De ayatollah, de diplomaat en de bodyguard

Een kleine twintig jaar geleden kreeg arabist Hans Jansen hoog bezoek. Drie heren uit Iran meldden zich in zijn werkkamer aan de Leidse universiteit. „Bent u dus bereid deel te nemen aan de strijd tegen deze Rushdie?”

Winter. Klop op de deur. Drie man. Een ayatollah, in de traditionele zwarte tabberd, met naast zich een gespierde bodyguard, en nog iemand, zonder das maar wel in een buitengewoon net pak, en anders dan zijn collega duidelijk geen krachtsporter. In slecht Engels vragen ze mij of ik ben wie ik ben, en maken aanstalten om naar binnen te komen.

Laat de lezer zich geen zorgen maken, het is allemaal goed afgelopen. Het speelde zich lang geleden af, in Leiden aan de Witte Singel, in het gebouw van de Letterenfaculteit, en niet in Teheran, Zuid-Irak of Libanon. Daar zou een normaal mens eerder aan een executieteam gedacht hebben dan aan een academisch-diplomatieke delegatie, want dat was het. Of heette het te zijn.

De wereld is in de bijna twintig jaar sindsdien veranderd. De rapper Mo$heb bedreigt tegenwoordig Geert Wilders – en een ieder die wel eens ’over de moslims praat’ – met de dood. Ik was in dienst van de universiteit, mijn dagelijkse werkzaamheden konden moeilijk anders opgevat worden dan als ’over de moslims praten’ – zij het dat het meestal wel moslims van erg lang geleden of erg ver weg betrof.

Maar in 1990 waren dreigementen als die van Mo$heb in Nederland nog nagenoeg onbekend. Bovendien had bijna niemand destijds nog van Theo van Gogh gehoord, Pim Fortuyn stond haast uitsluitend nog bekend als een linkse ruziezoeker uit Groningen, en echt helemaal niemand had het hart een ploegje stamelende vreemdelingen te wantrouwen.

Hoe het ook zij, het drietal nam in goede harmonie plaats aan mijn werktafel. Een groot portret van mijzelf, in gesprek met de Egyptische moslimpredikant Sjeik Kishk ontging de heren niet en had duidelijk een geruststellende werking. Moest ik conform de regels van de gastvrijheid in de kantine van het gebouw thee en koffie gaan halen? Het aanbod werd zoals dat hoort een aantal malen herhaald, en steeds vriendelijk afgeslagen. Met de deur in huis dan maar.

Welke taal gaan we spreken, vroeg de heer in het maatpak in het Engels. Hij gaf zijn kaartje, hij bleek secretaris te zijn bij de Iraanse ambassade in Den Haag. Een diplomaat dus. De ayatollah negeerde hem totaal en vroeg mij in het Arabisch of ik Arabisch kende. Daar durfde ik wel ja op te antwoorden, ook al omdat de boekenkasten in mijn werkkamer uitpuilden van de Arabische boeken en tijdschriften. ’Nee’ zou echt heel vreemd zijn geweest.

Nu kent het Arabisch een groot verschil tussen schrijf- en spreektaal. In een gewoon gesprek worden die twee door elkaar heen gebruikt, ongeveer zoals Surinamers in Nederland vroeger heen en weer switchten van het Sranang naar het Nederlands en terug. Er zijn nu eenmaal dingen waarvan het raar is ze in de andere taal te zeggen. De ayatollah had daar geen last van. Voor hem was er maar één Arabisch.

Voor zijn geestesoog ontvouwde zich een vel papier, of misschien zweefde er ook wel een lei. Zijn geesteshand schreef daarop in sierlijk Arabisch, uiteraard in de schrijfvorm, wat hij te zeggen had. Dat las hij vervolgens aan me voor, met de intonatie van een man die vanaf de kansel de gelovigen moet berichten over het Laatste Oordeel. Het was aan alles te horen dat het gewone dagelijkse gesproken Arabisch hem even onbekend was als het Inuktitut van de Eskimo’s.

Ik deed mee, ontvouwde een schoolbord voor mijn geestesoog, schreef daar de antwoorden op, en las die voor, met de intonatie van een leerling die ontzettend zijn best doet. Het werd geen intiem gesprek, maar we kwamen een heel eind. Een Deen en een Fin die samen Latijn spreken.

Er maakte zich van Bodyguard en Maatpak een stijgende onrust meester. Soms leek het of ze even naar adem hapten, als om iets te zeggen. Een blik van de ayatollah in hun richting maakte dat ze direct weer stilvielen, als ze inderdaad al geprobeerd hadden ongevraagd iets te zeggen. Misschien hadden ze wel alleen maar met hun voeten geschuifeld. Bodyguard en Maatpak keken verder naar Ayatollah met de angst van iemand die weet dat hij zit tegenover Hem die Beschikt Over Leven en Dood. Het werd een genoeglijk gesprek.

Ayatollah vroeg me of ik ’De duivelsverzen’ van Salman Rushdie gelezen had. „Grotendeels.” Waarom niet alles? „Vond het nogal een dik boek.” En: „Ergerde me aan fragmenten in onvertaald Urdu, of wat voor taal het ook geweest is.” Had ik het een mooi boek gevonden? „Wel de fragmenten over het hedendaagse Engeland.” Begrepen we elkaar goed, had ik het dus over het geheel genomen géén goed boek gevonden? Maatpak zweette nu als een otter, de druppels vielen op mijn tafel.

„Bent u dus bereid deel te nemen aan de strijd tegen deze Rushdie?”, vroeg Ayatollah. Maatpak zag nu plotseling ook iets voor zijn geestesoog opdoemen: hoe hij wegens opruiing en uitlokking uit Den Haag uitgewezen zou worden. Ayatollah had geen diplomatieke status, en moest dus helemaal oppassen, maar hij was naïef of dapper. Mogelijk ook wist hij toen al hoe de knieën en de ruggegraat van Hollandse gezagdragers in elkaar zitten, en uit welke materialen deze lichaamsdelen gewoonlijk gevormd zijn. Hoe het ook zij, de stemming steeg.

Ik vond het een leuke afwisseling tussen het colleges draaien, en ik keek de Ayatollah gefascineerd aan. „Maar er zijn zo veel vreselijke romans, hoogeerwaarde, heeft u wel eens van Harry Mulisch gehoord? Als we de strijd aangaan tegen iedereen die een vreselijke roman heeft geschreven, krijgen we het echt heel druk. Waarom trouwens juist deze roman?” De hoogeerwaarde probeerde de naam ’Harry Mulisch’ te herhalen, en gebood Maatpak een aantekening van die naam maken.

Een Egyptenaar zou uit mijn ontwijkende antwoord direct geconcludeerd hebben dat ik niet bereid was de kalasjnikov op te nemen tegen Rushdie of voor de islam, maar zo niet Ayatollah. Waarom juist deze roman, had ik hem gevraagd. Dat vond Ayatollah een goede vraag. Wel, opdat, zoals de Imam in zijn fatwa gezegd heeft, niemand het ooit meer in zijn hoofd zal halen de islam te beledigen.

„Maar hoogeerwaarde”, probeerde ik zo beleefd als ik maar kon, „het zijn toch maar gefingeerde romanfiguren die de islam beledigen en niet Rushdie zelf, áls er al sprake is van belediging van de islam? Kunnen figuren die niet van vlees en bloed zijn wel beledigen?”

Ayatollah keek me nu eindelijk voor het eerst aan. Hij las niet langer voor van het vel papier dat hij voor zijn geestesoog had. Ik las oprechte meewarigheid in zijn blik. Hij had het met me te doen. Het was de blik waarmee de juf naar me had gekeken wanneer ik als laatste van de klas een stukje papier vol inktvlekken had ingeleverd, in plaats van de gevraagde sommetjes. „Te strijden is u voorgeschreven”, zei hij ten slotte zacht – een citaat uit de Koran (2:216).

De lichaamstaal van het drietal deed nu vermoeden dat het gesprek afgelopen was. „Mag ik u ook nog iets over de islam vragen?”, vroeg ik dapper. Dat mocht. „Ge vraagt en de islam geeft antwoord”, sprak Ayatollah, want dat was de titel van een van de boeken uit Caïro die zichtbaar op mijn werktafel lagen.

Ik probeerde het nu volgens het boekje te doen. „Hoogeerwaarde, is God niet de Schepper van alles?” Ayatollah bevestigde dit ruimhartig. „Hoogeerwaarde, dus God heeft ook de zonden van de mens geschapen?” Dat is een klassiek dogmatisch probleem, de formules rolden dan ook soepel over de tafel: God schept de zonden, de mens maakt ze zich eigen, en wordt er voor gestraft.

„Maar God zelf heeft die zonden geschapen en hij wordt er niet voor gestraft?” Tot mijn genoegen riep Ayatollah luid, bijna lachend: „Nee, natuurlijk niet.”

Nu mocht ik scoren. „Hoogeerwaarde, een romanschrijver die, ten behoeve van zijn verhaal, uit het niets zondige creaturen schept, wordt dan toch evenmin gestraft voor hún zonden?” Ik hoop nog steeds dat ik het goed heb geformuleerd, zodat Ayatollah en Maatpak het begrepen hebben.

Bodyguard begreep dat er iets was voorgevallen, maar hij wist niet wat. Maatpak en Ayatollah namen beheerst afscheid. Verbijsterd bleef ik achter. Had ik niet de BVD moeten bellen dat er hier een dwaas, gehuld in een zwarte tabberd, aan het rekruteren was? Ik heb het nagelaten, ik heb er maar op vertrouwd dat het reisje van dit trio naar Leiden de bevoegde instanties niet was ontgaan.

Er wordt wel gedacht dat de Rushdie-affaire het eerste incident in zijn soort is geweest. Moslims, is wel betoogd, hadden zich niet eerder opgewonden over beledigingen die de islam van buitenaf werden aangedaan, door mensen over wie de regeringen van de islamitische landen geen rechtsmacht bezaten omdat ze zich tijdens het plegen van hun daad, zeg maar: buiten de territoriale wateren van de islamitische wereld bevonden. Dat is niet zo.

De Britse minister Lloyd George (later eerste minister) hield kort na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog op 19 september 1914, in The Queen’s Hall in Londen, een toespraak tot troepen die naar het front vertrokken om tegen de Duitsers te vechten. In die toespraak verwees hij naar de Duitse keizer, en diens beleid, met de woorden dat „er sinds Mohammed niets dergelijks meer geweest is. Krankzinnigheid [lunacy] is altijd verdrietig, maar soms is het gevaarlijk.” En dan in die stijl nog een tijdje voort.

Er hebben toen vanuit de islamitische wereld uitsluitend beschaafde en lichte protesten geklonken. De Agha Khan, de leider van een sjiitische sekte, heeft destijds zijn beklag over deze opmerking bij de Britse regering gedaan. Maar inderdaad heeft zich indertijd niets afgespeeld dat te vergelijken is met het wereldwijde onweer dat volgde op de fatwa van Khomeini.

In de vijfenzeventig jaar tussen Khomeini en Lloyd George is er immers veel veranderd.

Kranten, radio en tv zorgen er tegenwoordig voor dat, anders dan in 1914, in Teheran en Caïro iedereen op straat binnen een paar uur weet wat er in Gorinchem of Berlijn nu weer voor vreselijks over de stichter van de islam gezegd of gedacht is. Iedereen in de islamitische wereld is het erover eens: het Westen, daartoe door de Joden opgestookt, vreest de islam en haat Mohammed. De media in de wereld van de islam loeien dat dan ook voortdurend rond. Zelfs in de vrije wereld zijn er heel wat multiculturalisten te vinden die geloof hechten aan de dreiging en het gevaar van de zogeheten islamofobie, volgens hen een verschijnsel dat even reëel en gevaarlijk is als het antisemitisme.

Islamofobie wordt verondersteld in het Westen permanent en alomtegenwoordig te zijn. Wie aan een pleinfobie lijdt, houdt zichzelf verre van pleinen. Hij koestert geen haat jegens pleinen. Hij wil graag zo min mogelijk plein in zijn leven. Maar een islamofoob, wat wil die? Steeds maar praten over islam en moslims, en tegenover iedereen getuigen van zijn haat voor de islam en de moslims? Lijdt een islamofoob niet eerder aan een obsessie? Bestaat deze fobie echt? Hoe ziekelijk is angst voor de islam? Er valt hier nog wel wat te verhelderen.

Hoe het ook zij, gezien de veronderstelde constante alomtegenwoordigheid en de veronderstelde intensiteit van deze eigenaardige fobie lijkt het misschien een wonder dat er maar zo zelden incidenten als de Rushdie-affaire plaatsvinden. Dat heeft een goede verklaring.

Zulke incidenten vinden alleen plaats als de regering van het land waar ze plaatsvinden, ze nodig heeft, om redenen van beleid of propaganda. Dit geldt ook voor de Rushdie-affaire. Het boek van Salman Rushdie was al in 1988 gepubliceerd. In oktober werd het in India verboden omdat het negatief is over een aantal politici uit India. Het boek circuleerde toen allang in een keurige vertaling in Iran en was daar vrij neutraal besproken. Pas medio februari 1989 kwam de fatwa van Khomeini, juist op een moment waarop algemeen een toenadering tussen het Westen en Iran tegemoet werd gezien.

Een groep beleidsambtenaren in Teheran koesterde ernstige bezwaren tegen zo’n toenadering. De hele affaire komt uit hun koker. De affaire is uiteraard niet het enige dat toenadering inderdaad heeft weten te voorkomen. Maar ze is ontsproten aan de behoefte die toenadering te bemoeilijken, en dat is goed gelukt.

Vrijheid van meningsuiting is in de islamitische wereld zo goed als onbekend. De eerste roman uit het Arabisch taalgebied dateert pas uit het jaar 1913. Romans of wat daar voor moet doorgaan bestaan tegenwoordig eigenlijk wel, en worden door de geletterden uit de betere kringen ook wel gelezen, maar vrijheid van meningsuiting bestaat nog steeds nergens. Op twee zulke punten waarvan niemand op straat precies het fijne weet, is het voor een almachtig regime makkelijk de volkswoede te ontketenen. De moslimse vromen in andere landen willen daar dan vervolgens niet voor onderdoen, want ’de Profeet is beledigd’.

De Rushdie-affaire was dan ook geen spontane gebeurtenis, maar een door Iraanse beleidsambtenaren gecreëerde en gemanipuleerde vertoning. Juist dat maakte de affaire voor Salman Rushdie zo gevaarlijk, omdat een geduldig ambtenarenapparaat wel degelijk bij machte is iemand te laten vermoorden. De mededeling van datzelfde apparaat dat ze er niet meer zo achteraan zaten, heeft de dreiging grotendeels weggenomen. Toch blijft het altijd mogelijk dat er ergens een enthousiaste, door testosteron gedreven jongeman alsnog te wapen loopt.

In Nederland demonstreerden moslims op 3 en 4 maart 1989 in Den Haag en Rotterdam tegen Rushdie. De rest van Nederland stond versteld. Wat hadden wij hier in godsnaam mee te maken? Een Engelstalige, zo goed als onleesbare, veel te lange roman die in het buitenland was uitgegeven? Was dit de dank van de gastarbeiders en Surinamers die we zo welwillend hadden opgenomen? Het Nederlandse parlement vergaderde 7 maart 1989 over de kwestie. Er daalde langzaam een deken van politieke correctheid neer over het Binnenhof. Waar het de islam betrof, hield een aantal politici maar op met te zeggen wat ze dachten.

Toch meenden de heren Koningsveld en Shadid, thans beiden hoogleraar, te moeten opmerken dat nu „de multiculturele samenleving ontmaskerd was”. Zware woorden, maar voor een buitenstaander was het eigenlijk moeilijk voor te stellen wat ze nu precies betekenden. Zelfs wat de heren bedoeld hebben, is moeilijk vast te stellen, ook achteraf. In de lange jaren die er op dit Kamerdebat gevolgd zijn, is er in ieder geval van die ’ontmaskering’ verder wel héél weinig te zien geweest.

Ook verklaarden de beide geleerden dat de Nederlandse autoriteiten in deze affaire zich hadden schuldig gemaakt aan „een categorische, ongereflecteerde afwijzing van de islam”. Weer orakeltaal, en vast ook inderdaad zeer ernstig, maar wat was het alternatief? Moesten de Nederlandse autoriteiten soms ’gereflecteerd toetreden’ tot de islam?

Dit soort wetenschappelijke uitspraken ging al snel deel uit maken van de woordenstroop die zou aangroeien tot een tsunami die heel het koninkrijk der Nederlanden zou overspoelen, en die zou leiden tot de opkomst van Pim Fortuyn, en verder.

Desondanks heeft de Rushdie-affaire ook leuke dingen opgeleverd. Met innige dankbaarheid denk ik terug aan Maatpak, Bodyguard en Ayatollah.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden