De Anima en de Europese idee

Het 600-jarig jubileum van Santa Maria dell’Anima, het pauselijk instituut voor alle noorderlingen in de Heilige Stad, maakt bij Antoine Bodar ’het verlangen vuriger naar de europeanisering van Europa’: ’Voor mij als Nederlander die in Italië leeft maar het vaderland regelmatig aandoet en die in Rome door huisgenoten en bezoekers Centraal-Europa steeds beter leert kennen, is het nagenoeg niet uit te leggen dat wij in mijn geboorteland nog steeds met de rug naar het continent zijn gekeerd en nog steeds van over de Atlantische Oceaan het heil verwachten.’

Vanuit het geopende venster kijk ik uit op de kerk van Santa Maria dell’Anima, wend ik de blik naar omlaag, dan treft het huiselijke binnenplaatsje, en wend ik de blik wat omhoog, dan prijkt daar de slanke campanile, bekroond met de dubbele adelaar – het wapen van de Habsburgers, tot 1918 beschermheren van dit pauselijke college dat sedert 1859 door toedoen van paus Pius IX en keizer Franz Joseph huis is voor priesters, afkomstig uit de landen die eertijds behoorden tot het Heilige Roomse Rijk. Is mijn venster gesloten, dan zie ik vanachter mijn schrijftafel in het raam van glas-in-lood in het ene medaillon de Goede Herder met een schaap op Zijn schouders weergegeven – het uit de vroeg-christelijke periode bekende type – en in het andere het wapen van hem die deze kamer in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw heeft bewoond. Onder in het raam links zijn wapenspreuk vitam impendere vero (het leven besteden aan het ware) en rechts het stichtingsjaar 1938 en zijn naam Josephus Wilpert. Daarmee eindigt zijn aanwezigheid niet in dit vertrek. Want terzijde van de vensternis, die even dik is als de muur van dit gedeelte van het huis dat teruggaat tot de 15de eeuw, hangt zijn portret: Een grote man met schrandere blik te halven lijve in geklede jas, volledig in het zwart behoudens de priesterboord en het Germaanse hoofd. Wilpert, geboren in 1857 te Eiglau in Silezië en gestorven in 1944 te Rome, wijdde zijn leven aan vooral de ikonografie van de vroeg-christelijke monumenten in de Eeuwige Stad – catacomben, sarcofagen, bedehuizen – en deed daarvan verslag in kloeke boeken, vanaf 1926 als hoogleraar aan het pauselijke instituut voor christelijke archeologie hier ter stede. In 2007 zal hij anderhalve eeuw geleden zijn geboren en ter gelegenheid daarvan zal in dit priesterhuis – kortweg de Anima geheten – een colloquium worden gehouden. Ook deze kamer, mijn tijdelijke onderkomen, zal deel uitmaken van die geleerde herdenking. Zo kent elke plek in huis en kerk haar geschiedenis die nooit doet verstoffen maar altijd verkwikken. Want de vorigen roepen de volgenden op de eer van de Anima-instelling voort te zetten.

Naast priestercollege heeft de stichting Santa Maria dell’Anima twee taken die ouder zijn: In 1350, toen alleen nog maar de resten van het stadion van Domitianus de huidige Piazza Navona markeerden, is hier een gastenhuis met kapel ingericht waar armen en pelgrims uit het noorden een onderdak konden vinden. Vandaar de toewijding van het hospitium aan Maria de Anima (Maria van de zielen), de plaats waar in de Oudheid waarschijnlijk de dieren voor het stadion verbleven – de animales. In 1444 wijst paus Eugenius IV de Anima aan als bedehuis voor de zielzorg van alle Allemani te Rome (Duitssprekenden, daartoe ook gerekend Nederlands en Vlaams), als eigen plek dus voortaan van alle noorderlingen in de Eeuwige Stad. Eerder al, op 21 mei 1406, plaatst paus Innocentius VII de Anima onder rechtstreekse bescherming van de Heilige Stoel. Kerkrechtelijk is de instelling sedertdien pauselijk. En dat 600-jarig jubileum is dit voorjaar groot gevierd met missen, concerten, een internationaal colloquium en een audiëntie bij de paus.

In zijn toespraak memoreert Benedictus XVI de drie taken van de Anima, waarvan altijd de viering van de liturgie en de daartoe behorende zielzorg de eerste moet zijn en waarvan de uitstraling nog eens versterkt wordt door het kerkgebouw uit de 16de eeuw waar zoveel sporen van het Heilige Roomse Rijk nog zijn te vinden. Maar dan wijkt hij van zijn tekst af en haalt herinneringen op aan de tijd dat ook voor hem zelf de Anima zijn thuis was: De periode vanaf oktober 1962 tijdens het Tweede Vaticaans Concilie, toen Joseph Ratzinger als theologisch adviseur de Keulse aartsbisschop Frings ter zijde stond en zij samen tijdens de vier zittingsperioden hier in huis verblijf hielden. ’Alleen al de intieme ingang met het klaterende watertje, de stilte en de blik op de kerk, dat had iets roerends. De veelhoekige gangen waaruit zoveel geschiedenis spreekt, zoveel hartelijkheid en zoveel menselijkheid. Beneden in de bibliotheek is de Duitse bisschoppenconferentie toen wekelijks samengekomen zodat wezenlijke conciliebesluiten daar tot rijping zijn gekomen.’ Zo de paus die verder over de rust en waardigheid van de kerk spreekt, waar ’de blik op het graf van Adriaan VI ons deed bevroeden hoe zware tijden de Kerk weliswaar kent maar die God toch doet te boven komen’.

In januari 2005 had kardinaal Ratzinger de Anima nog aangedaan voor een eucharistieviering en een aansluitende ontvangst. Hoewel ook toen aan hem voorgesteld, behoor ik niet tot het type dat zelf een gesprek probeert aan te knopen. Nu, in mei 2006, is de omstandigheid nog eens helemaal veranderd. Wachten in de Sala Clementina van het Apostolisch Paleis, lakeien en fotografen, zelf gekleed in onwennige soutane met knellende boord. De lampen gaan aan, de paus treedt binnen en zet zich op de troonzetel. Eén voor één worden wij – zestien priesters, vier zusters, bestuurs- en personeelsleden – door de rector aan Benedictus voorgesteld. In 2000 was me dat eens gebeurd met Johannes Paulus in de Vaticaanse basiliek. Toen die nog steeds robuuste en ietwat overweldigende figuur. Nu de verzorgde en vooral bescheiden geleerde, in zekere verontschuldiging om het ambt waartoe hij is geroepen. Meer dan in de Anima anderhalf jaar eerder, beleef ik deze begroeting als ontmoeting. De paus vraagt vanwaar ik kom en wat ik doe. Hij knikt alleen wanneer ik hem zeg over Dominus Iesus te schrijven – het in het jubeljaar 2000 door hem zelf als prefect van de Congregatie van de Geloofsleer ondertekende document over de uniciteit en universaliteit van Jesus de Christus.

Zelf ben ik geen feestvierder. Of liever: Ik houd van het feest, wanneer mij de reden aanstaat. Dan onderbreekt het feest het dagelijkse leven, zoals de liturgie dat elke dag doet (of ten minste elke zondagochtend). Maar laat die onderbreking even zijn, vooral niet lang. De Anima-feesten zijn vele en vragen hun tijd. Is feesten niet vermoeiender dan werken en ontnemen die niet evenzeer denken als dat zij traagheid bevorderen?

Na de pauselijke audiëntie op 12 mei zijn vooravond en ochtend van 21 mei een tweede hoogtepunt. De bloemenpracht, waarmee de kerk hiertoe is opgetuigd, ken ik alleen uit mijn jeugd – lang geleden – toen ook Nederlandse katholieken nog de uitbundigheid kenden die, meer nog dan Italianen, Oostenrijkers eigen blijft. En ofschoon ons huis evenzeer Duitsers als Oostenrijkers toebehoort, is mét de wisseling van de Duitse rector twee jaar geleden naar de Oostenrijkse van nu de sfeer volledig gewijzigd. En in de geest van Oostenrijk – niet het huidige maar dat van het keizerrijk van vóór de Eerste Wereldoorlog – zijn de jubileumfestiviteiten van 2006. Waren niet de Habsburgers de beschermheren hier van weleer en hebben we hier niet kortelings nog de zaligverklaring van Karel van Oostenrijk hartstochtelijk meegevierd? Zelfs België, toch al weer sinds 1830 los van Nederland, heet hier in de Anima weer Spaanse Nederlanden – immers destijds beheerst door de Habsburgers. Is dat alles alleen gebleven nostalgie of opgegraven waan? Ik zelf beleef dat niet zo. Het is niet de politieke macht van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie – het rijk zonder grenzen met de vele talen en culturen en toch de ene keizer (Franz Joseph) wiens portret de meest representatieve ruimte van het huis bekroont – maar het culturele gezag van Midden-Europa van weleer dat in de Anima wordt gekoesterd en bevorderd. Het is de herinnering aan het oude Europa van Joseph Roth en Stefan Zweig dat ik althans mij hier in nachtelijk lezen in geheugen tracht terug te roepen na vorige zomer daar in Wenen weer eens te hebben rondgekeken. Daarom ook las ik de jonge hagiografie van Eva Demmerle over de laatste in 1918 verdreven keizer en bezocht afgelopen winter, zij het betrekkelijk bij toeval, diens ballingengraf op Madeira.

Opdat Europa zijn christelijke wortels kan terugvinden, volstaat het niet vooral Frankrijk en Engeland te betrachten en onderwijl te kijken naar Noord-Amerika, maar moet het gehele continent Europa worden heroverwogen. In dat perspectief kan ik heel wel omgaan met deze zeshonderdjarige vestiging in de Eeuwige Stad die het verleden geenszins verdroomt maar wel als leidraad durft kiezen voor de culturele eenwording van Europa in verscheidenheid zonder dus voorbij te gaan aan de grote gaven die het christendom heeft geschonken en schenkt. Wil het zo genoemde oude continent levensbevattelijk elan als geheel terugkrijgen, dan zal het zich ook moeten richten op zijn midden – met het grote aantal Duitstalige Europeanen en het helemaal niet geringe aantal Polen. Voor mij als Nederlander die in Italië leeft maar het vaderland regelmatig aandoet en die voorts in Rome door huisgenoten en bezoekers Centraal-Europa steeds beter leert kennen, is het nagenoeg niet uit te leggen dat wij in mijn geboorteland nog steeds met de rug naar het continent zijn gekeerd en nog steeds van over de Atlantische Oceaan het heil (welk heil?) verwachten, allemaal ons oefenend in Engels dan wel Amerikaans – zo niet alleen onze eigen taal verwaarlozend maar ook onze continentale verbindingen hier veronachtzamend.

Het Anima-jubileum maakt bij mij het verlangen vuriger naar de europeanisering van Europa. Zo is het concert, gegeven door koor en orkest van de kathedraal van Graz, niet alleen een feestelijke bijdrage uit het tegenwoordig kleine Oostenrijk, maar doet het mét Haydn en Mozart vroeger verbroederend zelfvertrouwen gewaar worden. Zo geschiedt het met de pontificale Hoogmis, waarin de verbinding met ’onze’ eigen paus nog eens wordt benadrukt. Zo gebeurt het met de uitvoering van bijna vergeten werk van de Brabantse componist Christiaan van der Ameijden, eertijds verbonden aan de Cappella Sistina en collega van Giovanni Pierluigi da Palestrina, in 1605 begraven in de Anima. Zijn gedenksteen bevindt zich hier nog steeds zoals van zovele andere Rome-gangers uit Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden, uit Duitse landen in meest brede zin en zelfs uit Scandinavië. Dat concert, gezongen door een Nederlands ensemble, is tevens de verlate herdenking van zijn vierhonderdste sterfdag en leidt in enen het derde en laatste hoogtepunt van de feestelijkheden in – het internationale colloquium rond de geschiedenis van deze instelling beneden in de bibliotheek van het college. Opnieuw herleeft het oude Europa en dus de Europese idee, hetgeen niet voltooid maar onvoltooid verleden tijd kan beduiden: Santa Maria dell’Anima als eerbiedwaardige schakel in de wil tot vereniging van het ene Europa met de Turken blijvend buiten dan wel toch mettertijd binnen ons zo begiftigde continent.

Die juichstemming geldt natuurlijk lang niet voor alles van het verleden, zoals blijkt uit de meest amusante voordracht. Ik heb uitsluitsel gekregen over mijn verbazing dat het priesterkoor van de huidige kerk, in 1542 gewijd, in de 18de eeuw zo is verguld in de stijl van de Barok en meer décor voor operette werd dan voor liturgie, zo mij deze oneerbiedigheid is vergund. Het grote grafmonument van ’onze’ paus is sedertdien helemaal ingevoegd in krullerige wandversiering en het grafmonument van de enige door hem gecreëerde kardinaal, Willem van Enckenvoirt uit het Brabantse Mierlo, is zelfs wegens de verpronking naar de achterzijde van de kerk verplaatst. Want in die zo veruiterlijkte periode fungeerde het kerkgebouw helemaal niet meer als bedehuis voor armen en pelgrims en hier wonende gelovigen uit ’onze’ streken, maar vooral als hofkerk van de Habsburgers, als schouwtoneel van de hofstoet waar even rijkelijk als uitbundig naast kerkelijke vooral keizerlijke hoogtijdagen werden gecelebreerd. Bij zo’n gelegenheid verdwenen de Anima-kapelanen uit het priesterkoor naar het kerkschip om hun plaatsen daar af te staan aan de keizerlijke gezant met zijn gevolg. En zoals hoog aan de gevel van de Anima nog altijd in steen het wapen van keizer Maximiliaan I op gelijke hoogte prijkt met dat van paus Adriaan VI, zo zal dat in die eeuw niet anders zijn geweest met eigentijdse eretekenen – de soberheid van de Renaissance-gevel verborgen achter opschik van tapijten en damast en met de gezamenlijke wapenen van regerende paus en regerende keizer samen.

Vermaard hoogtepunt van de Habsburgse pronkzucht is de rouw om keizer Leopold I in 1705. Bernini’s leerling Carlo Fontana had daarvoor nagenoeg de hele kerk omgebouwd tot één geweldige katafalk (een plezierige prent is daarvan bewaard gebleven). Ook kanonnen kregen daarbij hun ceremoniële plaats, zelfs zo dat op vernuftige wijze niet een kogel maar wierook uit hun vuurmonden trad – ritueel als louter theater. Aan het einde van de 18de eeuw is Santa Maria dell’Anima uit deze droom ontwaakt met de plundering van de kerk door de troepen van Napoleon die meteen de sacristie – nog immer een juweel uit de Baroktijd en weldra te restaureren – inrichtten als paardenstal.

Zo verkeert het steeds. Want wat bracht de instelling na de Eerste Wereldoorlog, toen geen van beide keizerrijken nog bestond en berooide republiek werd, waardoor alleen verleden roem de Anima nog restte? Stellig is de periode nadien tot voorbij de Tweede Wereldoorlog het meest getekend geworden door het rectoraat van Alois Hudal, in 1933 door Eugenio Pacelli in de Anima tot bisschop gewijd. Hij trachtte niet alleen in schriftuur het meest schone van het christendom en het minst lelijke van het nationaal-socialisme met elkaar te verenigen, hij vond het evenzeer passend eerst bedreigde joden en later vluchtende nazi’s te verbergen. Hij zou, vernederd en verbitterd, Rolf Hochhuth het toneelspel Der Stellvertreter – de veroordeling van paus Pacelli (Pius XII) hebben ingegeven. Over Hudal verschijnt over niet te lange tijd een internationale bundel, waaraan ook de schrijver van dit opstel DV meewerkt, zoals ook een even internationale bundel over het deftige jubileumcolloquium, hier dit voorjaar gehouden, spoedig het licht zal zien.

Zo gaat de geschiedenis voort en pogen we ons door de geschiedenis te laten bezielen maar tevens van haar te leren, opdat zij zich niet behoeft te herhalen maar verder voorwaarts voortgaat in cultuur en christendom die beide – met elkaar vervlochten – weliswaar terugvallen kennen, maar bedoeld blijven de wereld tot voorbeeld te zijn.

Wanneer ik ’s nachts probeer te slapen terwijl de beide ramen van mijn kale kamer in dit jaargetijde openstaan achter de gesloten luiken, beluister ik het klaterende water (het pauselijk bezongen watertje van weleer) dat neerdaalt in de oude sarcofaag die nog altijd als bekken dient. Zo hoor ik nu elke nacht in het levende water van elke dag de troostende liefde van alle eeuwigheid – zoals toen in de jaren zestig van de vorige eeuw de theoloog Ratzinger en in de jaren dertig de archeoloog Wilpert en zoals zovele anderen vóór hen en ik nu en zovelen ná mij – allemaal knechten van de Kerk die mogen wonen in dit even pontificale als continentale college, het hartelijke huis van Midden-Europa, toegewijd aan de Moeder Gods en onder haar bescherming gesteld, Santa Maria dell’Anima.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden