De angst voor blaffende fundi's

Het ophangen van een pamfletje met 'Je suis Charlie' maakt je nog geen held. Waarom is moed zo moeilijk?

Lodewijk Dros

(Texel, 1964) is theoloog en chef van Letter&Geest.

De foto ben ik kwijt, maar het beeld kan ik zo uittekenen. We lopen over een Kroatisch strand en zien er gevieren patent uit. Een gezinsidylle, deze wandelende burgermansdroom. De kinderen zijn dertien en negen. Morgen zit de vakantie erop.

Het korte gesprek, terug naar ons appartement, herinner ik me haarscherp. "Ik heb geen zin om naar huis te gaan", zegt mijn dochter.

Ik snap dat wel; wie wil er graag naar school? Maar mijn vrouw proeft er iets anders in. "Waarom wil je niet terug?"

"Ik wil hier blijven. In Nederland is het gevaarlijk."

We waren eraan toe geweest, aan die vakantie. Een druk schooljaar voor de kinderen, drukke baan van hun ouders, het was ons het jaartje wel geweest. Maar angst voor Nederland, dat hoorde daar niet bij. Tenminste, niet voor het nakroost.

Hun basisschool was wat je een zwarte school noemt, en met het etiket 'multicultureel' was de buurt waar we wonen, aardig beschreven.

En angst? Woonde die er ook?

Het eerlijke antwoord is: ja. Maar daar hadden wij, ouders, het nooit over gehad met de kinderen. Dat bespaar je ze liever. Wel wisten we meteen waar dochter het over had. Aan dat Kroatische strand welde een grote woede in me op.

Twee jaar daarvoor, in 2002, had ik bij mij om de hoek een paar boeken gevonden over het goede islamitische leven. 'De weg van de moslim', een driedelig werkje van de Leidse uitgeverij Project Dien, was in een klap beroemd. Motorkoeriers haalden het bij de Trouw-redactie af, om het in praatprogramma's te laten zien (ik weigerde zelf op te komen draven, om geen bekend gezicht te krijgen), Kamerleden belden om te weten waar ze het konden vinden.

Het antwoord was simpel: loop een paar moskeewinkels binnen, en je hebt de schat zelf in handen. In het uit het Arabisch vertaalde 'De weg van de moslim' krijgt de lezer de opdracht weerspannige vrouwen te slaan, homo's 'met het hoofd naar beneden' van een hoog gebouw te gooien en vooral: ongelovigen en afvalligen af te maken. Verder dient elke moslim zich te bekwamen in de vechtkunst, 'offensief' te zijn en alvast allerhande 'munitie en wapens' aan te schaffen voor de gewapende strijd, de jihad.

De opschudding over het boek verbaasde me. Dat wil zeggen: ik was door de inhoud zelf geschokt, maar dit was de tweede keer dat ik erover had geschreven; toen ik anderhalf jaar eerder uit een ander, al even bloemrijk boek dezelfde dreigtaal had opgetekend (de boodschap hoort bij het vaste repertoire van islamisten), was rumoer uitgebleven. Maar de sfeer in Nederland was door het fortuynisme veranderd. De oproep tot het doden van homoseksuelen werd Nieuws. Niet alleen in Nederland (inclusief het onvermijdelijke spoeddebat in de Kamer), het bericht ging heel Europa door. Snel kwam er een demonstratie bij het Amsterdamse homomonument. Een van de weinige islamitische leidslieden die erin meeliepen, Haci Karacaer, moest zijn aanwezigheid uiteindelijk bekopen met afzetting als voorman van Milli Görüs, een grote Turkse moskeekoepel.

De stadsdeelvoorzitter had gezegd dat er in zijn buurt 'meer mensen dan mij lief is' de fundamentalistische ideeën uit 'De weg van de moslim' deelden. Rond de moskee waar het boekje vandaan kwam, reageerden bewoners voorzichtig gezegd bezorgd. Wie bezochten die moskee, en waren die teksten niet strafbaar? Ik werd gebeld door een vertegenwoordiger van het stadsdeel. Ze wilden een buurtbijeenkomst beleggen, en of ik daarbij aanwezig wou zijn, als aanstichter van de onrust.

Natuurlijk, dat wilde ik wel, om uit te leggen dat ik geen onrust veroorzaakt had, maar had blootgelegd welke verontrustende ideeën er in die moskee werden gepropageerd; daar hadden ze me immers gezegd dat ze helemaal achter de inhoud van de boeken stonden. Aan mijn komst stelde ik één voorwaarde: ik wilde beveiliging - gewoon, voor de zekerheid. De man van het stadsdeel zei dat hij het zou bespreken. Die middag belde hij terug. Ze wilden graag dat ik kwam, maar beveiliging, dat was echt niet nodig.

Thuis overlegde ik met mijn vrouw. Toch maar heen? Nee, ik bleef weg. De spreker die de buurtbewoners moest geruststellen, was een hoogleraar bij wie ik ooit college had gelopen, een man met een onschokbaar vertrouwen in de multiculturele samenleving. Mijn buurman was er ook. Hij rapporteerde me dat het volgens de hoogleraar allemaal reuze meeviel, dat die teksten niets nieuws behelsden, en dat ik, de schrijver van het stuk in Trouw, niet eens Arabisch beheerste. Hij wel.

Niet lang daarna was op een ochtend mijn auto vernield, deuken in het dak en het voorportier, twee ingeslagen ruiten en een beschadigd. Dat moet, dacht de agent bij wie ik melding deed van vernieling, 'tegen u persoonlijk gericht' geweest zijn, want geen van de auto's ernaast was getroffen.

Op een herfstige zaterdagmiddag in 2005 houdt integratiewethouder Ahmed Aboutaleb een praatje in de bibliotheek bij mij om de hoek. Aboutaleb, oud-Trouwcolumnist, is heel benaderbaar, geen bodyguard te zien, terwijl het maar een jaar na de moord op Van Gogh is; toen had hij met zijn gezin halsoverkop moeten onderduiken in een safehouse. Maar de 'doodsbedreigingen' waren al maanden eerder begonnen, had hij in het tijdschrift Binnenlands Bestuur verteld - afkomstig van moslimradicalen. Die waren woedend omdat hij zich geschokt had betoond over de inhoud van mijn artikel, over homoseksuelen die in Allah's naam moesten worden geëxecuteerd.

Toevallig zit ik naast Aboutalebs secondant en we raken aan de praat over die periode. Hij vertelt hoe hij en Aboutaleb op een avond bij een drukke bijeenkomst waren, hier niet ver vandaan, over 'De weg van de moslim'. Ik zeg dat ik had bedankt voor de eer om daar te spreken, omdat de organisatoren niet voor beveiliging wilden zorgen. Dat snapt de man wel, hij zat vlakbij een jongeman die hij niet veel later zou herkennen, op een foto op tv. Het was Mohammed B. die net Theo van Gogh had gekeeld.

Mohammed B. woonde een paar straten verder. Hij bezocht de moskee waar ik mijn bedenkelijke lectuur had aangeschaft. Net als Moham- med Atta, het brein achter de aanslag op 9/11; die had er volgens 'The World Almanac of Islamism: 2011' met twee andere aspirant-vliegtuigkapers waarschijnlijk een 'ideologische training' genoten.

Dan vertelt de man nog een saillant detail over de buurt rond de bibliotheek waar zijn baas net zijn praatje afrondt: Aboutaleb had zich er willen vestigen, maar dat was hem ten zeerste afgeraden; ze konden in deze fijne multiculturele wijk niet voor zijn veiligheid instaan.

Ik loop niet geheel op mijn gemak naar huis.

Na de publicatie van de artikelen over 'De weg van de moslim' en verwante lectuur had de hoofdredacteur me bij zich geroepen. Hij vertelde dat hij drie namen van Trouw-redacteuren bij de veiligheidsdienst had aangemeld, vanwege mogelijke risico's. "Waaronder de jouwe."

Over de screening die daarop moet zijn gevolgd, heb ik nooit meer wat gehoord. Wel stond er, merkten mijn kinderen, geregeld een oudere man tegenover ons huis foto's te maken, terwijl we nu niet bepaald in een architectonisch hoogstandje wonen. En kwamen er mediterrane types bij de benedenburen informeren of ik daar woonde. De buren ervoeren dat niet als prettig. Ze hingen beveiligingscamera's op.

Ik was zelf extra alert, maar waar moest ik op letten? Geen idee. Buiten gehoorsafstand van de kinderen (maar dat was achteraf gezien zinloos) overlegde ik met mijn vrouw over nieuwe artikelen. Doen? Niet doen?

Alleen al doordat die onjournalistieke vragen bij me opkwamen, wist ik dat er iets grondig mis was. Tot onder mijn huid was de angst gaan zitten. Gegrond? Ik weet het nog steeds niet. Yassin Hartog van de fatsoenlijke stichting Islam en Burgerschap vond de ophef over die nare passages uit de islamitische traditie overdreven: "Blaffende funda's bijten niet." Van dat laatste was ik niet zo zeker. Inmiddels ben ik helaas van het tegendeel overtuigd.

Om een megalomaan Amsterdams moskeeproject van de grond te krijgen, bedienden Turks-Nederlandse voorlieden zich van intimiderende taal. Die legde ik, nadat ik daarover (en over een forse fraude) had bericht, voor aan immigratiespecialist en moslim Jan Mahmoot Beerenhout. Hij woonde zeven jaar in Turkije. "Het zijn geen loze woorden", reageerde hij. "Ik waarschuw Nederlanders weleens: ze verkopen je gauw een hengst. Wij polderen, zij niet."

Kort daarop, in de zomer van 2007, werd een van de voormannen van het moskeeproject opgepakt voor verduistering - en voor wapenbezit. Een collega van hem wreef mij m'n naïviteit in. Mijn wereld, hield hij me voor, was een andere; in de zijne kon je het omleggen van mensen zó regelen. Niet dat hij dat wilde, integendeel, hij dreigde er ook niet mee, hij beschreef het alleen maar. Hij kende de tarieven. Ik hoopte toch wel op een halve ton. Het goede antwoord was ongeveer een derde ervan.

Het verschil met de jihadisten is dat zij het voor Allah en zijn profeet gratis doen.

In de mailbox verschenen boze reacties op mijn berichtgeving, maar moest ik me daar wat van aantrekken? Ik besloot er mijn schouders over op te halen, drukte op delete, maar helemaal lekker zat het me niet. Eén van degenen die me een kwade mail stuurden had een gekke naam die bij me bleef hangen: Abdul-Jabbar van de Ven. Zijn naam kwam ik nadien vaak tegen. Hij wilde, vertelde hij op tv bij Andries Knevel aan tafel, Geert Wilders liefst dood hebben, liefst door een ernstige ziekte. Hij was inspirator van Mohammed B. en de Hofstadgroep, een zelfverklaard aanhanger van de Taliban. Imam Van de Ven verhuisde naar Engeland, waar hij zo mogelijk nog fanatieker werd. In het voorjaar van 2014 meldde NRC dat 'de door inlichtingendiensten gevreesde imam' zich weer in Nederland wilde vestigen. "Volgens hoogleraar terrorisme Edwin Bakker staat vast dat Van de Ven een rol speelt in het radicaliseringsproces van moslimjongeren. Van de Vens uitlatingen kunnen eraan bijdragen dat jongeren als jihadstrijder afreizen naar Syrië, zegt Bakker.

Abdul-Jabbar van de Ven is de enige Nederlandse imam die het openlijk opneemt voor de jihadstrijders. Voor deze groep geldt hij als een gezaghebbend prediker. Enkele Arnhemse Syriëgangers luisterden in de weken voor hun vertrek naar een internetpreek van Van de Ven."

Gek genoeg was ik minder bang voor de malloten die een heus kalifaat wilden stichten, ook in Nederland; ze sleepten me voor de Raad voor de Journalistiek. Een prima aanpak, waar ik de islamitische organisatie Hizb ut-Tahrir - in Duitsland verboden en volgens onze eigen AIVD niet afkerig van geweld - voor heb geprezen.

Inmiddels maken zeloten in de Levant werk van het kalifaat, waar homo's head first van een gebouw worden gegooid. De foto bij een recent verhaal daarover toont acht mannetjes op een dak, en halverwege in de lucht een gestalte, vallend en daardoor onscherp in beeld.

Blaffende honden bijten.

Met onze kinderen keken we een paar jaar geleden naar de verfilming van Guus Kuijers 'Polleke' (gemaakt in 2003), die op tv was. Het verhaal speelt 'in de grote stad', maar we herkenden meteen onze buurt, Romeo en Julia in Amsterdam-West. Een van de mooiste scènes is die waarin Polleke de stoute schoenen aantrekt en bij Mimoun aanbelt. Mijn dochter reageerde meteen: dat kán niet. Wat niet? Dat ze in zulke kleren bij moslims aanbelt. Dat klopte: ze had zelf naar school nooit korte rokjes aan, dat was de zelfcensuur die de multiculturele tolerantie haar oplegde. En die ik herkende.

Sinds die vakantie in Kroatië weet ik dat ik, zeker zolang de kinderen thuis wonen, er gevoelig voor ben. Waar ik me vooral voor geneer, is dat ik opgelucht was toen ik ter redactie niet meer over deze materie hoefde te schrijven; anderen namen mijn rol over.

Het goede nieuws is dat mijn buurt veranderd is. Dat komt niet alleen door 'gentrificatie' - witter publiek, hippe horeca, scholen in de lift, duurdere huizen - maar ook doordat moslimjongeren niet zo grimmig meer zijn. Ik heb ze niet horen juichen na de aanslagen op Charlie Hebdo en de Joodse supermarkt, zoals ze wel deden na 9/11. Dat merkte ik al na het uitkomen van Wilders' provocerende film 'Fitna' (2008): moslims halen hun schouders erover op.

Hoopvol stemt me ook de fierheid van Ahmed Aboutaleb. Maar het schimmige begrip 'dreiging', dat zich in mij had voortgeplant als angst en woede, ben ik niet kwijtgeraakt. Ik dacht van wel, maar het bleek zich onder de standby-knop te bevinden, in een nieuwe gedaante. Toen de berichten over Charlie Hebdo binnendruppelden, werd het me koud om het hart.

De honden hadden weer gebeten.

Op ons raam hangt een A4'tje met de boodschap 'Je suis Charlie'. Maar wel veilig op twee hoog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden