De bal loopt langzaam leeg

Geniet deze zomer maar van het wereldkampioenschap, want het kon wel eens voor het laatst wezen. Vader Jan en zoon Ilja Vorstenbosch – voetbalfanaten en Oranjefans – beschrijven hoe het grote geld en de globalisering de bijl aan de wortel van dit voetbaltoernooi zijn.

Wij, als voetballiefhebbers, kijken verlangend uit naar het wereldkampioenschap voetbal in Zuid-Afrika, dé krachtmeting tussen 32 voetballanden die de eindronde bereikt hebben – waaronder Oranje dat in onze harten hoge verwachtingen schept.

En toch knaagt er soms iets aan ons enthousiasme, onze bezieling voor het voetbal, de betrokkenheid bij ’onze jongens’. Op stille maandagavonden, als we uitgepraat zijn over onze eigen prestaties in het weekend, over Ajax, PSV en Feijenoord, dan drinken wij, vader en zoon, wel eens een glas wijn en voeren het gesprek verder over voetbal en de waarde ervan. De laatste tijd gaat het vaak over het aanstaande WK. Aangezien we onszelf graag tot het denkende deel der natie rekenen en het stadium van de voetbalplaatjes, de Oranjeschlagers en de wuppies te boven zijn gekomen, gaat dat nogal eens de kritische en sceptische kant op.

Niet dat vroeger alles beter was. Vader herinnert zoon eraan dat toen Argentinië in 1978 het WK organiseerde, het land zuchtte onder een zwaar fascistisch regime. Argentinië werd op naar omkoping riekende manier finalist en dankzij psychologische oorlogvoering wereldkampioen. Ten koste van Nederland met de briljante Rensenbrink en Krol, maar zonder Cruijff. Argentinië was niet het eerste thuisland dat wereldkampioen werd. Dat gebeurde Duitsland in 1974 ook, Engeland in 1966, Frankrijk in 1998, Uruguay in 1930 en Italië in 1934. Nader onderzoek leert dat van de achttien WK’s in Europa altijd een Europees land heeft gewonnen, en in Zuid-Amerika en de VS altijd een Zuid-Amerikaans land. In totaal zijn er maar zeven landen ooit winnaar geworden van het toernooi, en dat waren allemaal ’grote’ landen met minstens veertig miljoen inwoners. Interessant contrast is dat het EK, dat dertien keer werd georganiseerd, maar liefst tien verschillende winnaars heeft gekend, waaronder een aantal ’kleine’ landen als Nederland, Griekenland, Tsjechië en Denemarken.

Waarom kent het WK zo zelden een verrassende winnaar? Fifa-voorzitter Platini claimt het antwoord alvast voor het aanstaande WK. Hij denkt dat dit jaar vooral Brazilië, Engeland en Spanje in aanmerking komen voor de titel, en wel „omdat alleen zij het absolute potentieel hebben om wereldkampioen te worden”.

Dat is nog eens een argument! Wij denken aan andere factoren. Eén ervan is de inrichting van het toernooi en het aantal wedstrijden. Dat heeft niet veel met sport te maken, wel met commercie. Het WK is de belangrijkste bron van inkomsten van de Fifa, een echte melkkoe. Hoe meer het risico op vroege uitschakeling van grote landen wordt gereduceerd, bijvoorbeeld via een poulesysteem, en hoe meer de kleine selecties van kleine landen worden ’uitgeput’ door het aantal wedstrijden, hoe groter de kans dat een ’groot’ land wint. Misschien heeft de Fifa daarom nooit het veel spannender ’Wimbledon-systeem’ overwogen, met een plaatsingslijst, twee speelhelften en een beoogde finale van de nummers 1 en 2 in het achterhoofd. Dat systeem bestaat uitsluitend uit knock-outrondes en biedt daardoor veel meer kans op verrassingen.

Maar we gaan er niet over zeuren. Money makes the world go round, en er zijn veel andere zaken die ook met geld te maken hebben die op den duur veel funester zullen blijken dan een commercieel gemotiveerd toernooisysteem. De afgod Mammon zaagt op vele manieren aan de poten van de troon van Koning Voetbal.

Een van die problemen vloeit voort uit de afspraken tussen bonden en clubs over het afstaan van spelers voor nationale teams. Op 25 februari 2010 veroordeelde een Franse rechtbank de Nederlandse basketbalbond tot het betalen van 70.000 euro schadevergoeding aan de Franse club van speelster Marloes Nieuwveen. Nieuwveen was tijdens een interland geblesseerd geraakt en de kosten van het aantrekken van een vervangster door haar club bedroegen 70.000 euro. De uitspraak geldt als een belangrijk precedent. De schade voor Arsenal doordat Van Persie zich in een onbenullige oefenwedstrijd van het Nederlands Elftal tegen Italië zwaar blesseerde, is aanzienlijker hoger dan 70.000 euro. Het is de vraag hoe lang het akkoord dat de internationale bonden met de clubs hebben afgesproken, standhoudt.

Al die oefenwedstrijden zijn een last voor spelers en van weinig waarde door het aantal afzeggingen. De vergelijking tussen interland- en clubvoetbal – zou Barcelona niet acht van de tien keer van de nationale elf van Brazilië winnen? – is een discussie waard, maar zinloos omdat het interlandvoetbal om andere waarden draait dan pure teamkwaliteit. Feit is dat de aanloop naar een WK en de selecties die daar verschijnen, mettertijd een rommeliger aanblik zijn gaan bieden, naarmate geld en nationale eer op een ondoorzichtige manier de motivatie van de sterspelers zijn gaan bepalen.

De geloofwaardigheid komt verder onder druk te staan door een andere ontwikkeling. Wat is de zin van landentoernooien in een globaliserende wereld? Bij Europese topclubs spelen van heinde en ver bij mekaar gekochte excellente spelers samen, vooral heel veel Brazilianen en Afrikanen. De Argentijn Messi speelt al sinds zijn veertiende bij Barcelona. Brazilianen spelen in Europa, Fransen in Engeland en Nederlanders in Italië. Druk, prestatiegerichtheid en resultaat wegen in het clubvoetbal zwaarder dan identiteit, authenticiteit en een eigen spelopvatting. Barcelona lijkt de uitzondering die de regel bevestigt.

Coaches kiezen voor een succesvol clubsysteem, en wie neemt hen dat kwalijk? Het resultaat is heilig. Maar hoe kun je van spelers, geschoold in een clubsysteem, in drie weken tijd een herkenbaar en vloeiend spelend nationaal elftal maken? Er is sowieso een tendens naar nivellering: de Brazilianen speelden op de afgelopen WK’s in een strakke organisatie en werden bekritiseerd om hun saaie spel. Zelfs de Goddelijke Kanaries lieten zich opsluiten in de gouden kooi van het WK. De ontmoeting tussen Nederland en Italië op het laatste EK (3-0 voor Nederland) gaf een counterend Nederland en een open spelend Italië te zien.

De globalisering heeft nog een ander, rampzalig effect voor een geloofwaardige interland. Landen hebben de neiging om buitenlandse voetballers op stel en sprong te naturaliseren als ze een aanwinst voor het ’nationale’ team kunnen vormen. We herinneren aan de discussie over Feijenoorder en Ivoriaan Kalou hier te lande, aan de vooravond van het WK van 2006. Italië maakt al jaren goede sier met de Argentijn Cameronesi en er loopt daar nu ook een procedure, met het oog op het komende WK, om de Braziliaanse spits Amauri tot voetbal-Italiaan te naturaliseren. Het Portugese elftal werd tijdens het laatste WK geleid door de Braziliaanse spelmaker Deco. De voormalige PSV’er en Braziliaan Gomes, inmiddels eigendom van Tottenham, liet in 2007 weten dat hij best voor Nederland wilde uitkomen.

Maar het is toch zo dat nationale elftallen worden geacht het puikje te vormen van het voetbal van een land en niet van spelers die voor veel geld toevallig in een land voetballen? Het gaat bij een WK toch om de beste spelers waarvan de wieg op de grond van de natie heeft gestaan, een selectie die niveau en cultuur van een land vertegenwoordigt? Indirect zouden dan de kwaliteiten en prestaties van zo’n elftal ook een beetje afstralen op ’ons’, gewone voetballers, voetbalkenners, supporters, burgers van Nederland.

De vraag dringt zich op of we op termijn niet rekening moeten houden met de teloorgang van het interlandvoetbal. Zal de afschaffing van het WK niet een historische onvermijdelijkheid zijn, nu het idee van een natiestaat en het nationalisme na twee eeuwen van groei en bloei, en vooral ook heel veel bloed op de bodem van Europa, wordt verdrongen door het idee van globalisering en wereldburgerschap?

Wat moeten wij, voetballiefhebbers van hier en nu, nu het bloed nog kruipt waar het straks niet meer zal kunnen gaan? Waar komt onze nationale trots eigenlijk vandaan? Wie of wat zijn wij, Oranjefans? Wij houden altijd even de adem in als we de regel ’Ben ik van Duitsen bloed’ moeten zingen in het Wilhelmus, maar als de aftrap daar is, dan halen we diep adem en gaan we toch weer op het puntje van onze oranje versierde stoel zitten.

Het nationale voetbal vormt een uitzondering op de warrige en soms ranzige politieke discussies over nationale identiteit: je kunt op goede gronden verdedigen dat het onvoorwaardelijk steunen van het nationale elftal een ’zoete’ en onschuldige illusie of fictie is, een speelse manier om je met ’de natie’ te identificeren.

Als Rita Verdonk trots is op Nederland en ons vraagt op haar te stemmen omdat wij die trots moeten delen, dan heeft dat iets potsierlijks. Maar als we straks het Nederlands Elftal gaan supporteren en hopen dat ’we’ wereldkampioen worden. Dan zullen we met z’n allen trots op Nederland zijn als ’we’ hebben laten zien dat dit kleine landje het best kan voetballen van allemaal. Nee, voetbal is geen politiek.

Een van de geldige gronden om partij te kiezen voor Oranje, is dat het zoveel leuker is om naar een wedstrijd te kijken als je partijdig bent. Het valt niet mee om als toeschouwer van een wedstrijd te genieten en mee te leven als je geen enkel belang hebt bij wat er zich afspeelt. Als Oranje niet speelt, gaat onze sympathie naar het elftal dat het meest durft aan te vallen, technisch en creatief, en zelfs als dat Duitsland is geven wij dat mokkend toe. Deze paradox vloeit voort uit het feit dat het spelletje zijn eigen wetten, normen en criteria voor excellentie heeft, en dat het daardoor mogelijk wordt om partijdigheid te overstijgen en te erkennen dat de andere partij iets moois doet, terecht heeft gewonnen of ten onrechte verloren. Dat mechanisme tilt het belang van voetbal boven het triviale uit en maakt van sport een oefenveldje voor tolerantie in de ’echte’ wereld. Dat is het grote verschil met politiek, en zeker met oorlog.

Maar er is meer, en dat zit ’m in de manier waarop die eigen voetbalwetten het mogelijk maken om iets in het voetbal tot uitdrukking te brengen dat ook onze identiteit raakt. Voetbalstijlen en -prestaties zorgen voor een vorm van herkenning en erkenning die groepen mensen verenigt en inspireert en hun levens een bijzondere soort zin en oriëntatie geeft.

Denk aan de glorieperiode van het Nederlandse voetbal in de jaren zeventig. De Kampfgeist van de Duitsers, het neurotic genius van Oranje, het swingende sambavoetbal van de Brazilianen, het systeemvoetbal van de Russen, het catenaccio van de Italianen – het is een mengsel van mythe, imago en cliché dat voor een deel op waarheid berust.

We moeten de manier waarop voetbal deze dimensie van zin raakt natuurlijk ook niet overdrijven. Het voetbal heeft een beperkte betekenis, vergeleken met de rol die taal, literatuur en publieke moraal spelen in het idee van nationale identiteit, zwelgen in successen en nostalgie is niet op zijn plaats. We kunnen er maar beter kritisch en relativerend, ook voetbaltechnisch gesproken, tegenover blijven staan.

Maar wat is die betekenis dan wel? In zijn essay ’De ontvoering van Europa’ schrijft Cees Nooteboom: „Wij zijn voor nationalisme als dat bedoeld is om iets wezenlijks te bewaren of te bevestigen, en ertegen als het tegen de anderen gericht is.” En Gerrit Krol schrijft in de beschouwing ’De harde werkelijkheid’: „Een illusie is geslaagd als men gelooft dat het ’echt’ is. Een verhaal, fictie, hoeft niet waar te zijn als het maar geloofwaardig is.”

Interlandvoetbal willen we opvatten als zo’n verhaal over voetbalnaties, en voor de geloofwaardigheid ervan gaan we te rade bij de Duitse filosoof Johann Herder. Volgens Herder vormen culturen en volkeren ieder voor zich een positieve gestalte van de menselijke mogelijkheden, een gestalte die in zichzelf de moeite waarde is. Iedere cultuur draagt het zwaartepunt van haar geluk en haar betekenis in zichzelf, zoals een bol – voor deze gelegenheid is een bal misschien toepasselijker – zijn middelpunt in zichzelf draagt.

Die bol is een mooi maar ook gewaagd beeld, omdat het suggereert dat een cultuur een naar buiten afgesloten geheel zou zijn – hetgeen in de huidige multiculturele en geglobaliseerde wereld tamelijk onhoudbaar is – en dat wellicht altijd is geweest.

Toch zouden wij, met in ons achterhoofd Nootebooms waarschuwing dat we tegen nationalisme moeten zijn ’als het tegen de anderen gericht is’, Herder willen verdedigen tegen al te gemakkelijke kritiek. Herder ontwikkelde zijn gedachten in de 18de eeuw, een tijd waarin de rigide identificatie van moderne staat met natie en cultuur zich nog niet had voltrokken. Hij liet het aanwijzen van culturen als zingehelen relatief open, en als hij concreter werd, dan volgde hij het spoor van de geschiedenis, volksculturen en taal, en niet dat van de politieke en goeddeels met geweld afgedwongen nationale identiteiten zoals die in de 19de en 20ste eeuw zouden ontstaan. Bovendien verbond hij dit pleidooi voor een erkenning van het pluralisme met een studie naar de manier waarop klimaat, erfelijkheid, sociale structuren en taal bijdragen aan de historische vorming van de herkenbare eenheden en identiteiten die we onder de noemer ’cultuur’ brengen.

Dit heeft niets te maken met het biologisch racisme, etnocentrisme en kolonialisme van na Herders tijd, en het zet zich juist af tegen het religieus elitarisme en het politiek-economisch-cultureel imperialisme van vóór zijn tijd. Bovendien erkent Herder het historische en veranderlijke karakter van deze ’identiteiten’. Zijn opvatting van cultuur is niet statisch en een identiteit is geen gegeven.

Herders idee was een poging om normatief vat te krijgen op de wisselwerking van beleving en constructie van identiteiten, niet door met alle winden mee te waaien, maar door te zoeken naar een identiteit en naar identificaties die geloofwaardig en zinvol zijn omdat ze uniek, onherhaalbaar, authentiek en ’positief’, niet negatief gedefinieerd zijn.

Zo bezien leren Cruijff, Van Basten, Rijkaard, Gullit en Emanuelson ons iets over onze voetbalidentiteit, bijvoorbeeld omdat ze allemaal op Amsterdamse pleintjes hebben gevoetbald. Tegelijk vormt het Nederlands Elftal een instituut dat naast gemeenschappelijkheden ook verschillen tot uiting kan brengen. Waar komen al die donkere jongens die zo fantastisch kunnen voetballen ook alweer vandaan? De vraag hoeft niet altijd leuk te zijn. We denken aan het beruchte ’kabel’-conflict rond Edgar Davids tijdens het EK van 1996 tussen Hiddink en de Surinaamse jongens van de selectie.

Voetbal is soms net het echte leven, en die kabel is toch ook een beetje ’onze’ kabel, een ketting waarmee we vastliggen aan de geschiedenis. Bij ons oordeel over voetballers onderschrijven we graag het belang van sommige verschillen en overbruggen we de morele onjuistheid van andere verschillen, al was het maar in het licht van ’de klus die geklaard’ moet worden op het WK. Zo schept de sport mogelijkheden om over historische en andere schaduwen heen te springen. Dat liet Mandela in 1996 zien toen de Springbokken van Zuid-Afrika wereldkampioen rugby werden, nadat ze decennialang vanwege de Apartheid waren geboycot. Gehuld in een Springbokkenshirt overhandigde Mandela persoonlijk de beker aan de blanke aanvoerder Pienaar.

Je kunt Herders pleidooi voor pluralisme achterhaald, naïef, romantisch en onrealistisch vinden, voor nu en misschien ook voor toen. Maar als je je niet tevreden wilt stellen met een al evenzeer normatief en beperkt historisch ’realisme’ of een totalitair ’universalisme’ en kosmopolitisme, als je een werkelijk alternatief wilt bieden voor Herders pleidooi voor de eigen betekenis van culturen, dan is het niet gemakkelijk om iets beters te verzinnen.

Het denken van Herder laat zich actualiseren met het oog op de huidige discussie over globalisering en universalisme, over de vraag wat we moeten behouden van een wereld van waardevolle verschillen en identiteiten die door moderne realisten, utopisten en kosmopolieten wordt afgeschreven. Het vraagt van ons Nederlanders – die geleerd hebben om naast boerenkool met worst ook spaghetti en Chinees te lusten, die de dijken en de grenzen niet willen gebruiken als bakens om ons achter terug te trekken, maar als historisch veroverde en relatief veilige bakens van waaruit we ons met open vizier aan de wereld kunnen presenteren – dat we ons bezinnen op wat we willen met onze taal, met onze gewoonten, met onze muziek, met onze literatuur, met onze geschiedenis... en met ons voetbal. We zullen ook met deze ogen naar het WK kijken, straks.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden