DE APOLOGIE VAN SINTERKLAAS

Het is 587 voor Christus. Jeruzalem is gevallen. De stad is vernietigd. Honger teistert de over-levenden. Als een onteerde weduwe ondergaat zij haar straf en gaat ze gebukt onder het juk van vreemde mogendheden. “Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.” Toneelgroep Amsterdam speelt de Klaagliederen van 'Jeremia'. door Joachim Duyndam Joachim Duyndam is als universitair docent filosofie verbonden aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht.

Een dergelijke aanklacht komt ons bekend voor. De oude Griekse filosoof Socrates werd in het jaar 399 voor Christus tot de gifbeker veroordeeld, onder meer wegens het bederven van de jeugd. Via Plato, zijn beroemdste leerling, is ons de verdedigingsrede overgeleverd, de apologie, die Socrates bij zijn veroordeling heeft uitgesproken.

De legende over Sinterklaas laat ons een vergelijkbare geschiedenis zien, met net zo'n aanklacht en een veroordeling door een volksrechtbank. En ook een verdedigingsrede: de apologie die Sinterklaas heeft gehouden en die hieronder wordt weergegeven. Het zal blijken hoezeer het beeld van Sinterklaas, zoals wij dat vandaag de dag kennen, verklaarbaar is uit het verloop en de uitslag van het proces tegen hem. Dit vormt een extra argument voor de authenticiteit van de legende.

“Welke indruk U hebt gekregen, mijne heren rechters, bij het horen van de aanklacht tegen mij, weet ik niet. Maar zelf zou ik haast vergeten wie ik ben. Zo overtuigend klonk het, en tegelijk was er geen woord van waar. Maar voordat ik op de aanklacht in ga, moet mij nog van het hart dat ik mij nogal ongemakkelijk voel in deze omgeving. Het is de eerste keer in mijn lange leven dat ik voor een rechtbank verschijn, waarvan de hoogdravende taal en de formele plichtplegingen mij vreemd zijn. Ik kan mij er dan ook niet aan conformeren. En wilt U alstublieft geen lawaai maken en protesteren als ik gewoon vrijuit spreek, zoals dat een eenvoudig man van mijn leeftijd betaamt. Ik vraag U om alleen op de inhoud van mijn woorden te letten, en deze op hun waarheid te beoordelen.

Laat mij nu op de aanklacht zelf in gaan, geachte rechters. U beweert dus dat ik de jeugd bederf. Volgens de aanklacht zou ik kinderen schade berokkenen door hun van alles te geven, snoepgoed, cadeautjes, verrassingen, en dat allemaal om niet. Zomaar. Zonder dat daar iets tegenover staat. Heel vreemd inderdaad. Want de meeste opvoeders in onze maatschappij, dat zult U met mij eens zijn, denken volgens het nutsprincipe: voor wat hoort wat. Je krijgt in dit leven nu eenmaal niets voor niets. Van hen mag je als kind best iets krijgen, maar dan alleen als beloning voor een geleverde prestatie of wegens goed gedrag. Je moet het eerst verdienen, zeggen ze. Schiet je, omgekeerd, tekort dan moet je betalen of krijg je straf. Zij en U noemen dit rechtvaardigheid en eigenlijk zijn al onze wetten en regels op dit principe gebaseerd. En wat is nu het vreselijke bederf dat ik aanricht? Dat ik deze orde van zogenaamde rechtvaardigheid doorbreek, precies door mijn vrijgevigheid. Ik geef weg, zonder iets terug te vragen of te verwachten, zonder voorwaarden te stellen. Daardoor zou ik de kinderen het verkeerde voorbeeld geven; ik zou hen afbrengen van het rechte pad van deugden als verstandigheid, zuinigheid, spaarzaamheid, de-kost-gaat-voor-de-baat-uit, voor-wat-hoort-wat en meer van dergelijke idealen. De beoefening van deze deugden vormt voor U de eredienst van de maatschappij en het is precies deze, in mijn ogen, afgodendienst waarvoor ik de kinderen wil behoeden. Dit bedoelt U toch, mijn beste rechters, als U zegt dat ik de jeugd bederf?''

“Welnu, mijn handelwijze is misschien wel onmaatschappelijk, maar zij bederft niet de jeugd. Laat mij in enkele woorden proberen Uw idee van wat een samenleving is te schetsen, en zegt U mij vervolgens of het een goede tekening geworden is, of ze een duidelijk beeld geeft en met het juiste perspectief. In Uw samenleving is iedere burger zichzelf het naast. De mens is in Uw visie een wezen dat in de eerste plaats op zijn eigenbelang gericht is. Dat is immers in de natuur met de planten en de dieren ook zo? En het mooie van de natuur is, dat het eigenbelang van alle planten en dieren bij elkaar leidt tot een natuurlijk evenwicht. Verspilling bestaat niet, in de natuur. En zoals het in de natuur is, zo is het volgens U ook in de mensenmaatschappij: alle op hun eigenbelang gerichte individuen streven, zonder dat zij dat direct beogen, als het ware geleid door een onzichtbare hand, het algemeen belang na. Alleen zo kan het algemeen belang gediend zijn en niet door mijn naieve praktijk van zomaar en onvoorwaardelijk geven. Daarmee wordt de natuur zelf doorkruist, het eigenbelang geschaad en dus ook het algemeen belang. Iemand die zoiets doet moet wel bijzonder asociaal en onmaatschappelijk zijn, en bovendien onrealistisch, is het niet?

Ik geloof echter niet dat dit de ware gemeenschap kan zijn. Uw rechtvaardigheid is een rechtvaardigheid van de schaarste, een soort pessimistisch realisme dat altijd gelijk krijgt; een denken in termen van te weinig, van tekortschieten, van onder de maat blijven. En zo denkt U blijkbaar ook over de mens: als een al te beperkt en tekortschietend wezen. Is het daarom dat U de mensen opsluit in de cirkel van hun eigenbelang? Ik ben ervan overtuigd dat dit niet de ware bestemming van de mens is en de hele kwestie is dat ik liever mijn geweten volg dan dat ik U gehoorzaam - ook al krijgt U altijd gelijk. Want ik weet wel dat wat ik verdedig eigenlijk niet te verdedigen is; ik kan het alleen maar tonen.

Heel mijn levenshouding en heel mijn handelwijze komen neer op het verwerpen van de schaarste. Ik vind het beschamend, dat U de schaarste tot uitgangspunt van de inrichting van de samenleving maakt. Uw hele economie is er op gebaseerd. U maakt de kwaliteit van het leven ondergeschikt aan Uw wetten van vraag en aanbod, Uw koppeling van investering en profijt, Uw moraal van lasten en lusten. Zelfs over wezenlijke zaken als vrijheid en zorg voor elkaar denkt U in termen van gebrek en U organiseert ze in functie van de schaarste. In wat U 'beleid' noemt, kwantificeert U de kwaliteit. Zo wordt alles wat kwaliteit en waarde heeft inwisselbaar en hebben de rekenaars het voor het zeggen. Daartegenover pleit ik voor een denken in termen van overvloed. Maakt U alstublieft geen lawaai, ik weet wat U wil zeggen.''

“Edelachtbaren, overvloed is niet hetzelfde als rijkdom. Integendeel. Kijkt U maar eens naar de rijken onder ons. Dan ziet U dat rijke mensen vaak alleen maar bezig zijn met het vergaren van nog meer rijkdom. Blijkbaar leven ze, ondanks hun rijkdom, vanuit de gedachte dat er niet genoeg is. Hun leven staat in het teken van de schaarste en is beslist geen demonstratie van overvloed. Angstvallig waken ze over hun bezit en liefst verbergen ze het - bang dat iemand het hen zal afnemen, zoals zij het misschien wel van anderen hebben afgenomen.

Maar wat is overvloed dan wel, als het geen rijkdom is, zult U vragen. Laat mij eerst iets aan ë vragen, geachte burgers, hoe staat het met Uw vrienden? Nee, ik bedoel niet collega's, zakelijke partners of buren, ik bedoel vrienden. Trouwens, wie zijn voor U belangrijker, Uw vrienden of Uw buren? Ik hoor U al zeggen: beter een goede buur dan een verre vriend. Buren zijn handig en het is niet zo moeilijk om voor ze klaar te staan. U wilt ze altijd graag wat suiker lenen.

Wat is het verschil, geachte burgers? Het verschil zit 'm precies in zulke gevaarlijke en verspillende zaken als overvloed en vrijgevigheid. Een vriend is iemand aan wie je zomaar iets kunt geven, zonder dat je er iets voor terugverwacht. Een vriend is ook iemand van wie je zomaar iets krijgt, zonder dat je er iets voor hebt hoeven doen. Iets geven, niet om te krijgen, en iets krijgen, zonder iets te moeten teruggeven - ziedaar in één zin het overvloedsdenken. Overvloed betekent dat er genoeg is, al is er nog zo weinig.

Vanuit de schaarste gedacht kan geven alleen ruilen zijn. Uw economie is dan ook vooral een ruilhandel. Maar in zo'n systeem worden ook menselijke relaties gereduceerd tot ruilverhoudingen, op contractbasis, en als zo'n systeem overheerst, is echte vriendschap niet mogelijk, m'n beste rechters. Dan houd je een samenleving van calculerende burgers over. En die is onmenselijk, omdat typisch menselijke waarden als vriendschap en solidariteit er afwezig zijn. Vriendschap en solidariteit veronderstellen vrijgevigheid of, met een plechtig woord, generositeit, en zij kunnen nooit uitsluitend een zaak van wederzijds eigenbelang zijn. Dat geldt ook voor de maatschappelijke solidariteit van belastingen en verzekeringen: als die alleen op het welbegrepen eigenbelang van individuele burgers gebaseerd is, dan is ze snel verdampt wanneer er door bepaalde omstandigheden als oorlog of hongersnood een sterk beroep op wordt gedaan. U bent het dus, m'n beste burgers, die de jeugd bederft door de vrijgevigheid uit te bannen - en niet ik. Door mijn optreden kan het bederf misschien nog worden gekeerd.''

“Tja, en nu gaat U mij veroordelen. Laat ik U dan dit zeggen, voor het geval U mij ter dood zou willen brengen. Namelijk dat ik in het geheel niet bang ben voor de dood. U zit er helemaal naast als U meent dat iemand, als hij ook maar iets te betekenen heeft, rekening houdt met het risico zijn leven te verliezen. Niemand van ons kent de dood, maar we weten allemaal zeker dat die eens komt. Het enige dat je uit dit leven meeneemt is wat je hebt weggegeven. Daarom: het enige waar je volgens mij op moet letten, is of wat je doet goed of slecht is; of het de daden van een goed of slecht mens zijn. Het enige wat er toe doet is de kwaliteit van het leven. Stelt U zich eens voor dat Socrates, bedreigd met ter dood veroordeling, gestopt zou zijn met zijn gesprekken, zijn lessen en adviezen, en dat hij uit angst voor de dood als een brave burger zijn levenstijd had volgemaakt! Een belachelijke gedachte, over een situatie die bovendien rampzalig zou zijn geweest voor de filosofie. Ook voor Socrates gold dat zijn eer belangrijker was dan zijn dood. Bent U dan zo naief om te menen dat iemand het eeuwige leven kan verwerven door de doodstraf te ontlopen?

Vervolgens moet ik U waarschuwen dat ik geen voorwaardelijke straf zal accepteren. Mocht U tegen mij zeggen: Sinterklaas, deze keer laten wij U gaan, maar betrappen wij U nog een keer op gulheid en weggeverij, dan zult U sterven - dan zal ik U zeggen: burgers, ik dank U hartelijk en ik ben U zeer erkentelijk, maar ik gehoorzaam liever mijn geweten dan U. Zolang ik ademhaal en er de kracht toe heb, zal ik doorgaan met wat ik werkelijk denk dat het beste is: geven. Spreek me vrij of niet, maar wees er zeker van dat ik nooit anders zal handelen, al moest ik er telkens weer voor sterven.''

Helaas is van het slotwoord van Sinterklaas, na zijn veroordeling, de letterlijke tekst verloren gegaan. Daarom hier een weergave van wat er daarna is gebeurd.

Sinterklaas werd veroordeeld tot verbanning, niet naar zijn land van herkomst (Myra in Klein-Azië) maar naar Spanje, wat toen een ver en boos land was en waarmee ons land lange tijd in oorlog was geweest. Misschien hebben zijn rechters het vanwege zijn populariteit onder de jeugd niet aangedurfd hem ter dood te veroordelen, maar waarschijnlijker is, dat ook zij wel wisten dat de gifbeker iemand pas echt onsterfelijk maakt.

Maar na de verbanning van Sinterklaas waren de problemen voor de burgers nog niet voorbij. Zij zaten immers met de traditie die wilde dat het hoogtepunt van Sinterklaasviering rond diens verjaardag lag, wanneer alle kinderen door hem verwend werden. Hem periodiek dispensatie verlenen, zodat hij jaarlijks in december voor een paar weken kon terugkeren, was onmogelijk. Sinterklaas had immers in zijn apologie iedere vorm van voorwaardelijke straf afgewezen. En dat aan een periodieke terugkeer voorwaarden gesteld zouden worden, is wel zeker.

Want zie de huichelachtige en zelfingenomen oplossing die de burgers voor de Sinterklaaskwestie hebben gevonden. Zij creëren zelf een sinterklaas, naar hun eigen beeld en gelijkenis. Een nep-sinterklaas, in feite een verklede burger, die zij elk jaar zogenaamd met een boot uit Spanje laten komen. Natuurlijk, om zijn verjaardag te vieren - verjaardagen zijn immers heilig in Nederland. En inderdaad, ook deze sinterklaas deelt snoepgoed en cadeautjes uit. Zo viert Sinterklaas nu eenmaal zijn verjaardag: niet met het krijgen van cadeaus, maar door deze juist op overvloedige wijze te geven.

Maar pas op. Deze schijnheilige lijkt geenszins op zijn ware evenbeeld. Hij behoort integendeel zelf tot de veroordelaars van Sinterklaas. Hij komt als rechter, gesteund door een politie-legertje van zwarte pieten, om het doen en laten van de jeugd te controleren en om beloning en straf uit te delen. Wie zoet is krijgt lekkers en wie stout is de roe, zingen de kinderen nu. Daar is niets onvoorwaardelijks meer bij. En hij komt in grote getale, wat op zichzelf al het bewijs is van zijn onechtheid. Dat hebben zelfs de kinderen door, wanneer zij wat ouder worden. Sinterklaas bestaat niet, zeggen de ouderen dan, opgelucht. Voor de kinderen rest alleen teleurstelling. Zo zijn de burgers er met een onschadelijk ritueel in geslaagd om Sinterklaas ongevaarlijk te laten voortbestaan, als een kapoen. En zo hebben zij de echte vrijgevigheid uitgebannen.

Het zal ons na het voorgaande duidelijk zijn wat ons nu te doen staat. Wij moeten de onschuldig veroordeelde goedheiligman alsnog vrijspraak verlenen; wij moeten de onrechtvaardige verbanning ongedaan maken; wij moeten Sinterklaas bevrijden uit zijn ritueel; hem om te beginnen bevrijden van oneigenlijke politietaken. Als de echte genereuze Sinterklaas weer onder ons is, is zijn veelvuldig voorkomen juist een bewijs van zijn bestaan. Sinterklaas bestaat! Als wij hem maar op authentieke wijze navolgen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden