De ARP, de zending en Indië -verslag van een bitter conflict

Gebruikte literatuur: Doeko Bosscher: Om de erfenis van Colijn - De ARP op de grens van twee werelden (1939-1952), Uitg. Sijthoff. J. de Bruin (red.): Een land nog niet in kaart gebracht - aspecten van het protestants-christelijk leven in Nederland in de jaren 1880-1940. Uitg. Passage. J. Verkuyl: Gedenken en verwachten, memoires. Uitg. Kok. L. de Jong: Het koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog, deel 11a, eerste helft, en 12, eerste helft. Uitg. SDU.

Zes weken later, op 30 oktober, bracht het blad een bericht van een totaal andere strekking: de hoofdbesturen van de samenwerkende zendingscorporaties in Oegstgeest vonden dat de belofte van koningin Wilhelmina, op 2 december 1942 vanuit Londen via de radio gedaan, dat Indonesië een gelijkwaardig en gelijkberechtigd deelgenootschap in een vrijwillig rijksverband toezegde, “royaal moest worden gehonoreerd”; de Nederlandse zendingsraad, de koepel van protestantse zendingsorganen, was het met 'Oestgeest' eens.

Beide berichten markeerden de onoverbrugbare scheidslijn die vier jaar lang zou bestaan tussen de zending aan de ene kant en de Anti-revolutionaire partij (ARP), met Trouw als belangrijke spreekbuis, aan de andere kant.

De kloof werkte ook door in de beide kerkgenootschappen waaruit de ARP haar voornaamste aanhang recruteerde: de Gereformeerde kerken in Nederland en de Nederlandse Hervormde kerk. De verdeeldheid onder gereformeerden was echter het grootst. De hervormden slaagden er tenminste nog in zich te verenigen rond twee compromis-uitspraken van hun synode, waarvan de ene (maart 1946) niet ver weg stond van de zendingsbrief, de andere (december '48) echter veel misverstand wekte omdat ze de tweede 'politionele actie' leek te veroordelen, terwijl dat niet de bedoeling bleek. De gereformeerde synode zweeg in alle talen.

Hoe kwam het dat de zending in meerderheid vooruitliep op partij en kerk? Voor het antwoord op die vraag moeten we terug naar de laatste twintig jaar voor de tweede wereldoorlog . In die periode kwam de protestantse zending via onderwijs en zielzorg in contact met het groeiende nationalisme onder de inheemse (jonge) intelligentsia. Dat bracht geleidelijk ook een verandering in de eigen visie op zending teweeg.

Om dr. Johannes Verkuyl, zelf een treffend voorbeeld van dit anti-koloniale bewustwordingsproces binnen de zending, te citeren: “Er waren zowel in de samenwerkende hervormde zendingscorporaties als in kringen van de gereformeerde zending (en ook in die van de katholieke missie) vele zendingsarbeiders en missionarissen die in de spanning tussen kolonialisme en nationale beweging profetisch-priesterlijk deze drang naar nationale zelfexpressie (van de Indonesiërs - Cr.) volgden en daarmee sympathiseerden.”

De meest markante figuur was de hervormde theoloog Hendrik Kraemer (1888-1965) die midden jaren dertig als zendeling op Java werkte. In woord en geschrift wees hij erop dat het de taak van de zending was de drang tot maatschappelijke, politieke, culturele en geestelijke zelfexpressie van het Indische volk “in kritische solidariteit” te steunen.

Kraemer was zeker niet de enige binnen zendingskringen die het Nederlandse kolonialisme afwees en vond dat de tijd was aangebroken dat Indië zijn eigen weg ging. Gereformeerden als dr. N. Adriani, Dr. F. Bakker, Dr. J. H. Bavinck, drs. A. Pos, en J. Verkuyl redeneerden langs dezelfde anti-koloniale lijnen.

Overgedragen

Het bleef niet bij praten alleen. Terwijl het gouvernement minstens tot de Japanse invasie in 1941 op het standpunt bleef staan, dat de Nederlandse leiding van Indië moest worden bestendigd, waren van de ruim 1,1 miljoen inheemse protestanten er 900 000 verenigd in zelfstandige kerken waar de zending het bestuur aan de Indiërs had overgedragen en zelf slechts fungeerde als adviseur.

Op 15 december '45 verscheen in Trouw een manifest van “een aantal arbeiders in de Gereformeerde Zending”, onder wie Bavinck. De dertien ondertekenaars hadden het over “de groote schuld, die het Nederlandsche volk - en in dat volk ook wij - draagt, doordat wij in onze betrekkingen met Indonesië, zoowel politiek en economisch, als ook in het optreden van de Nederlanders, helaas ook van belijdende christenen, ons te weinig hebben laten leiden door de eischen van rechtvaardigheid, onbaatzuchtigheid en naastenliefde, gelijk Gods woord ons die gebiedt”.

Hieruit sprak grote zorg dat christendom en zending in Indonesië onherstelbare schade zouden lijden, als gevolg van Nederlands onbegrip voor het nationalisme, dat immers sterke moslimcomponenten had.

Het was alsof Indonesische nationalisten een handgranaat hadden geworpen in de burelen van de ARP. Men vond dat de dissidenten met hun manifest aanleiding gaven tot heilloze verschillen van mening waardoor de 'heilige' eenheid in eigen kring gevaar liep en de achterban in verwarring werd gebracht. Vandaar dat een zware partijdelegatie onder leiding van fractieleider Schouten op 24 februari 1946 de groep, met Bavinck als woordvoerder, de les kwam lezen.

Men liet de zendelingen onder verwijzing naar Romeinen 13 (“wie zich dus tegen het gezag verzet, verzet zich tegen Gods verordening”) weten dat het ter discussie stellen van het koninkrijk, dat wil zeggen inclusief Indië, een doodzonde was “omdat dit ten principale beteekent dat het gezag aan onderdanen de keuze laat of het zal gelden of niet” (Schouten).

Men kwam geen stap dichter tot elkaar omdat de zendingsmensen het koloniale gezag niet als 'gewoon' gezag zagen en vonden dat Den Haag maar één ding te doen stond: Indonesië helpen om, los van Nederland, zelfstandig te worden.

Diepe kloof

Hoe diep de kloof was, blijkt uit de 'enkele opmerkingen van Zendingszijde' die later aan het verslag van de bijeenkomst werden toegevoegd. Daarin kwam de veelzeggende zin voor: “De Zending ziet het Indonesisch Nationalisme, ànders dan de A.R. Niet als een zaak van extremistische heethoofden en ontwortelden, doch als een natuurlijk en rechtmatig verzet tegen de koloniale verhouding.” Het zou nog erger worden.

Twee maanden na de besprekingen tussen ARP en dissidenten verscheen de geruchtmakende brochure Een eisch van recht. Auteur was ds. H. van den Brink; Bavinck schreef een inleiding en veertien zendingsmensen betuigden adhesie. De auteur haalde de koloniale politiek van Nederland tegenover Indonesië integraal onderuit, noemde de opvatting van de ARP dat er niet met de Republiek mocht worden onderhandeld, “kortzichtig” en wat haar gevolgen betrof “in strijd met de meest principieele beginselen van het Evangelie”.

Vernietigende recensies in Nederlandsche Gedachten (Gosker) en in Trouw (Bruins Slot) waren later in het jaar het voorspelbare gevolg.

In juni '46 kwam Verkuyl, nu algemeen vertegenwoordiger van de gereformeerde zending in Indonesië, naar Nederland. Op verzoek van Van Asbeck, adviseur van luitenant-gouverneur-generaal Van Mook, probeerde hij de ARP-top tot een minder star standpunt tegenover de Indonesië-kwestie te brengen.

Hij kreeg in een gesprek met de kamerfracties geen poot aan de grond. Het werd hem zelfs niet toegestaan zijn afwijkend standpunt - een unie tussen een onafhankelijk Indonesië en Nederland - in Trouw of een van de partijorganen te publiceren. Toen hij in arren moede uitweek naar het linkse Vrij Nederland, viel de hele ARP over hem heen.

In een uiterst gematigde brochure legde Verkuyl vervolgens uit dat de, door de ARP-leiding tegenover Indonesië tot in den treure gebezigde, stelling 'gezag is gezag en een rebel is een rebel' te simplistisch was. Gezag kan immers ook onrecht inhouden. Het kwam de zendingsman te staan op een felle aanval in Trouw door hoofdredacteur Bruins Slot (“het tafelkleed wordt doorgesneden”).

In gesprekken met kerkelijke functionarissen in gereformeerd Nederland ontdekte Verkuyl dat velen het met de opvattingen van de zending eens waren, maar vonden dat men die niet openlijk moest ventileren. Dat bracht kerkleden maar in verwarring.

In een poging de kloof tussen zending en achterban wat te verkleinen, namen Bavinck en enkele andere zendingsmensen op 6 juli 1946 in Trouw afstand van een aantal uitspraken in de brochure van Van Den Brink. Maar van een integrale capitulatie, zoals de ARP hoopte, was geen sprake. Dat bleek tijdens een principiële discussie in de Indische Commissie van de partij op 12 oktober 1946.

'Een kentering'

Hoe gebeten veel ARP'ers op de zendingsmensen waren, wordt duidelijk uit de verzoeken van de kiesverenigingen Amersfoort en Groningen, mei 1947, om strafmaatregelen tegen hen te nemen. Partijleider Schouten wees dit af door te wijzen op “een kentering” in de stellingname van de zending. De visie van het partijbestuur zou volgens hem op steeds meer begrip kunnen rekenen.

Dit was wishfull thinking. Inderdaad verliep de actie van de zendingsmensen min of meer, omdat ze steeds weer op een muur van onbegrip stuitten. Maar, zoals Doeko Bosscher in zijn studie over de ARP tussen 1939 en '52 schrijft, “van enige innerlijke overgave was geen sprake”. En: “Een aantal zendingsmensen bleef voor of achter de schermen actief om de ARP voor een compromis met de Republiek te winnen.”

Een van hen was Verkuyl. Toen Schouten en Bruins Slot in mei-juni 1947 een bezoek brachten aan Indonesië, liet hij hen weten dat de protestants-christelijke Parkindo-partij een gesprek wilde, op republikeins gebied. Een vrijgeleide lag klaar. Maar de beide ARP-voormannen weigerden. Met rebellen sprak men niet.

Toen kort daarop de eerste 'politionele actie' plaatsvond, kwam een deel van de Nederlandse zending, gereformeerd en hervormd, in verzet. In een te Batavia uitgegeven verklaring werd het geweld veroordeeld en begrip gevraagd voor het afwijzen door de Republiek van het Nederlandse ultimatum. Trouw reageerde door de vaderlandse kerken aan te sporen hun ambtsdragers tot de orde te roepen.

De tweede 'politionele actie' (december 1948) werd gevolgd door nieuwe ruzies tussen zending en ARP, waarbij Trouw het Zendingscentrum van de Gereformeerde kerken van onjuiste berichtgeving betichtte. De bom barstte opnieuw toen de ARP'er S. U. Zuidema in Trouw de kritische zendingsmensen ervan beschuldigde dat zij het communisme in Indonesië in de kaart speelden (mei '49). Hij vroeg zich af of zij nog wel met geld vanuit het vaderland gesteund moesten worden.

Scherp protest

Zuidema's aanvallen lokten een scherp protest uit van het moderamen van de Nederlandse Zendingsraad. Ook in gereformeerde kring vonden sommigen dat Zuidema te ver ging en de zending in gevaar bracht. Na polemieken over en weer stelde men een gezamenlijk stuk op, dat als basis kon dienen voor samenwerking in zendingszaken tussen de verschillende stromingen binnen de gereformeerde kerken.

Bosscher: “Men zat naar de letter weer op één lijn.”

ARP en zending zouden echter blijven botsen tot de Nederlandse regering in 1962 het laatste stuk van het voormalige Nederlands-Indië had afgestaan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden