De Azteken zijn als een stier zonder ziel

Sla een andere kalender open en niets is zeker meer. Zelfs de geschiedenis niet. Neem de Azteekse kalender, tenslotte toch ook een tijdrekening uit het rijk waar de zon nooit onderging. Dan blijkt dat keizer Karel een volstrekt onnuttig mens was. Gedoemd om te mislukken. Als baby had hij, versierd met bloemen, geofferd kunnen worden op het altaar van de hogepriester. Want in Tenochtitlán, de toenmalige hoofdstad van het Aztekenrijk, stond op 24 februari 1500 (volgende week donderdag vijf eeuwen geleden) absoluut geen Sint Mathijs op het kalenderblaadje zoals onze Gregoriaanse tijdrekening wil.

Volgen we de versie van Diego Duran, een franciscaner monnik die in de zestiende eeuw uitvoerig onderzoek deed naar de kalenderrituelen van de Azteken, dan blijkt dat Karel werd geboren in de nemontemi, de vijf onnuttige dagen in het toenmalige rijk van koning Watermonster (Ahuitzotl). Het jaar 7-Riet (1499) ging over in het jaar 8-Vuursteenmes (1500).

Het Azteekse jaar was verdeeld over achttien maanden van elk twintig dagen. Volgens Duran was 23 februari oudejaarsdag. In de dagen daarna stond het leven stil. Het waren vijf lange dagen en nachten waarvan je nooit zeker wist of de goden gunstig genoeg waren gestemd om een nieuw jaar te laten beginnen. Het waren dagen van penitentie en vasten. Seksuele gemeenschap was uitgesloten. Wie in die vijf dagen werd geboren, zou z'n hele verdere leven ongeluk aan onnut paren. Arme Karel.

Passen we de versie toe zoals de monnik Bernardino de Sahagún die opschreef in zijn kronieken, dan werd Karel geboren in de tweede Azteekse maand die Atlacahualco (Laat het Water) werd genoemd. In deze maand werden veel baby's geofferd op de toppen van de bergen. Hun harten werden uit de borst gerukt om ze aan de regengod Tlaloc te tonen. Hoe harder de kinderen huilden, hoe meer regen er zou vallen, hoe beter de oogst zou zijn. Zo was het geloof nou eenmaal aan de andere zijde van oceaan toen Karel in het Gentse Prinsenhof zijn eerste luier vol plaste.

In Europa had men nog amper idee wat Columbus na 1492 had ontdekt. Cuba, wisten knappe bollen met zekerheid, was het mythische Cipango (het huidige Japan) uit de annalen van Marco Polo en dat lag weer voor de kust van Cathay (China). Columbus dacht dat hij de begeerde westroute naar specerijen en zijde had ontdekt. Het land van de Azteken en de Maya's was toen nog terra incognita.

Die ontdekking was weggelegd voor de Spaanse veroveraar Hernán Cortés in 1519, het jaar waarin Karel V Tirol, Karintië, Oostenrijk en Noord-Italië erfde. Kort daarvoor, in 1513, was conquistador Vasco Nuñez de Balbao de landstrook van Panama al overgestoken. Zo ontdekte hij de Stille Oceaan. Daarmee werd duidelijk dat het Nieuwe Land niets met China en India had te maken. Het was een nog onbekend continent. 'De grootste gebeurtenis sinds de schepping van de wereld, afgezien van de incarnatie en de dood van degene die haar schiep', schreef Cortés' biograaf López de Gomóra later.

Op 27 augustus 1520 (1-Huis, 2-Vuursteen volgens de Azteekse kalender), nam Karel V in zijn paleis in Brussel de eerste geschenken in ontvangst die Cortés hem had gezonden vanuit het nog niet veroverde rijk dat werd geregeerd door Boze Heer de Jongere (Motecuhzoma Xocoyotzin, bij ons beter bekend als Montezuma II). Het hof was in opperste verrukking. Onder de presentjes bevonden zich talloze sieraden met edelstenen en een gouden zon. 'Wel honderdduizend gulden waard' schreef Albrecht Dürer later in zijn dagboek over zijn reis naar de Lage Landen, eraan toevoegend: 'Ik heb in mijn leven niets gezien dat zoveel geluk heeft veroorzaakt in mijn hart. Want ik heb een wonderlijk kunstzinnig ding gezien en heb mij verbaasd over de subtiele handnijverheid van die mensen in die vreemde landen'.

Het rijk van de Maya's was toen al veranderd in een onrustig gebied met kleine koninkrijkjes in Yucatán en Guatemala. Maar het Azteekse imperium reikte van oceaan tot oceaan. De hoofdstad Tenochtitlán (Plaats van de Vijgencactus) overtrof Venetië en Sevilla in architectuur. Met ruim 200.000 inwoners was het een wereldstad. Rome kwam toen amper tot de helft, Madrid was een dorp met 3000 zielen. In een van zijn brieven aan Karel V verwoordde Cortés zijn verbazing: 'Er was in de stad zo'n schitterend paleis dat het mij haast onmogelijk is de schoonheid en grootsheid ervan te beschrijven'.

Maar ook Azteekse kant was er reden voor verbazing. 'Zij waren gekleed in ijzer en hadden ijzer op hun hoofd', noteerde De Sahagún toen hij aan de hand van gesprekken met ooggetuigen een reconstructie maakte van de eerste ontmoeting tussen bewoners van de Oude en de Nieuwe Wereld. 'Toen ze op hun herten klommen', vervolgt het relaas, 'waren ze zo hoog als het dak van een huis. Sommigen hadden zwart haar, anderen geel en de gelen hadden gele baarden. Maar ze aten geen mensenharten'.

Aten Azteken die wel? Soms. Conform het religieuze ritueel werden dagelijks tientallen, soms honderden mensen geofferd. Het bloed dat vrij kwam, werd chalchiuatl (Het Kostbare Water) genoemd. Daarmee moest de zon van de beweging gaande worden gehouden. Want de Azteken waren ervan overtuigd dat de Templo Mayor (de belangrijkste tempel in het centrum van de stad) het centrum van het universum was. Er werd vooral oorlog gevoerd om slaven te kunnen maken om de bloedhonger van de goden te kunnen stillen. Alleen zo kon nieuw leven aan de kosmos worden gegeven. De dood was het levensconcept.

In zijn brieven aan zijn 'allerhoogste, grootmachtigste, zeer katholieke vorst en onoverwinnelijke Heer en Keizer Karel de Vijfde' beschreef Cortés de offerdood als een 'afschuwwekkende gewoonte'. Opvallend is dat Cortés altijd sprak in naam van zijn Allermachtigste Heer. Als speciale afgezant was hij uit het oosten gekomen, daar waar de zon altijd opkomt en waar een bijzonder belangrijke vorst woonde. Montezuma begon zo te geloven dat Karel V zijn natuurlijke meerdere was. De Azteekse vorst had bovendien bange voorgevoelens gehad. Vallende sterren, angstige dromen, een vertoornde regengod Tlaloc, alles wees op naderend onheil.

Er was voorspeld dat Quetzalcóatl, de god van de wind, op aarde zou terugkeren op de dag 9-Wind van het jaar 1-Riet. Dat was uitgerekend op 21 april 1519, de dag dat Cortés bij Veracruz aan land was gegaan. Cortés was dus de teruggekeerde Quetzalcóatl, vermomd als Witte God. Montezuma geloofde zelfs dat Karel wellicht die Witte God was en Cortés zijn afgezant. Hoe dan ook, het hielp de Spaanse veroveraar om met amper 550 soldaten, wat kruitbussen, paarden en honden een heel rijk toe te voegen aan het imperium van Karel V.

In 1521 viel Tenochtitlán in Spaanse handen. Karel V bereidde de veldtocht in Vlaanderen voor om het Franse leger uit Doornik te kunnen verjagen. In Duitsland klopte Luther op de deur van de reformatie. In de Nieuwe Wereld leefden toen naar schatting 25 miljoen heidenen met hun eigen religieuze principes. Toen Karel V in 1558 overleed, was de oorspronkelijke bevolking als gevolg van roofmoord, genocide en uit Europa meegenomen ziektes afgenomen tot minder dan 5 miljoen zielen. Bekeerde zielen. Dat wel. Voor de Spaanse kerk was de indiaan aanvankelijk niet meer dan een object. Hij was op een lijn gezet met stieren: ook die hadden geen ziel en konden daarom geen pijn lijden.

Pas in 1537 kwam daarin verandering dankzij een bul van Paulus III waarin de indianen werden omschreven als 'ware mensen die niet alleen in staat zijn om het katholieke geloof te begrijpen maar die het ook wensen te ontvangen'. Korte tijd later bevestigde De Sahagún die versie in zijn kroniek over De Geschiedenis van de Zaken in Nieuw Spanje: 'Het is volstrekt zeker is dat deze mensen onze broeders zijn en net als wij afstammen van de kudde van Adam'.

De naam indiaan berust overigens op een misverstand. Columbus wilde via de west naar het oosten varen. Einddoel was het land van de zijde en specerijen. India dus. Daar waar de Indianen woonden. De Italiaanse humanist Pietro Martire d'Anghiera, die van 1459 tot 1526 leefde en zijn bekendheid vooral dankte aan de analyses die hij voor het Spaanse hof maakte van de ontdekkingsreizen van Columbus, kwam al in 1494 tot de conclusie dat de door Columbus meegenomen indianen in niets leken op de door Marco Polo beschreven bewoners van India. Om die reden introduceerde Martire als eerste de woorden Nieuwe Wereld, een begrip dat hij in 1511 verder uitwerkte in zijn boek Decades de Orbo Novo.

Een andere Italiaan, Amerigo Vespucci gaf zijn voornaam aan het continent dat hij als metgezel van Columbus had ontdekt. Vanaf dat moment heette het ontdekte continent America. De Spanjaarden bleven de ontdekte gebieden echter 'Las Indias' noemen. De Nieuwe Onderdanen van Karel V zouden zo voor eeuwig als indianen door het leven gaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden