De badkamer van het minimalisme

Het gaat nergens meer over in de Nederlandse literatuur, meent Trouw-columnist Sylvain Ephimenco. De moderne schrijver is - archaïsch, ultratrendy of erg eenvoudig - minimalist. Arnon Grunberg is de ergste, en zo onbetekenend dat hij een tegenstander verzint om tegen te polemiseren. Wat moeten we aan met de literatuur van het te verwaarlozen detail?

Als literatuur niets anders is dan de weerspiegeling van een tijdperk, dan hoeft niemand verbaasd te zijn over de staat waarin de Nederlandse roman zich momenteel bevindt. Toch gaan met regelmaat stemmen op dat er in de Nederlandse literatuur geen enkel vorm van subversiviteit meer valt te ontwaren. De constatering dat in de huidige Nederlandse roman van maatschappelijke, sociale of politieke betrokkenheid weinig sprake meer is, is ontegenzeggelijk juist, maar niet verwonderlijk. Het tijdperk is onverbiddelijk en eist zijn tol. Het land baadt in het paarse welzijn en staat geduldig in de files of op volle perrons te vegeteren. Als prime time en reality soap maar gehaald worden. En wie zijn middenvinger nog door het portier durft te steken krijgt onmiddellijk de postbus 51-brigade op zijn autodak, geassisteerd door de eunuchen van de Sire. Niet netjes, niet doen. En terwijl de aandelenportefeuilles opzwellen, puilen de prijzenpotten van literaire fabrieken als Ako of Libris genereus uit. Tegenwoordig kun je zelfs je tonnetje per e-mail opeisen, terwijl je op je notebook met DVD-speler de met je pentiumzoveel gratis meegeleverde B-film volgt.

Om van de vergane ideologieën maar niet te spreken. Zoals bekend zijn die met de Muur in een stofwolk verdwenen. De weerslag van deze gebeurtenis in het land dat veel eerder dan zijn buren met de ontmanteling van vitale zenuwen was begonnen, kon alleen maar groter dan elders zijn. Al voor 1989 snakte Nederland naar depolarisatie en veilige vrede, en koerste af op de vorming van een bloedeloze eenpartijstaat. Ingeluid door de golven van welzijn en behagen heeft de depolarisatie niet alleen zijn weg in de samenleving gevonden, maar ook in de hoofden. En in de gedepolariseerde hoofden van een nieuwe generatie literatoren kan het vriezen of kan het dooien. Hooguit. Andersoortige tegenstellingen zijn voor het gemak als nutteloze hersenjus allang geëvacueerd.

Het laatste drama in de Nederlandse literatuur was, zoals bekend, de oorlog en die is door de vorige generatie schrijvers tot de laatste munitie uitgevochten en tot op het bot uitgekleed. En omdat de volgende opleving van het nazidom niet voor morgen staat gepland, kun je van deze dames en heren op respectabele leeftijd niet verlangen dat ze zich met andere zaken gaan bemoeien dan infantiele estafetteromans waarin veel valt te lachen en te grollen. Van betrokkenheid naar baldadigheid. Van oorlogskwetsuren naar besmeurd maandverband. Ook tot de laatste vezel versleten bleken de drukkende naoorlogse avonden met hun stoet aan afrekeningen en publiekelijke 'coming out'.

Eenmaal je seksuele geaardheid getoond en de dominee in je vader vermoord, is het een kwestie van je thema eindeloos uitbuiten tot je lezer erbij neervalt. Dura lex sed lex, en de wet van de gevulde maag is zelfs meer dan hard. Want als je je eenmaal uit je particularistische ei hebt gewrongen zal er toch gegeten moeten worden. Als het kan met behulp van een zilverbestek.

Desalniettemin is de behoefte aan subversiviteit en littérature dérangeante bij tal van lezers niet helemaal ver dwenen, getuige het succes hier van de Franse schrijver Michel Houellebecq met zijn, naar mijn smaak, nogal krakkemikkige 'Elementaire Deeltjes'. Een nationale paradox is het wel omdat deze pamfletroman vernietigend uithaalt naar een cultuur waarmee de Nederlandse intelligentsia tot voor kort rijkelijk gepronkt heeft. Met Houellebecq wordt de jaren zestig-erfenis met normen, waarden en bijbehorende toeters en bellen ferm door de plee getrokken. De langharige en rebelse '68-er en zijn politicoseksuele revolutie moet dan plaatsmaken voor een emotieloos ge kloonde luchtzak.

Het trekgebaar van Houellebecq sluit in Nederland naadloos aan bij de heersende tendens in de literatuur: het onachtzaam verwerpen van alle overtuigingen, idealen, bindingen of geloof. Wat daarvoor in de plaats is gekomen, blijft alleen onduidelijk. Er lopen dwars door de Nederlandse egoliteratuur natuurlijk talloze gesublimeerde ik-figuren die poepend in hun broek van verliefdheid de intieme zelfkant van hun onbeschaamdheid aan het publiek tentoonstellen. Het grote verband waarin die figuren moeten evolueren, kun je natuurlijk niet helemaal wegcijferen en daarom dient het hoofdzakelijk als vaag decor. Zo worden de bindingen met het maatschappelijke afgesneden zodat de auteur - die negen van de tien keer de hoofdpersoon van zijn roman blijkt te zijn - ongehinderd door de context met zijn mini-string in de spotlights kan huppelen.

In feite hebben we hier te maken met een vorm van nihilisme, maar het woord is nog te ideologisch om de holheid van de huidige stroming te kunnen dekken. Wat dan overblijft is de pretentieloosheid in geschriften van pretentieuze auteurs opgebouwd uit vooral veel vlees en veel (warm) bloed. Als er dan sprake is van nihilisme moet het in een decor van luxe banketbakkerijen teruggeplaatst worden. Daar waar het slagroomnihilisme uit de klopbeker van de roman puilt. Het wordt ons vervolgens toegediend zonder de consistentie van het gebakje zodat we kokhalzend ons genoodzaakt zien naar het Achtuurjournaal over te schakelen teneinde iets van het echte leven op te snuiven.

De roman of wat daarvoor doorgaat, is niets meer dan een schaamlapje, een alibi voor het uitstallen van je intimiteit in afzonderlijke scènes, al dan niet schandelijk. Intrige, verloop, kop en staart verzuipen in een verkruimelde omgeving, een wanordelijke puzzel waar herhalingen zich eindeloos herhalen. Van een roman is geen sprake meer. Men kan beter spreken van een marathoneske grabbelton, wat voor de haastige lezer toch een voordeel heeft: je kunt delen ervan overslaan, middenin beginnen of van de hak op de tak springen en hossen, je verliest nooit de rode draad. Die is er namelijk niet.

Het begrip 'negationisten' wordt in Frankrijk gebruikt voor de ontkenners van de holocaust. In de Nederlandse literatuur zou ik negationisten degenen willen noemen die het maatschappelijk verband loochenen. Samen vormen ze een bont gezelschap dat zich, ondanks hun onderlinge verschillen, in één stroming laat vangen. Omdat deze stroming voornamelijk oog heeft voor het onbeduidende en de hypertrofie van het detail, kunnen we rustig spreken van minimalisme. Minimalisme in de vorm, het romaneske, en in de inhoud, de maatschappelijke betrokkenheid. Van engagement wil ik overigens niet spreken want aan deze term kleven te veel politieke connotaties en partijdige dwalingen. Van negationisme naar minimalisme is heus geen grote stap.

Als ik tot nu toe geen illustratie of namen heb gegeven, is het omdat er geen beginnen aan is. De diversiteit is overvloedig en het risico reëel dat ik iemand onrecht doe door hem of haar te vergeten. Maar als ik nu toch een poging moet wagen, hoef ik maar willekeurig te vissen in de vijver waar, op dit moment, enkele auteurs met succes rondzwemmen.

Aan mijn lijn hangen dan snel de namen van J.J. Voskuil, Ronald Giphart en Arnon Grunberg. Toegegeven, de verschillen in stijl en bedreven genre lijken op het eerste gezicht onze Kleine Drie ver uit elkaar te drijven. Maar dat was ook het geval bij hun voorgangers, de Grote Drie. De stijl is bovendien vooral het voertuig die de vracht naar zijn eindbestemming moet brengen. Er is alleen bij die drietjes weinig vracht en geen bestemming. Archaïsche stijl in het geval van Voskuil, oververhit en ultratrendy bij Giphart, uiterst eenvoudig en daardoor toegankelijk bij Grunberg. Voor de rest is de gemene deler overduidelijk: het minimalisme.

Bij Voskuil gaat het zelfs zover dat hij in zijn compilatie van notulen die onder de naam 'Het Bureau' is uitgegeven, ons 5000 pagina's lang getuige wil laten worden van zijn minimale existentie: dertig jaren versleten op een kantoor waar nutteloze arbeid het motto schijnt te zijn. Nutteloos werk, nutteloos leven en dus nutteloze literatuur. De vergelijking met een big brotheriaanse soap is door anderen al gemaakt. En ik kan me erin vinden. Het minimalisme van een brok zeep past voortreffelijk in dit tijdperk en werkt even verslavend als televisiesoap. Zeker gemeten aan de hoeveelheid columns die na het verschijnen van het laatste deel van 'Het Bureau' zijn gepubliceerd. Hierin treurden de zeepjunks om het opraken van hun dope, maar waarom precies die treurnis konden ze niet duidelijk maken. Evenmin als ze hun lezers konden vertellen wat ze al die jaren precies hadden ge scoord.

Van saai vegeteren bij de koffieautomaat naar routineus zuipen en neuken met Giphart. Hier en daar een reisje naar een RTL4-vakantieoord met uitzonderlijk mooie meiden en klaar is Kees. En omdat moeder een tijdje geleden toch is bezweken, wordt door Giphart in zijn laatste boek 'Ik omhels je met duizend armen' een stukje, maar dan ook alleen maar een stukje euthanasie aan de bacchanale en libidineuze uitspattingen toegevoegd. Het minimalisme behoeft bij Giphart geen verdere illustratie. ,,Het lijkt of je bang bent een serieus boek te schrijven. Waarom gaat deze roman niet alleen over de dood van je moeder?'', vroeg Nieuwe Revu aan Giphart. Te politiek correct en te veel appellerend naar een Ako-nominatie, antwoordde Giphart.

Volgens de minimalisten is schrijven over maatschappelijke vraagstukken dus te politiek correct. Maar is er een meer politiek correct gebaar denkbaar dan vijf jaar na dato petitioneren ten faveure van een parlementair onderzoek over Srebrenica? En waarom trouwens geen boek over Srebrenica? vroeg Nieuwe Revu. ,,Mijn visie op literatuur is dat je niet moet opschrijven wat je al weet.'' Onzinde de minimalist. Dus Giph weet alles over Srebrenica en daarom vraagt hij een onderzoek, maar niets over de dood van zijn moeder en daarom schrijft hij het op. Wie het snapt, mag het zeggen.

Van Grunberg hoeft men geen ex traliterair engagement te verwachten ter compensatie van de holheid die zijn boeken doet resoneren. Geen varkens en geen moslimse Bosniërs op het menu. De boeken van Grunberg zelf zijn, zoals een minimalist betaamt, van het maatschappelijke losgekoppeld. Het zijn romans van 'aanloopjes, van doodlopende gesprekken en loze gebeurtenissen'. Zoals Thomas van den Bergh in Elsevier schrijft. Evenals bij Voskuil en Giphart, ontstijgen ze de pagina niet. Maar meer dan de twee andere Kleinen, wil Grunberg de bolsjewiek van het onbeduidende zijn. Hij leeft niet alleen in een goelag van kitsch, pulp en troep met bijbehorende limousines, dure restaurants, groene jassen van lamswol en pornosterren als kladderassistenten. Hij wil de militant zijn van het slagroomnihilisme in de literatuur, apostel van de zinloosheid, puberale goeroe van de tandeloze roman. En omdat niemand hem serieus neemt gaat hij ongehinderd zijn gang, zich vijanden inbeeldend die hij, soms zelf, in elkaar heeft geflanst.

Zo gebruikte Grunberg zijn pseudoniem Marek van der Jagt op een moment dat niemand nog de armoedige mystificatie door had, om met zichzelf gratuit te polemiseren. Op de integriteit van Grunberg valt heel wat af te dingen gezien het feit dat hij voor deze charlatanerie de serieuze opiniepagina van NRC Handelsblad misbruikte. Op 22 juli schreef Grunberg alias Van der Jagt een stuk waarin hij zichzelf aanvalt onder de kop 'Immuun voor het woord'. De roman, is de boodschap, dient gevaarlijk te zijn. De weg staat vervolgens open voor de officiële Grunberg om vijf dagen later op dezelfde plek zijn minimalistische diarree uit te persen onder de kop 'Schrijvers zijn de pauze-act'.

Dat de schrijver 'veroordeeld is tot een minimale rol aan de zijlijn' komt hem goed van pas. Want de roman is niets meer dan een verkoopbaar product, een badkamertegel: ,,Wie zit te wachten op een gevaarlijke badkamertegel? Niemand. We willen een betrouwbare veilige badkamertegel, die precies doet wat we van een badkamertegel verwachten.'' Om in de terminologie van Grunberg te spreken: ,,Het geld spreekt. Het zingt zelfs. Ook in de literatuur.'' Wat is dan volgens Grunberg de rol van de betegelaar die het geld in badkamers moet laten zingen? ,,Schrijvers zijn het pauzenummer. Natuurlijk doen we gewichtig over ons pauzenummer, sommigen althans. Zoals we ook doen alsof geld niet zingt. Maar het zingt harder en mooier dan de waarheid en de schoonheid bij elkaar.''

Grunberg is misschien een kwakzalver en een puber, maar de vette brij die hij serveert ontmoet geen weerwoord en wordt daarom door vele lezers klakkeloos voor waar aangenomen. Hiermee krijgt het minimalisme toch zijn eindbestemming - het geld - en de schrijver zijn functie: stand-up comedian in de pauze. Weg met gewichtigheid en de pretenties. De wereld kan vergaan in een zee van popcorn, de literatuur heeft haar mutatie volbracht. Ze behoort in Disneyland als curiosum te worden tentoongesteld met Arnon Grunberg bedekt met groene lamsharen in de pauze-act.

Toen de literatuur van het te verwaarlozen en onbeduidende detail alleen maar het geld en de aandelen bezong, kon men er nog mee volstaan met dichtgeknepen neus langs de douche te slenteren. Nu ze onverdraagzaam wordt en door beunhazen tot lichtend voorbeeld wordt gebombardeerd, past maar één geste: de deur van dit stinkend hol hard dichtslaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden