De Aüron van de secularisatie-theologie

De vorige week overleden theoloog Eberhard Bethge heeft zijn na-oorlogse leven zozeer in dienst gesteld van de herinnering aan zijn vermoorde vriend en leermeester Dietrich Bonhoeffer, dat de vraag wie Bethge nu zelf was eigenlijk niet meer gesteld kon worden. ,,Ik ben gedoemd Bonhoeffer uit te leggen en te verdedigen en ga dan soms te ver,'' verzuchtte hij eens tegen de zoveelste zaal na het zoveelste gastcollege.

Bethge, student van het predikantenseminarie van de Belijdende Kerk, trof in 1935 de drie jaar oudere Bonhoeffer als zijn docent en begeleider. In het seminarie Finkenwalde groeide al snel een hechte vriendschap. Ze werden onafscheidelijk, in muziek en sport, maar ook in het radicale kerkpolitieke verzet tegen Hitler. Een wonderlijke combinatie: de elitaire, vroegrijpe en hoogbegaafde Bonhoeffer uit het academische Berlijn, die, zoals hijzelf later vanuit de gevangenis aan Bethge schreef, ,,alles aan zijn opvoeding te danken heeft'' en de ontluikende, pientere, praktisch ingestelde zoon van een dorpsdominee, ,,bij wie alles ongevormd talent'' is.

De banden worden nog hechter als Bethge Bonhoeffers nicht, Renate Schleicher, trouwt. Hij wordt opgenomen in de familiekring - in die jaren bakermat en netwerk van de samenzwering tegen Hitler, die in de mislukte aanslag van 20 juli 1944 zal resulteren. Bonhoeffer wordt in april 1943 met een aantal zwagers en broers gevangengenomen en na twee jaar cel geëxecuteerd. Ook Bethge wordt gearresteerd maar overleeft.

De reputatie van Bonhoeffer als verzetsman, theoloog en martelaar zou nooit zijn gevestigd als Bethge na de oorlog niet zijn leven radicaal in dienst van diens nagedachtenis had gesteld. In 1949 kwam Bethge met de uitgave van Bonhoeffers Ethik, diens 'levenswerk' dat hij niet af had kunnen maken. In 1951 volgden de aan hem gerichte brieven uit de gevangenis, gebundeld onder de titel Verzet en overgave, waarin Bonhoeffer zijn baanbrekende gedachten verwoordt over een mondige wereld en de mens die niet meer religieus kan zijn.

Dan volgen de Gesammelte Schriften en in 1967 de grote Bonhoeffer-biografie, een terecht bekroond meesterwerk. En ondertussen reist Bethge als zelfbenoemd ambassadeur onvermoeibaar de wereld over en houdt lezingen die maar op één thema variëren: leven en werk van Dietrich Bonhoeffer.

Bethge zorgde er zo in de jaren zestig en zeventig voor dat, ook al was Bonhoeffer zelf dood, hij nog steeds als actuele gesprekspartner naast Bultmann, Barth en Tillich de theologische agenda bepaalde. Bethge was een Aüron, die postuum het woord deed voor de Mozes die niet meer kon spreken en het beloofde land niet had mogen zien. Zonder de bemiddelende knechtsgestalte van Bethge was er wellicht geen secularisatietheologie, geen theologie van de mondige wereld geweest, geen bisschop Robinson, geen 'God is dood'- theologie en hadden Beyers Naudé, Allan Boesak en Latijns Amerikaanse bevrijdingstheologen geen radicaal verzetsmodel gehad.

Een vreemde ruil: zonder Bethge had Bonhoeffer niet overleefd; Bethge overleefde alleen door zelf al zijn ambities op te geven, zelf in zekere zin te 'sterven'. Zijn eigen carrièreverloop is dan ook weinig opzienbarend en blijft het spoor van Bonhoeffer volgen: een studentenpredikantschap aan in Berlijn, een predikantschap in Londen, tenslotte directeur van een pastorale opleiding in Rengsdorf.

Een typisch geval van survivors guilt, zal men misschien zeggen, als men terugkijkt op hoe Bethge zichzelf wegcijferde om de herinnering levend te houden. Maar wie Bethge ooit meemaakte zal eraan toevoegen: maar dan wel met een ongekend talent voor tegendraadsheid. Als 's werelds grootste Bonhoeffer-adept hield hij niet van Bonhoeffer-adepten. Bethge had een hekel aan hagiografie, en kon er niet tegen als Bonhoeffer op afstand werd gezet door hem heilig te verklaren. Hij deed er daarentegen alles aan om het beeld van Bonhoeffer als unbequemer Aussenseiter levend te houden, de radicale querulant tegen de status quo.

Bethge moest ook niets hebben van de apolitieke, gezapige Duitse volkskerk van na de oorlog, die hij als een openlijk verraad beschouwde aan Bonhoeffers 'kerk voor anderen.' Als een van de eersten reet hij in de jaren zestig de wond open van het anti-judaïsme in de Duitse kerk en hij benadrukte hoezeer ook de Belijdende Kerk de Joden aan hun lot had overgelaten. Zij had wel in zes thesen (Barmen) moedig Christus beleden, maar er miste een zevende, over de Joden. Daarin was Bethge allesbehalve een Bonhoefferkloon, maar toonde hij zich een onafhankelijke, kritische theoloog.

Bethge vertolkte Bonhoeffer, maar bewaakte hem ook. De stem van de vrome, filosofische, of conservatieve Bonhoeffer, die sommigen meenden te horen, kreeg op zijn gezag weinig kans. De 'apostolische' rol van Bethge als ooggetuige hield de band met Bonhoeffer levend, maar stond ook wel eens een vrije omgang met diens erfenis in de weg.

Van Plato is het woord dat een tekst, als hij eenmaal geschreven is en de auteur voorgoed afwezig, ,,niemand meer heeft die hem te hulp komt''. Bethge kwam Bonhoeffers tekst meer dan vijftig jaar te hulp. Daarmee heeft hij Bonhoeffer bewaard voor een nieuwe eeuw, maar onmiskenbaar ook het beeld van hem gekleurd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden