De artseneed is achterhaald

Medici verwijzen bij hun artseneed naar Hippocrates. Maar die tekst is wel een erg verre echo daarvan, stelt geneeskundehistoricus Manfred Horstmanshoff. Bovendien is het erin vervatte beroepsgeheim iets heel anders dan wat artsen er nu onder verstaan.

Het tijdschrift Medisch Contact publiceerde eind vorig jaar de resultaten van een enquête onder artsen over hun beroepsgeheim. De auteurs verwezen als vanzelfsprekend naar de Griekse Oudheid. "Hippocrates zei het al: 'Al hetgeen mij ter kennis komt in de uitoefening van mijn beroep (...) en dat niet behoort te worden rondverteld, zal ik geheim houden en niemand openbaren.' Dat aloude beroepsgeheim is nog altijd springlevend."

Inderdaad, als er één bepaling in de huidige Nederlandse artseneed is die nog overeen lijkt te komen met die van Hippocrates, dan is het wel de geheimhoudingsplicht van de arts. Maar is dit wel de oorsprong van het veelbesproken medisch beroepsgeheim?

De eed is in. De koning zweert hem, de parlementsleden ook, of juist niet. De bankiers voeren hem dit jaar in. Minister Bussemaker wil dat onderwijsbestuurders voortaan bij hun benoeming een eed afleggen waarin zij beloven zich professioneel en ethisch op te stellen. Een eed is een 'plechtige verklaring, volgens een voorgeschreven formulier en onder aanroeping van iets heiligs', aldus het grote Woordenboek der Nederlandsche Taal.

Ook wie weigert een eed af te leggen, of er de voorkeur aan geeft te verklaren 'Dat beloof ik!', erkent toch de waarde ervan, die uitstijgt boven die van een juridisch waterdicht contract. Opmerkelijk dat de eed in een maatschappij die steeds informeler wordt en steeds minder godsdienstig, toch zo in het middelpunt van de belangstelling staat.

In de artseneed komt de zin voor: 'Ik zal geheim houden wat mij is toevertrouwd.' In onze maatschappij is geheimhouding van patiëntengegevens een patiëntenrecht, gebaseerd op het beginsel dat ieder zich vrij en zonder vrees voor openbaarmaking tot een dokter moet kunnen wenden. Die geheimhouding staat onder druk. Het Vumc laat camera's ongeneerd meekijken bij de behandeling van patiënten, terwijl huisartsen de bescherming van patiëntengegevens in het Elektronisch Patiëntendossier (EPD) onvoldoende gewaarborgd achten. Er is ook kritiek op een te strikte naleving van de geheimhoudingsplicht. Fraude met persoonsgebonden budgetten wordt afgedekt door het medisch beroepsgeheim.

Geheimhouding kan zelfs gevaar opleveren: had het schietincident in Alphen aan den Rijn (2011) voorkomen kunnen worden als de behandelende psychiaters van de schutter hun gegevens eerder met politie en justitie hadden gedeeld?

De Nederlandse artseneed heet in de wandeling de hippocratische eed, maar de tekst is daarvan een wel heel verre echo.

Het document uit de Griekse Oudheid draagt de naam van Hippocrates, een Griekse arts die rond 450 voor Chr. leefde. Tijdgenoten berichten over hem dat hij tegen betaling onderwijs gaf in de geneeskunde. Nog in de Oudheid zelf verschenen in totaal zo'n zestig medische verhandelingen die aan hem werden toegeschreven, al staat van geen ervan het auteurschap vast. De kern van de hippocratische collectie is vermoedelijk in de derde eeuw voor Chr. bijeengebracht in het Egyptische Alexandrië, toen een Griekse stad. Tot in de Romeinse tijd zijn daar nog geschriften aan toegevoegd.

Hoewel de naam 'Hippocrates' erop stond (en staat), is er geen enkele reden om aan te nemen dat hij de auteur was. 'Hippocrates' is een merknaam geworden, een vlag op een lading medische traktaten uit verschillende eeuwen, van diverse anonieme auteurs en van uiteenlopende inhoud en stijl: publieksvoorlichting, gevalsbeschrijvingen, gedragsregels voor collega-artsen (hoe kom ik het beste over bij mijn patiënten?), korte spreuken en filosofische verhandelingen.

Sinds de Renaissance staat de eed vooraan in de uitgaven van hippocratische geschriften, als ware de tekst de ethische basis voor de hele antieke geneeskunde.

In moderne edities is dat zo gebleven. Toch wordt de eedtekst pas in de eerste eeuw na Chr. geciteerd. De inhoud kan op vroegere versies teruggaan, misschien tot in de vijfde eeuw voor Chr., maar een bewijs daarvoor is niet te leveren.

Hoewel de goden Apollo en Asklepios in de eed worden aangeroepen, is het geen sacrale tekst. Geneeskunde was in de Griekse wereld niet voorbehouden aan priesters. De eed is een religieus gefundeerde tekst met een ethische inhoud die een gedragslijn geeft voor seculiere artsen. Veel elementen in de eed zijn nog steeds raadselachtig en alleen in de context van de antieke maatschappij min of meer te begrijpen.

In het oude Griekenland was het beroep van arts niet beschermd. Iedereen kon zich iatros (genezer, arts) noemen. Een breed spectrum van genezers dong op de medische markt naar de gunsten van patiënten. De medische praktijk werd niet gereguleerd door competentie-eisen en was evenmin onderworpen aan ethische regels. Enkele auteurs van traktaten uit de hippocratische collectie begrepen dat een goede reputatie voordeel zou opleveren in de wedijver om de patiënten. Zij formuleerden gedragsregels voor de arts. Zwijgzaamheid was daar een van. Een veelprater wekt geen vertrouwen. Maar zwijgzaamheid is nog iets anders dan zwijgplicht.

Het staat vast dat de eed in de antieke medische praktijk niet algemeen in acht werd genomen, ook de geheimhoudingsplicht niet. In de hippocratische collectie bevinden zich meer dan 500 gevalsbeschrijvingen van individuele patiënten, genoteerd in directe observatie aan het ziekbed. Daarin worden namen genoemd. Het zijn geen fictieve personages, maar mensen die historisch verifieerbaar zijn. Waarom werden deze herkenbare persoonlijke gegevens gepubliceerd, hoewel de eed het verbiedt?

Wellicht stuiten we hier op de voorloper van het EPD. In een antiek Grieks ziekenvertrek was het een drukte van belang. Behalve de patiënt waren er familieleden en concurrerende genezers, die allemaal hun best deden om het vertrouwen van de patiënt te winnen. De beste manier was de prognose, die in een hippocratisch geschrift zo wordt omschreven: "Zeggen wat vooraf is gegaan, inzien wat zich nu voordoet en voorzeggen wat in de toekomst zal gebeuren."

Vermoedelijk waren de casusbeschrijvingen in de eerste plaats voor vakgenoten bestemd om hun een kwalitatieve voorsprong te verschaffen in de competitie met allerlei charlatans. Griekse artsen reisden vaak rond. Het was daarom handig als zij, in een bepaalde streek aangekomen, konden beschikken over de ter plekke opgedane ervaringen van hun vakbroeders. Die gaven hun een voorsprong in de concurrentieslag met andere, ongeletterde 'zorgaanbieders'. Nergens in de hippocratische collectie is de neiging te bespeuren om patiëntengegevens af te schermen.

Over oorsprong en datering van de hippocratische eed weten we niets, maar zeker is dat hij destijds niet algemeen bekend was; evenmin vertegenwoordigt hij de algemeen gedeelde waarden in de Griekse Oudheid. Het stuk ademt een religieuze sfeer. Alles wat de arts bij de behandeling van zijn patiënten ziet of hoort, zelfs buiten zijn professie om, en dat niet behoort te worden rondverteld, zal hij als 'onuitspreekbaar', als een heilig geheim, beschouwen.

Dergelijke woordgebruik wijst op een sektarische groep met een strenge gedragscode en een hiërarchische structuur, waartoe je alleen door initiatie kan behoren.

Zo'n groep was niet representatief voor de antieke Griekse artsen.

In Griekenland kun je T-shirts kopen waarop de tekst van de eed prijkt, zo populair is hij. Maar die populariteit gaat in medische kringen niet verder terug dan de zestiende eeuw. Toen werd de eed in Bazel en Wittenberg publiekelijk afgelegd door jonge artsen. Pas in de twintigste eeuw raakte de eed werkelijk wijdverbreid. Elk jaar leggen meer medische studenten dan ooit tevoren de hippocratische eed af, of een eed die daarvan is afgeleid.

De hippocratische traditie is uitgevonden. Een historicus kan proberen de mythe door de voordeur weg te jagen, door de achterdeur komt ze weer binnen. De relatie van de hedendaagse medische eed met de hippocratische wordt om onhistorische, anachronistische redenen gehandhaafd.

Zelfs Karl Brandt, lijfarts van Adolf Hitler en Reichskommissar für das Sanitäts-und Gesundheitswesen, die zich in Neurenberg voor zijn aandeel in de 'euthanasie'-moorden moest verantwoorden (1948), beriep zich op de hippocratische eed.

Wie de lange lijn van de geschiedenis van de geheimhoudingsplicht overziet, moet wel tot de conclusie komen dat de antieke woorden over geheimhouding een andere werkelijkheid representeren dan waarin we nu leven. De zwijgplicht is in de klassieke hippocratische eed nooit bedoeld geweest ter bescherming van de patiënt en in de Oudheid nooit in die zin toegepast.

Een eed is prachtig; een eed met het patina der eeuwen is, zeker voor wie daar gevoelig voor is, nog prachtiger.

Maar iedere generatie zal de waarden die aan zo'n eed ten grondslag liggen weer moeten onderzoeken en herformuleren.

Bruikbaarheid van de Eed van Hippocrates

Arts legt haar beroepseed af.

Manfred Horstmanshoff (1944) was hoogleraar geschiedenis van de antieke geneeskunde in Leiden. Hij is verbonden aan de Humboldtuniversiteit in Berlijn.

Ik zweer/beloof dat ik de geneeskunst zo goed als ik kan zal uitoefenen ten dienste van mijn medemens. Ik zal zorgen voor zieken, gezondheid bevorderen en lijden verlichten.

Ik stel het belang van de patiënt voorop en eerbiedig zijn opvattingen. Ik zal aan de patiënt geen schade doen. Ik luister en zal hem goed inlichten. Ik zal geheim houden wat mij is toevertrouwd.

Ik zal de geneeskundige kennis van mijzelf en anderen bevorderen.

Ik erken de grenzen van mijn mogelijkheden. Ik zal mij open en toetsbaar opstellen.

Ik ken mijn verantwoordelijkheid voor de samenleving en zal de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg bevorderen. Ik maak geen misbruik van mijn medische kennis, ook niet onder druk.

Ik zal zo het beroep van arts in ere houden.

Dat beloof ik.

of

Zo waarlijk helpe mij God almachtig.

De Eed van Hippocrates
Ik zweer bij Apollo de Genezer, bij Asklepios, Hygieia en Panakeia, en bij alle goden en godinnen, en ik roep hen als getuigen aan, dat ik deze eed en deze verbintenis naar beste weten en vermogen zal nakomen.

Ik zal hem die mij deze kunst heeft geleerd gelijkstellen aan mijn ouders, hem laten delen in mijn levensonderhoud en hem, als hij in behoeftige omstandigheden mocht komen te verkeren, steun verlenen. Zijn nakomelingen zal ik beschouwen als mijn broers. Ik zal hun die kunst onderwijzen, als zij die willen leren, zonder beloning en zonder schuldbewijs. Tot de voorschriften, voordrachten en heel mijn verder onderwijs zal ik toelaten mijn zonen en die van mijn leermeester, en de leerlingen die zich bij mij hebben ingeschreven en zich onder ede verbonden hebben aan de medische code, maar niemand anders.

Ik zal dieetregels naar beste weten en vermogen aanwenden ten bate van de zieken, maar van hen weren wat kan leiden tot verderf en onrecht.

En ook niet zal ik iemand, daarom gevraagd, een dodelijk medicijn geven en ik zal ook geen advies geven van deze aard. En evenmin zal ik ook aan een vrouw een verderfelijke tampon geven.

Rein en vroom zal ik mijn leven leiden en mijn vak uitoefenen.

Ik zal niet snijden, zelfs geen steenlijders, maar ik zal dat werk overlaten aan degenen die daarin deskundig zijn.

In welk huis ik ook binnenga, ik zal er binnengaan ten bate van de zieken, mij onthoudend van elk opzettelijk onrecht en verderfelijke handeling in het algemeen, in het bijzonder van seksuele omgang met de lichamen van mannen of vrouwen, vrijen of slaven.

Wat ik ook bij de behandeling, of ook buiten de praktijk, over het leven van mensen zal zien of horen aan dingen die nooit mogen worden rondverteld, zal ik verzwijgen, ervan uitgaande dat zulke dingen geheim zijn.

Moge het mij, als ik deze eed in acht neem en niet breek, goed gaan in mijn leven en in mijn vak en moge ik altijd aanzien genieten bij alle mensen, maar als ik hem overtreed en meinedig word, moge dan het tegendeel daarvan mij overkomen.

[Vertaling Anton van Hooff en Manfred Horstmanshoff]

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden