditioneel krappe Japanse arbeidsmarkt geabsorbeerd. En Japan kon onverminderd doorfeesten.

Inmiddels weten we wat er is gebeurd in die dagen: het oppompen van een zeepbel. Zelfs de banken verloren de werkelijkheid uit het oog. Alle Japanse banken leenden als bezetenen geld uit aan iedereen die zijn (geleende) geld in onroerend goed en aandelen wenste te steken. Natuurlijk eisten de banken onderpand tegenover leningen. Maar wat voor onderpand? Onroerend goed en aandelen! Bij het verstrekken van leningen werden huizen, grond en waardepapieren als onderpand steevast overgewaardeerd door de banken, omdat die een flinke waardestijging van het onderpand veronderstelden. Banken smeten met geld. En geen bank bleef achter.

Een vooraanstaande bankier van de Japanse Long Term Credit Bank (LTCB), een bank die dezer dagen aan de rand van het bankroet staat, vertelt dat een van zijn collega's in de jaren tachtig exact voorspelde wat er zou gebeuren: een leningspiraal gebaseerd op speculatieve waardestijging van onroerend goed en aandelenkapitaal, het knappen van de zeepbel, het vervliegen van de waarde van het onderpand, bankroet.

“Niemand luisterde naar mijn collega. Hij werd niet voor gek uitgemaakt, hoor, maar wel voor een studeerkamergeleerde. We lazen zijn rapporten altijd met een glimlach. Wat moesten we doen? We konden toch niet achterblijven? We mochten geen slagen missen! De andere banken deden toch hetzelfde! Maar helaas kreeg mijn collega gelijk”, zegt de LTCB-bankier. Het werd voor veel Japanners een persoonlijke tragedie. Zij hadden onverantwoorde hypotheken afgesloten, dikwijls extra hypotheken op hun huis, om aandelen te kopen. Ze verloren dubbel: de aandelen verloren hun waarde, maar hun huis ook. Hun schuld was zo groot dat door verkoop van het huis maar een klein deel kon worden afgelost.

De wortels van het economisch verderf dateren van een halve eeuw geleden; Japan is nog altijd de oorlogseconomie die het toen werd, zegt Yukio Noguchi, hoogleraar openbare financiën aan de universiteit van Tokio. Voor de oorlog draaiden Japanse bedrijven om de aandeelhouders. Door mobilisatie en totale oorlog werd dat dramatisch veranderd. De mobilisatiewet van 1938 beknotte de rechten van de aandeelhouders. Omdat geld voor de oorlogsvoering moeilijk bij de waardepapierbezitters kon worden gehaald, werd de taak van kapitaalverschaffer vooral aan de banken toebedeeld. De banken werden gedwongen de oorlog te helpen financieren.

Na de nederlaag verdwenen alleen de militairen. De bureaucraten bleven zitten. En hun beleid was in wezen onveranderd, zegt prof. Noguchi. Japanse aandeelhouders werden zwak gehouden in het naoorlogse bestel. De directe financiering door fondswerving op de kapitaalmarkt (door bijvoorbeeld uitgifte van aandelen), tot 1938 de belangrijkste kapitaalbron voor de industrie, bleef na de oorlog van ondergeschikt belang. De mobilisatie van kapitaal geschiedde voortaan door de banken, in nauwe samenspraak met bureaucraten en industrie.

De mirakelse groei was derhalve geen moderne, naoorlogse uitvinding, maar een voortzetting van de oorlogvoering. Door dat in de oorlog verankerde systeem leunt de kapitaal - werving van de ondernemingen zeer eenzijdig op indirecte financiering door banken. Het waren uiteindelijk ook de banken die het geld leverden voor de gekte in de zeepbel van de jaren tachtig. Toen de ellende begon kwam Japan heel langzaam tot bezinning, aanvankelijk stomweg omdat duidelijk werd dat de gekte op de aandelenmarkt eindig was. De beurskoersen donderden niet eens in elkaar, maar sleten stukje bij beetje af.

Het Japanse vermogen is een ballon de sinds tien jaar flubberend leegloopt. De Japanse aandelen verloren meer dan de helft van hun piekwaarde in 1987. De waarde van woningen en bouwgrond is terug op het niveau van begin jaren tachtig. En het zakken gaat door. De prijzen van de duurste stukjes grond te Tokio en Osaka bevinden zich inmiddels op twintig procent van de waarde die ze in 1991 hadden.

Commerciële banken kampen met welhaast onoverzienbare problemen. Hun klandizie kan de speculatieve leningen niet afbetalen en het overgewaardeerde onderpand heeft amper waarde. Een twintigtal banken heeft aan de jaren tachtig een bad debt (het bedrag van de oninbare zeepbel-leningen minus de waarde van het vrijwel waardeloze onderpand) overgehouden van officieel zo'n 25 triljoen yen (370 miljard gulden). Volgens de jongste, realistischer ogende ramingen bedragen die oninbare schulden echter 77 triljoen yen (1130 miljard gulden).

Enkele financiële instituten zijn reeds bankroet, zoals de Hokkaido Takushoku Bank en Yamaichi Securities. U herinnert zich die Yamaichi-huilebalk nog wel, die de ganse wereld met zijn leed vermaakte. Andere banken zullen volgen, zo is de verwachting.

De banken zitten zo diep in de narigheid, dat zij hun oude rol van kapitaalschieter voor de industrie dreigen te verliezen. De innoverende industrie is aangewezen op geld uit andere bronnen. Nu echter Japanse aandelen over de gehele linie laag genoteerd staan, is ook aan de beurs weinig kapitaal te halen. Gevolg is dat het investeringspeil daalt. Bedrijfsbalansen worden opgepoetst door te besparen op onderzoek en technologische ontwikkeling. Maar wie niet in zichzelf en productvernieuwing investeert, smeert de crisis uit over de komende jaren.

Is dat nu de economische crisis? De economische krimp in 1997 van 0.7 procent? De duikel-yen? De recordwerkloosheid van 4.1 procent? Het zijn maar cijfers. En cijfers zijn de sluierwolk over structurele problemen.

De Japanse consument is één van die structurele problemen. Sinds het begin van de jaren negentig staakt de Japanse consument. Na de kater van de waanzin geeft hij niet meer gedachteloos handenvol geld uit als het Pavlov-belletje van een nieuw product rinkelt. De Japanner gold altijd al als wereldkampioen sparen, maar hij gaf ook flink uit. Hij spaart nog steeds, maar geeft niet meer uit. Gemiddeld pot een Japans gezin een vijfde deel van het besteedbare inkomen op. De experts vragen zich af waarom; aan de suggestie dat de Japanse consument zich zorgen maakt over de slechte overheidsvoorzieningen voor de oude dag, hechten economen weinig waarde.

Het recente crisisdenken voedt de consumptiedrift in geen geval. En zolang de consument op zijn yens broedt, wordt de economie niet aangejaagd. Voor zijn economische groei wordt het land dan afhankelijk van de afzet in het buitenland en vooral van de consumenten in Noord-Amerika en West-Europa. De Japanse exportbedrijven draaien nog tamelijk goed; hun winstposities zijn sterk. Wee het Japanse gebeente als ook in het Westen een recessie zou toeslaan en de sterkste poot onder de Japanse economie, de export, wordt weggeslagen.

Tegenover de nog sterke export uit Japan staat een inzakkende importsector. Door de slappe yen worden de producten uit landen als Nederland voor de Japanse consument stevig duurder, wat leidt tot een dalende import, tot een schevere handelsbalans en toenemende frictie met de belangrijkste handelspartners. Die frictie kan tot protectionisme leiden over en weer leiden. En dus tot meer narigheid voor het exportgevoelige Japan.

Dat de val van de yen nog even doorgaat, staat voor velen vast. Tegenover de meeste munten verloor de duikel-yen in korte tijd al tientallen percenten terrein. Deze afkalving is een facet van de leeglopende ballon. De yen was hooglijk overgewaardeerd, zoals de Japanse economie in de jaren tachtig op veel fronten hooglijk overgewaardeerd was. Een devaluatie van de munt zou vroeg of laat noodzakelijk zijn. Het verwondert alleen dat het nog zo lang duurde eer de yen de werkelijke verhoudingen ging weerspiegelen.

Een van de belangrijkste structurele problemen is de Japanse arbeidsmarkt, die star en jichtig is. Veel ouderen en 'generalisten' (dat is een eufemisme voor mensen zonder specialisme) bevolken die arbeidsmarkt. Er dreigt een tekort aan goedopgeleide mensen. Niettemin houden de meeste bedrijven vast aan 'life-time-employment': van wieg tot graf bij hetzelfde bedrijf. Economen zijn het erover eens dat het vasthouden aan life-time-employment de arbeidsproductiviteit van Japanse ondernemingen laag zullen houden. Weliswaar compenseren werknemers een relatief lage arbeidsproductiviteit met langere werkdagen, maar in crisistijden zoals nu vermag zelfs een dubbele inzet het land niet uit de put helpen.

Het grootste structurele probleem achter de crisis is misschien wel de overheid. De regering is zwak. Zij is overgeleverd aan de bureaucratische moloch. De ambtenarij heeft zich de afgelopen jaren echter doen kennen als een vereniging incompetente 'gerontocraten' die al vergaderend hun ontreddering trachten te verhullen.

In elk ander rijk land zou de regering wegens inertie ter verantwoording worden geroepen en desnoods naar huis worden gestuurd. Maar de Japanners weten dat het in Japan zo niet werkt. Met een nieuwe regering wordt niets bereikt, eenvoudigweg omdat er geen regering aan het roer staat. Ook het vertrouwen in de bureaucratie, dat er vroeger was, is door de langdurige malaise verdwenen.

Het crisisbeeld zal voorlopig niet veranderen: deflatie (waardevermindering, kelderende prijzen) gecombineerd met recessie (verliezen, bankroeten), leidend tot een neerwaartse spiraal van nog lagere prijzen en lagere binnenlandse verkoopcijfers, dalende inkomens, ontslagen, consumenten die nog minder uitgeven, nog lagere prijzen. Het is de koude sanering van een uit de hand gelopen economie, bij ontstentenis van overheidsingrijpen. Banken bedelen om overheidshulp, die echter op zich laat wachten. Met belasting-yens zouden de bankschulden kunnen worden gedelgd of afgeschreven. Maar het inzetten van belastinggeld zou leiden tot een revolte onder belastingbetalers. Het zou politieke zelfmoord betekenen voor de regering. Dus gebeurt er vrijwel niets.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden