'De atleet zelf is altijd de beste trainer'

Als wetenschapper stelt Eugène Janssen vast dat het leveren van topprestaties vaker op toeval berust dan op kennis van de inspanningsfysioloog. Het toeval ontbreek momenteel in de Nederlandse atletiek, Janssen gaat als nieuwe bondscoach van de KNAU onderzoeken hoe het met de kennis staat. “Twaalf jaar geleden werd beter gepresteerd, terwijl voeding en training alleen maar beter zijn geworden.”

ROB VELTHUIS

Zelfs de atletiekunie heeft de internationaal werkende Henk Kraaijenhof als een soort extern adviseur voor de explosieve disciplines aangesteld. Diezelfde KNAU die vorige week de duursportspecialist dr. Eugène Janssen voorstelde als nieuwe bondscoach wegatletiek. Wetenschapper Janssen noemde vorig jaar in diezelfde krant het verhaal met Kraaijenhof “schitterend om te lezen, maar ik lach me kapot. Over hersenen en linkerhelften en rechterhelften en dat hij daarin wil kijken. Dat is zo'n gelul. Laat hij alsjeblieft niet denken dat hij wetenschappelijk bezig is.”

Kraaijenhof is de eerste om te erkennen dat zijn koppeling geen wetenschappelijke waarde heeft. Maar hij stelt vast dat alles zijn samenhang heeft en dat het bovendien in de praktijk werkt. Hij grijpt hoog, tracht in samenwerking met Zweden en Noren meer inzicht te krijgen in het functioneren van de sprintershersenen. Hij is ervan overtuigd dat de mens op den duur via apparatuur daadwerkelijk in iemands hoofd kan kijken en voorspellen of iemand gaat spreken of denken. Janssen kijkt niet zo ver, hij waarschuwt zelfs voor de neiging die in de sport bestaat om wetenschappers als goeroes te zien.

Maar wat pretenderen die eigenlijk, als de chemicus Janssen slechts kan vaststellen dat nog zoveel zaken onduidelijk zijn. In 1988 poneerde hij bij zijn proefschrift 'Marathon Running' de stelling “Het leveren van topprestaties berust vaker op toeval dan op kennis van de inspanningsfysioloog”. Nu zegt hij: “Wat is wijsheid? De gemiddelde Nederlander die van zijn huisarts verneemt dat zijn cholesterol-gehalte laag is, gaat met een goed gevoel naar huis. Ik merk dat veel wielrenners en atleten met een te laag cholesterolgehalte niet in staat zijn dagen achtereen goed te trainen. Want cholesterol werkt als een bouwstof in het anabool systeem. Het is een schitterende materie, maar verschrikkelijk moeilijk. Er valt nog zoveel onderzoek te doen. Bijvoorbeeld naar de vraag of teveel hardlopen bloedarmoede kan veroorzaken, of er dan niet teveel rode bloedlichaampjes kapot gaan. Door de atleet dan minder te belasten, spaar ik mogelijk die rode jongens.”

Hoe groot is vaak niet de kloof tussen de wetenschap en de praktijk van de sporter. Janssen tracht die met zijn praktijkervaring zo klein mogelijk te houden. Vaak heeft de sporter niets aan diepzinnige theorieën, ook al omdat hij zich terecht nogal eens als proefkonijn misbruikt voelt. Of omdat wetenschappelijk onderzoek te ver af staat van de dagelijkse praktische invulling van de sporter. Janssen is nog niet zo lang geleden als nieuwlichter de Nederlandse wielrennerij binnen gekomen. Argwanend wordt hij gade geslagen door bijvoorbeeld Jan Raas, voor wie hij op instigatie van het Nederlands Instituut voor Sport Geneeskunde (NISG) een dag in de week werkt. “Nederlandse Ploegleiders zijn nauwelijks voor mijn ideeën toegankelijk, ook Raas ziet het niet zo zitten, maar zegt, je gaat je gang maar. Want hij wil successen. En dan is Raas in Nederland nog de meest positieve uitzondering.”

Marionetten

Janssen verbaast zich erover hoe klein de trainingstechnische kennis is en concludeert dat wielrennen niet alleen sport is maar ook promotie en publiciteit. Wielrenners worden meer gezien als marionetten dan als sporters die op basis van hun eigen creativiteit overeind blijven. Eigenlijk begint men hier slechts doordrongen te raken van de noodzaak van structurele training door alle verhalen over Italiaanse wielrenners en de waas van geheimzinnigheid die hangt over hun trainingsmethodes.

“De Italianen zijn niets meer of minder dan de inspanningsfysiologen hier in Nederland”, concludeert Janssen als hem wordt gevraagd naar de voorsprong die de Italianen hebben genomen. “Conconi kan ook niet van een ezel een renpaard maken. Naar naar de vraag waarom Italiaanse renners beter zijn dan de Nederlandse is het gissen, niet weten. Niet alleen de wetenschap is daarop van invloed. De emotie van prestatie is zo wezenlijk. In Nederland zitten we elkaar al drie jaar lang de ellende in te praten. Neem Koss en Van Gennip, die hebben in een stuk euforie gepresteerd. De Oostduitsen die elkaar destijds in een mes aan mes-gevecht op de drie kilometer kapot reden en Van Gennip die op basis van haar eerste winst naar de volgende reed. De Nederlanders die in '94 kapot gingen op de sleutelafstand en Koss die triomfeerde.”

De tegenpool van euforie had zich vorig jaar meester gemaakt van de Nederlandse atletiekploeg tijdens de EK in Helsinki. De man die zegt met sport naar bed te gaan om er weer mee op te staan, trok zich dat aan, temeer daar zijn oorsprong in de atletiek ligt. Hij explodeerde op de sprint en liep in bovenmodale snelheid de marathon. Ook zijn wetenschappelijk onderzoek is nauw gelieerd aan de atletiek. Tijdens zijn studie klinische chemie en de biochemie promoveerde hij op het project 'Marathon Running', een onderzoek van vier jaar naar de functionele veranderingen van mannen en vrouwen in de marathontraining en tijdens wedstrijden. Een van zijn dertien stellingen was, dat een vrouw sneller herstelt van een zware duurinspanning dan een man. Inmiddels is de 46-jarige Janssen vierdejaars student medicijnen, om daarmee de “complexe materie van de mens als topsporter” nog beter te kunnen doorgronden. “Wil je het lichaam goed kunnen bestuderen, dan moet je medische handelingen kunnen uitvoeren zoals het aftappen van bloed. Nu ben ik nog afhankelijk van medici. Straks kan ik het zelf doen.”

“Ik hou van atletiek, dus ik vroeg me af waarom in Helsinki zo slecht werd gepresteerd. Ik had niet de intentie in dienst van de KNAU te komen, ik wilde vooral de discussie aanzwengelen. Wat ik zag, was geen prestatie. Valt daar iets aan te doen? Mankeert er iets aan de wijze waarop wordt gewerkt of is het talent gewoon niet voorhanden? Atletiek is keihard, prestaties laten zich in cijfers lezen. Twaalf jaar geleden waren de tijden beter, terwijl voeding en training alleen maar beter zijn geworden. Dan moet er iets fout zitten.”

Geen toeval

Janssen werd door de KNAU als opvolger van de vertrokken bondscoach wegatletiek Mattie de Vugt gevraagd. Geen toeval, daar KNAU's vakgroepcoördinator Bob Boverman (“We spreken dezelfde taal, alleen kan hij het beter verwoorden”) al bijna twee decennia geleden met Janssen nauw contact had over de marathon. In zijn nieuwe parttime functie - Janssen blijft ook de wielrenners van Raas begeleiden - wil de Limburger vooral de wetenschappelijke kant van zijn kwaliteiten aanwenden. Ofschoon Janssen de atletiek “qua trainingstechniek veruit de meest geavanceerde sport” noemt, vindt hij de kennis daarvan bij atleten tegenvallen. “Je treft bij atleten veel etikettenkennis aan. Ze hebben wel iets gelezen, maar weten niet echt wat er aan de hand is. Ik heb met een aantal atletiektrainers gepraat. Ik verbaas me er over wat ze niet weten.”

“Bij topsport gaat het om de tuning van een aantal zaken. Het vinden van de balans tussen belasting en belastbaarheid is daarbij het belangrijkste. Veel trainers vinden die net niet, waardoor de atleten misgrijpen. Ze zijn in december voor op hun schema, in maart en april liggen ze precies op schema omdat ze ziek zijn geweest en in juli, als het moet gebeuren, liggen ze achter. Ik zie mezelf als wetenschapper op de achtergrond. Ik reik iets aan en hoop dat de trainers daar open voor staan. Daarbij moeten ze niet denken dat de coach het allemaal doet. Het presteren zelf blijft toch aan de atleet. Het is niet zoals bij voetballen, waar de coach wint en het team verliest. De atleet zelf is altijd de beste trainer. Alleen moet de atleet weten wat de taal is. We zijn mensen met beperkingen. Je moet leren aanvoelen wat je wel of niet moet doen.”

“Natuurlijk heeft een atleet daarbij een trainer nodig, want de objectiviteit om zelf trainingsschema's te maken, ontbreekt. En ook altijd met dezelfde persoon trainen kent risico's, omdat die blind kan raken voor bepaalde ingeslepen dingen. Mijn doel is dingen aanreiken, zodanig dat dat resulteert in betere prestaties. Er zijn nog altijd marathonlopers die gemiddeld 200 kilometer per week lopen. Daar moeten we wat aan doen. Anabool is dat prima, maar mechanisch leidt het tot overtraining. Met 160 kilometer per week kan de top beter haalbaar zijn. De meerwaarde van die veertig kilometer weegt niet op tegen de overbelasting van pezen en banden. Het gaat om de efficiëntie van lopen zonder lui te worden. Je moet voor alternatieven zorgen, bijvoorbeeld fietsen. Als je maar niet met je poten aan de grond komt.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden