De angst voor een wilde horde cultuurlozen

Amanda Kluveld en Rozemarijn Schalkx

Harde bewijzen dat een doorgeslagen individualisme de samenleving ondermijnt zijn er niet. Toch heeft het huidige kabinet de neiging om deze cultuurpessimistische boodschap over te nemen, menen Amanda Kluveld en Rozemarijn Schalkx. En tegengeluiden hoor je nauwelijks. „Maar particuliere doembeelden mogen voor een regering nooit aanleiding zijn om de vrijheid van burgers in te perken.”

Tijdens de laatste kabinetsformatie werd volgens informateur Herman Wijffels iedere verwijzing naar individuele ontplooiing en individualisering uit de conceptteksten voor het regeerakkoord geschrapt. In de achterbannen van het CDA en de ChristenUnie bestaat, zei Wijffels, „een heel sterk negatieve duiding van individualisering”. Zij associëren het begrip met teloorgang, verloedering, losbandigheid en onverschilligheid. Wouter Bos, de derde aan tafel bij de onderhandelingen, dacht er niet veel anders over.

Het schrappen van de woorden ligt in het verlengde van de kabinetsplannen om ’iets anders’ te doen dan de vrijzinnige paarse kabinetten van de jaren negentig – zoals André Rouvoet in april dit jaar in Trouw uiteenzette. De minister voor jeugd en gezin voelt zich daarbij gesteund door de samenleving die genoeg nadelen zou hebben ondervonden van de eenzijdige nadruk op eigen verantwoordelijkheid, individuele vrijheid en het gebrek aan bemoeienis met moraal.

Rouvoet heeft met zijn anti-individualistische standpunten de maatschappelijke wind mee. Als we hem mogen geloven smeekten Nederlanders tijdens de honderddagen-periode van het kabinet om een overheid die grenzen aan hun persoonlijke vrijheid stelt. De voorman van de ChristenUnie wordt bovendien gesteund door cultuurpessimisten van verschillende politieke signatuur. Zo pleitte PvdA-kamerlid Jeroen Dijsselbloem onlangs voor maatregelen tegen de ’uitwassen van de individualisering’. De overeenkomst met de visie van Rouvoet bleef niet onopgemerkt. Dijsselbloem werd door de jongerenorganisatie van de ChristenUnie verkozen tot ’Engel van het jaar’ omdat hij zich als politicus van een niet-christelijke partij het meest laat leiden door bijbelse normen en waarden.

Het nieuwe anti-individualisme waarbinnen christenen, conservatieven en links elkaar vinden, kent opvallend weinig tegenstanders. Onder een minderheid die wel hecht aan individuele vrijheid is volgens Rouvoet paniek uitgebroken. Deze critici en columnisten maken volgens hem het kabinetsstandpunt met aanduidingen als ’spruitjeslucht’ en ’betutteling’ tot karikatuur.

Maar de bezwaren tegen het individualisme worden geschetst met behulp van karikaturen die vele malen uitzinniger, grotesker en apocalyptischer zijn dat het woord spruitjeslucht. Het individu met zijn verworven vrijheden is verantwoordelijk voor zinloos geweld, ongebreideld consumentisme, de sceptische, nihilistische houding van de jeugd, de teloorgang van deugden als rechtschapenheid, verantwoordelijkheidsbesef, gemeenschapzin en eergevoel. Daarnaast zou het individualisme belastingontduiking, drank- en drugsmisbruik, cocaïnesmokkel, de ontheiliging van seks, huwelijk en gezin alsmede de ondergang van cultuur en samenleving veroorzaken.

Dergelijk merkwaardige gevolgtrekkingen vinden we ook terug in het boek ’Tijd van onbehagen’ (2004) van Ad Verbrugge. De aan de VU verbonden filosoof levert belangrijke bijdragen aan het huidige anti-individualistische debat. Tot zijn bewonderaars behoren de cabaretier Theo Maassen, die de filosoof als een zielsverwant typeerde, zijn collega Freek de Jonge die ’Tijd van onbehagen’ als steun en toeverlaat omschreef, en SP-leider Jan Marijnissen, die Verbrugge graag als minister van onderwijs zou zien.

Wat maakt het anti-individualisme van Verbrugge, Dijsselbloem en Rouvoet zo aantrekkelijk? Allereerst het simplisme ervan. De suggestie wordt gewekt dat het dempen van de bron van individuele vrijheid leidt tot zowelhet verdwijnen van allerlei kwaden als tot de terugkeer van het goede, waartoe een harmonieuze gemeenschap en cultuur worden gerekend. Een overzichtelijke verdeling van de wereld in goed en kwaad spreekt aan. Bijna niemand lijkt erom te malen dat de paniekerige analyses en de roep om paal en perk te stellen aan de doorgeslagen individuele vrijheid op geen enkel wetenschappelijk onderzoek zijn gebaseerd.

Zo beweert Dijsselbloem dat de afbraak van het zuilenstelsel en de individualisering leiden tot het verloren gaan van waarden en normen, zedelijk verval en de teloorgang van het gemeenschapsdenken. Bewijs levert hij niet. Verbrugge baseert zijn beweringen over het verval van cultuur en gemeenschap eveneens louter op persoonlijke gevoelens en observaties zoals hij in het voorwoord van zijn boek zonder gêne toegeeft. „Dit boek is dus niet een objectief verslag van sociaal-empirisch onderzoek van wat er leeft en gebeurt onder de mensen. Het richt zich veeleer op de ’innerlijke’, en dus uiteindelijk ook alleen ’subjectief’ te vatten tendensen.” Wat Verbrugge over de samenleving beweert is dus waar omdat hij denkt dat het waar is. De waarde die Verbrugge toekent aan zijn verzameling hoogst persoonlijke observaties, doet vermoeden dat hij, net als zijn bewonderend publiek, zelf bevangen is door het zo versmade individualisme en de daaruit voortvloeiende neiging om alleen de eigen gevoelens als richtinggevend te beschouwen.

Een ander aantrekkelijk kenmerk van het anti-individualisme is de afschuw van de grote cultuurloze massa of, in de woorden van Verbrugge, ’het gepeupel’. De massa wordt afgeschilderd als een wilde horde cultuurlozen. Door de democratisering heeft deze massa vrijheden verworven die alleen de elite – de aanvoerders van het debat over de slechte kanten van het individualisme zelf dus – kan hanteren. „Hoeveel vrijheid zijn wij met zijn allen bereid op te geven om hen die minder aankunnen te helpen?”, vroeg Dijsselbloem in zijn kruistocht tegen de gewelddadige en seksueel getinte videoclip. „Als ik meisjes van vijftien jaar voor een groepsverkrachting behoed door genoegen te nemen met gecensureerde MTV-clips, dan heb ik dat er graag voor over.” Anders gezegd: anderen kunnen het kijken naar videoclips niet aan, Dijsselbloem wel.

Het anti-individualisme drijft op het ressentiment van een elite waarnaar minder geluisterd wordt en waaraan minder een voorbeeld wordt genomen dan deze terecht acht. De behoefte om hoeder en herder te zijn van de massa zwakke broeders uit zich bij de tegenstanders van individualisme in een grote paniek over de huidige seksuele moraal. Dijsselbloem pleitte voor het aan banden leggen van feesten waar jongeren porno bekijken en waar seks wordt bedreven. Seksualiteit moet volgens de PvdA’er ’kwetsbaar en kostbaar’ blijven. Anderen moeten kennelijk tot eenzelfde gevoeligheid gedwongen worden.

Eerder pleitte Verbrugge voor een terugkeer naar ’bezielde en spirituele seksualiteit’. Hij beklaagde zich bovendien over de ontheiliging van het huwelijk als verbond dat man en vrouw bindt en hun particuliere welzijn overstijgt.

Dit brengt ons op een volgend kenmerk dat het anti-individualisme aantrekkelijk maakt: het drijft op een mythisch beeld van voorbije tijden, van een vroeger waar alles nog goed was: de heiligheid van het huwelijk, de bezieldheid van seks, de harmonie van een gemeenschap, de kracht van de cultuur. De huidige tijd steekt volgens de anti-individualisten altijd ongunstig af bij dat imaginaire verleden.

Zo schrijft Verbrugge: „In plaats van de vervelende en brave buurten uit de jaren vijftig hebben we nu inderdaad veelkleurige achterstandswijken gekregen maar of die nu een culturele verrijking zijn geworden is zeer de vraag. Zat in de jaren vijftig de ’autoritaire vader’ aan het hoofd van de tafel en moesten de kinderen zich voegen in een burgerlijke discipline, nu verdwijnt de eettafel uit de leefwereld en zit men ’s avonds zappend voor de tv zijn magnetronmaaltijd naar binnen te werken. Is dit vooruitgang?”

Verbrugges analyse van het verleden blijkt niet gebaseerd op enig onderzoek en is eerder nostalgisch dan accuraat. ’De jaren vijftig’ kenden niet, zoals Verbrugge beweert, uitsluitend brave buurten. Er waren probleemwijken die toen achterbuurten werden genoemd en er waren asociale bewoners, de ’onmaatschappelijken’. Zij werden toen net zo goed als probleem ervaren. Een conferentie over het maatschappelijk onaangepaste gezin in 1953 werd door meer dan 900 professionals bezocht.

Wie kijkt naar de cijfers over veiligheid van de afgelopen tien jaar ontdekt dat er juist sprake is van een afname van de door anti-individualisten genoemde gesels van de moderne tijd. Het aantal gevallen van moord en doodslag is gedaald. Mensen voelen zich niet alleen veiliger, het ís de afgelopen jaren ook veiliger geworden. De Nederlander is in de jaren negentig gemiddeld harder gaan oordelen over belastingontduiking en sociale zekerheidsfraude. Uit onderzoek van Unicef blijken Nederlandse kinderen tot de bestverzorgde en gelukkigste kinderen van de rijke landen te behoren. Ook van onverschilligheid ten aanzien van medemens en milieu is weinig te merken. Mensen geven graag en veelvuldig aan goede doelen.

Met het individualisme valt het bovendien erg mee. „De hedendaagse burger is niet minder maar zelfs iets meer een kuddedier dan de burger van dertig jaar geleden”, zei bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer in 2004. Ook wat het eten aan tafel betreft, is de zorg van Verbrugge ongegrond. Twee jaar voordat Verbrugges boek uitkwam bleek dat 85 procent van de Nederlanders de warme maaltijd aan tafel eet. Het aantal kinderen dat met het bord op schoot naar de televisie kijkt neemt toe, maar het aantal uren dat jongeren televisiekijken neemt af, zoals onlangs uit onderzoek bleek. Jongeren zijn actiever geworden op internet. Ze onderhouden er contacten met kleine gemeenschappen van leeftijdgenoten. Atomistisch is dat zeker niet.

Verbrugge heeft overigens niet de moeite genomen om de schadelijkheid van televisiekijken onder het eten aan te tonen. Die staat voor hem vast. Deze argwanende en angstige houding ten opzichte van het fenomeen televisie en het onvermogen om populaire beeldcultuur te lezen, is kenmerkend voor de deelnemers aan de strijd tegen individualisering. Een voorbeeld van dit onvermogen tref je aan in ’Voorbij het dikke-ik’ (2005) waarin filosoof Harry Kunneman zich beklaagt over de opmars van het volgevreten, autonome individu dat lomp gedrag vertoont, anderen opzij duwt, onverzadigbaar en zelfingenomen is. Kunneman opent met de beschrijving van een reclamespotje waarin een aantrekkelijke vrouw in een supermarkt bierflesjes probeert te bemachtigen die voor haar te hoog op het schap staan. Er komt een knappe jongeman aan, die er wél bij kan. De vrouw kijkt hem verwachtingsvol aan, de man pakt de flesjes, kijkt de vrouw met een neutrale blik aan en loopt verder „haar alleen latend met het door haar begeerde maar onbereikbare bier”. Het spotje illustreert volgens Kunneman treffend dat „de ruimte van persoonlijke ontwikkeling gedomineerd wordt door krachten die duwen naar een leven in het teken van concurrentie en prestatie”.

Dat is heel wat om in het spotje te willen lezen. Kennelijk komt het bij de filosoof niet op dat deze reclame succesvol was omdat er iets in gebeurt dat niet voor de hand ligt en daarom de aandacht van de kijker trekt. Was het gedrag van de jongeman volkomen normaal in de samenleving, dan zou er nooit een spotje van zijn gemaakt. Bovendien is het Kunneman niet opgevallen dat de ’aantrekkelijke vrouw’ de wereldberoemde actrice Jennifer Aniston is en dat dit onderdeel van de grap is.

Eenzelfde onhandigheid in het duiden van populaire cultuur vinden we bij Dijsselbloem en zijn PvdA-collega Martijn van Dam. Zij stellen dat het beeld van seks als consumptieartikel ’er dag in dag uit ingeramd wordt’, zowel in videoclips als in reclames. En ze beweren dat er een direct verband is tussen televisie en groepsverkrachtingen. Nergens noemen zij onderzoek dat dit aantoont.

Als zij de moeite zouden nemen om een dag TMF te kijken, zouden ze weten dat het merendeel van de videoclips de romantische liefde verheerlijkt. En wat betreft de schadelijke invloed van televisie op de jeugd: groepsverkrachtingen vonden ook plaats in pre-industrieel Europa dat geen televisie kende, waar de gemeenschap sterk was en niet geseksualiseerd door commercie, en waar de cultuur, volgens de door Verbrugge veelvuldig bewonderend aangehaalde Oswald Spengler (1880-1936), veel ‘vitaler’ was en het huwelijk heiliger. Historicus Pieter Spierenburg laat zien dat alleen al in Dijon tussen 1436 en 1486 zo’n 125 rituele verkrachtingen werden onderzocht. Tachtig procent ervan betrof collectieve aanranding door een groep jongeren. In de ’brave’, televisieloze periode rond 1950 waren in Nederland de criminaliteitscijfers weliswaar de laagste van na de oorlog, maar volgens gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek was er nog nooit zoveel ontucht met kinderen, incest en schennis van de openbare eerbaarheid geweest.

Voor ieder cijfer kun je een ander cijfer geven. Dat neemt niet weg dat de tegenstanders van individuele vrijheid niet eens een poging wagen zich te baseren op onderzoek. Als zij dat wel deden, zouden ze weten dat uit onderzoek naar individualisering blijkt dat er in Nederland een grote overeenstemming bestaat over normen en waarden. De populariteit van de doembeelden over onze cultuur kan voor een groot deel verklaard worden uit precies die eensgezindheid over moraal. Zowel het WRR-rapport ’Normen, waarden en de last van het gedrag’ (2003) als het SCP-rapport ’De moraal in de publieke opinie’ (2004) concludeerde dat Nederlanders van zichzelf vinden dat zij uitstekend weten wat het verschil is tussen goed en kwaad. Zij zijn vooral kritisch over het gedrag van hun landgenoten. De zorg om andermans moraal bleek andermaal uit het dit jaar verschenen rapport ’God in Nederland’, waaruit bleek dat veel Nederlanders de kerken van belang achten voor normen en waarden. Aan christelijke normen en waarden hebben ze zelf geen behoefte, die vinden ze vooral belangrijk voor anderen.

Verbrugge en consorten passen met hun hersenspinsels, ondergangsfantasieën en zelfgenoegzame weigering om zich op onderzoek te baseren, naadloos in dit verhaal.

Een en ander zou hooguit aanleiding zijn tot ergernis over intellectuele luiheid en populisme – ware het niet dat het huidige kabinet eveneens bevangen is door de angst voor individuele vrijheid en verloedering. In het onlangs gepresenteerde beleidsprogramma van het nieuwe kabinet is bijvoorbeeld gehoor gegeven aan Dijsselbloems en Van Dams roep om de kwetsbare jeugd te beschermen. Het hoofdstuk getiteld ’Veiligheid, stabiliteit en respect’ kondigt gedragscodes voor audiovisuele media aan die „een dam moeten opwerpen tegen verloedering in onder meer realityprogramma’s en videoclips”.

Maar politici moeten zich niet bemoeien met de beleving van seksualiteit en ze moeten burgers niet ongewenst intiem en onsmakelijk lastigvallen met hun particuliere verlangens naar kwetsbare seksualiteit. Bovendien mogen particuliere doembeelden voor een regering nooit aanleiding zijn om de vrijheid van burgers in te perken. Het kabinet wenst de behoefte van burgers aan en het belang van individuele vrijheid te negeren door iedere verwijzing naar individualisering en individuele ontplooiing uit het regeerakkoord te schrappen. Deze cosmetische ingreep wijst erop dat de regering zich laat leiden door het geweeklaag van nostalgische cultuurpessimisten. Daartegen moet het individu met alle toegestane middelen in het geweer komen, daarbij gesteund door het parlement en beschermd door een seculiere, neutrale staat.

Dr. Amanda Kluveld en drs. Rozemarijn Schalkx zijn respectievelijk historicus en publicist.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden