De angst van de bekeerling

In het elfde gesprek over poëzie en filosofie zet filosoof Theo de Boer de zelfverkozen katholieken Joost van den Vondel en Willem Jan Otten tegenover elkaar. „Door de sprong in het geloof verlaat je het kamp van de denkers en de rede. Het is desertie.”

Peter Henk Steenhuis

De Nederlandse poëzie kent beroemde bekeerlingen. Joost van den Vondel is een van hen. Veertien jaar na zijn toetreding tot de rooms-katholieke kerk schreef hij ’Lucifer’ (1654), dat vaak zijn beste toneelstuk wordt genoemd.

Het speelt zich af in de hemel, een machtig oord, waar het wemelt van engelen. Zij wanen zich Gods gunstelingen, totdat een van hen een kijkje gaat nemen op de aarde, waar vreemde schepselen, mensen, een paradijselijk leven leiden. Deze lieden, Adam en Eva, zijn bovendien verrukt van elkaars lichaam. Dat steekt, engelen hebben geen lichaam en zullen dus altijd verstoken blijven van ’een brant van liefde, niet te melden, maar te gissen’. God moet zich, zo menen ze, meer aan de mensen dan aan hen gelegen laten liggen.

Tijd voor verzet. Ze weten de trotse aartsengel Lucifer voor hun karretje te spannen. En hoewel de andere aartsengelen Gabriël en Michaël Lucifer tot inkeer trachten te brengen, ontstaat er in de hemel een heuse opstand. Met als gevolg dat Lucifer en de zijnen de hemel uit worden geslingerd.

De opvoering van Lucifer in de Amsterdamse Stadsschouwburg veroorzaakte destijds weliswaar geen opstand, maar ontketende wel een rel tussen dichters en geestelijken. In de proloog van het stuk had Vondel beweerd dat bijbels toneel meer invloed had op het publiek dan ’laffe redenen uren lang in den wind gestroit’, waarmee hij doelde op de preken van de Amsterdamse dominees.

De geestelijken lieten zich niet onbetuigd. Na twee drukbezochte opvoeringen werd het stuk van de planken gehaald. De Amsterdamse bestuurders waren geweken voor klachten van de kerkenraad over een ’treurspel, van den val der engelen handelende’ waarin op een „vleesselijcke manier de Hooghe materie vande diepten Godes, met veele ergerlijcke en ongheregelde verdichtselen wordt voorgesteldt”. En alsof dit nog niet genoeg was, voegden zij eraan toe dat het stuk ’nooit meer’ mocht worden opgevoerd.

Hoewel ’nooit’ meestal een rekbaar begrip is, duurde het in dit geval echt lang, want ’Lucifer’ kwam pas in de twintigste eeuw weer op de planken. Maar is dit stuk voor ons nog wel te begrijpen? Wat zei Vondel over de diepten Godes? Over wat voor God heeft hij het dan eigenlijk? En heeft die God ons nog iets te zeggen? Of hebben wij een godsbeeld dat in niets meer te vergelijken is met het godsbeeld van een zeventiende-eeuwer?

Theo de Boer: „Je moet hierbij ook bedenken dat Vondels theologische visie politiek gekleurd was. Voor hem bestond er een nauw verband tussen de soevereine God en de soevereine vorst. Dit stuk is dan ook opgedragen aan de keizerlijke majesteit ’Ferdinandus de derde, geschapen tot regeren, gelijk een tweede August’. Opstand was in Vondels ogen volstrekt verwerpelijk, hij noemde dat ’staatzucht’. Omdat de Tachtigjarige Oorlog – begonnen als opstand tegen het Spaanse regime – ten tijde van de opvoering nog maar net beëindigd was, is toen zelfs Vondels trouw aan de Oranjes in twijfel getrokken.”

Kleurt die politieke strekking de gedichten hierboven?

„Zeker. Lees het slot van de Toezang:

Heilig is het groot gebodZijn geheimenis zij bondig. Men aanbidde zijn bevel.

(*)

Al wat God behaagt, is wel.

Alles wat moderne atheïsten mishaagt, is hier te vinden: een absolute Oppermacht en de politieke vertaling daarvan hier op aarde. Bij Vondel verliest Lucifer ook op puur militaire gronden. ’Oorlogswagens’ hebben beide partijen maar de aartsengel Michaël heeft iets nieuws, een soort raket waarmee hij Lucifer uit zijn wagen bliksemt. Wat dat betreft is er niets nieuws onder der zonnen zon.”

Der zonnen zon – zo omschrijft Vondel God. Dat zou een hedendaagse dichter niet meer uit zijn pen krijgen.

„Afgezien van dergelijke kosmische beeldspraak – de zon is voor ons een inferno van kernexplosies – ligt in Vondels godsbegrip de grootste moeilijkheid om zijn poëzie nog echt te waarderen.”

Hoe ziet dat beeld eruit?

„Dat vragen de engelen uit het eerste bedrijf zich ook af:

Wie is het, die zo hoog gezeten, Zo diep in ’t grondeloze licht, van tijd noch eeuwigheid gemeten?

En het antwoord?

„Dat krijgen we te horen in de tegenzang, dat is een zang die als antwoord volgt op een eerdere zang. Daar lezen we:

Dat ’s God. Oneindig eeuwig Wezen Van alle ding, dat wezen heeft, Vergeef het ons, o nooit volprezen Van al wat leeft, of niet en leeft, Nooit uitgesproken, noch te spreken.

Ik heb me altijd verbaasd hoe Vondel van zulke klassieke theologie nog goed klinkende poëzie heeft weten te maken. Want het lijkt werkelijk alsof hier de godsleer van Aristoteles en Leibniz in verzen wordt omgezet.”

Tussen Aristoteles en Leibniz ligt bijna tweeduizend jaar.

„Ja, het klassieke godsbeeld is heel lang dominant geweest. Laten we het eens wat scherper bekijken. De zang, de tegenzang en de toezang prijzen en roemen zijn Wezen. Vondel benadrukt hier het tekortschieten van de taal. Verbeelding, tong noch teken kunnen Hem melden. God heeft geen Naam. Maar er is wel degelijk een begrip mogelijk. Dat is geheel volgens het patroon van de klassieke metafysica. We kennen de werkelijkheid niet via namen die altijd individueel zijn, maar via universele begrippen. En zo bestaat er ook een traditionele leer omtrent Gods eigenschappen. Anders was trouwens deze lofzang – paradoxaal genoeg ín taal – ook niet mogelijk. Twee daarvan staan hier centraal: zijn onafhankelijkheid en zijn onveranderlijkheid. Hij is het die ’bij zich bestaat’, op zichzelf rustend, zonder steun van buiten en tegenwicht. En als middelpunt van alle beweging is Hij zelf niet bewegend:

Gij blijft de zelfde, (*)Gij zijt alleen dan die gij zijt, u zelf bekend en niemand nader.

Die onafhankelijkheid en onveranderlijkheid vormen het wezen van wat we het Opperwezen noemden. Tot ruwweg het midden van de negentiende eeuw was dit het onbetwijfelbare godsbeeld van iedere geciviliseerde westerling, gelovig of niet. Ik heb de indruk dat hedendaagse atheïsten hier nog stelliger in geloven dan gelovigen: als zij het christendom onder vuur nemen, hebben ze het bijna altijd over de ene Alwetende en Almachtige, de grote Eenling, de eenzame Intelligentie of de eenzame Wil.”

De engelen zingen een lofzang op deze grote Eenling. Maar als wij een mens onaangedaan en onbewogen noemen, lijkt me dat geen reden de loftrompet te steken.

„Nee, voor ons zijn die eigenschappen weinig prijzenswaardig. In die wijsgerige visie is God ook absoluut gelukzalig omdat hem niets kan ontbreken. Als ik dit godsbegrip tot me door laat dringen, denk ik: hoe vreselijk is het om een zalige godheid te zijn. Onbereikbaar, helemaal alleen, geen sterveling die iets van je begrijpt, zit je daar maar op de top van het heelal in alle eeuwigheid tevreden in jezelf te turen.

Maar wat we nu doen, is Vondel onze maatstaven opleggen. Dat is een te onhistorische benadering. We kunnen beter zoeken naar een formulering die ons toegang geeft tot zijn leefwereld, zodat we zijn poëzie ook echt beter kunnen begrijpen.

Als ik vat probeer te krijgen op deze poëzie, en ook aan de tijd van Vondel denk, komt er altijd één zin in me op: ’Eeuwig gaat voor ogenblik’. Dit is de slotzin uit het gedicht ’Kinder-Lijk’, dat Vondel schreef naar aanleiding van het overlijden van zijn zoontje Constantijn. In dit gedicht beschrijft hij hoe zijn zoontje nu vanuit de hemel ons bekijkt, ons ’uitlacht met een lodderoog’. Vondel troost zich met de gedachte dat het eeuwige leven in de hemel belangrijker is dan het leven hier beneden, dat een optelsom is van ogenblikken. Dat is een klassieke gedachte. Je vindt haar ook nog bij dichters als Poot en Dirk Smits.”

Die gedachte is kenmerkend voor de leefwereld van Vondel.

„’Eeuwig gaat voor ogenblik’ is meer dan een abstracte gedachte. Het verwoordt een levenshouding die we wel historisch kunnen begrijpen ook al kunnen we die niet meer voor onze rekening nemen. Ons levensgevoel is postklassiek. Wij denken historisch. Voor ons zijn zin en betekenis van een gebeurtenis altijd gekoppeld aan de tijd, en de geschiedenis. Voor ons besef is de tijd in de klassieke filosofie ontledigd, beroofd van zin. Alles wat er in de historische werkelijkheid gebeurt, is dan immers van eeuwigheid bepaald. De tijd kan niets nieuws voortbrengen. Voor ons geldt eerder: ogenblik gaat voor eeuwig.”

Zo krijgen we toch een andere opvatting over de tijd, toch niet over God?

„Die twee hangen nauw samen. Lucifer begint met de simpele mededeling: het toneel is in den hemel. De hemel is tijdloos voorzover hij ver verheven is boven zon, maan en sterren die de tijd een geleding geven. En God troont in die tijdloze hemel.

Om te laten zien hoe anders wij dit ervaren, zet ik tegenover Vondels ’Lucifer’ een gedicht van Willem Jan Otten – een hedendaagse bekeerling, die ook nog geruchtmakend theater schrijft. Het gedicht heet ’Op de hoge’, en speelt zich niet hoog in de hemel af maar op een hoge duikplank van een zwembad. De ik-figuur beklimt die plank en hoopt zichzelf te overreden in het water te springen.

’Op de hoge’ begint niet met de eeuwigheid maar met een datum: ’Liep augustus op zijn einde’. Op dat moment speelt het gedicht zich af. Verder weten we nog niets, al blijkt er ook een badmeester te zijn, die de hokjes afsluit en neuriënd september in fietst. Voor hem is kennelijk ook tijd wezenlijk, de dag is om, het seizoen afgelopen.”

We zien nu een verlaten zwembad voor ons, aan het einde van de zomer.

„Ja. Als de ik-figuur in de tweede strofe de duikplank van het zwembad betreedt, dat het Bosbad genoemd wordt, is hij duidelijk alleen. Dat ook de badmeester vertrokken is, maakt zo’n bad wel heel verlaten, want een badmeester is als baas of opzichter altijd op zijn post. Hij houdt orde en geeft les.”

Zwemles.

„Je zou denken van wel. De badmeester heeft de ik-figuur leren duiken, in het diepe leren springen. De onderwijzer is klaar wanneer de leerling even wijs is als hijzelf, pas dan kan hij tevreden wegfietsen. Voor de badmeester geldt de gedateerdheid van onze kennis.”

Maar als een badmeester het bad verlaat, sluit het zwembad.

„Daarom dringt zich gaandeweg het lezen van dit gedicht de gedachte op dat de ik-figuur niet leert zwemmen of duiken, maar dat de hoge duikplank symbool staat voor iets anders.”

Voor wat?

„Voor de sprong in het geloof? Gaat dit gedicht misschien niet over leren zwemmen, maar over leren geloven? Ik kwam op deze gedachte door het woord ’doopselzacht’ uit de zevende strofe – een belangrijk en zeldzaam rijmwoord in dit gedicht.

De doop door onderdompeling wordt nog altijd in een zwembad verricht. De blinddoek verwijst naar de blindheid van het geloof dat immers een sprong in het duister is, althans de filosofische traditie stelt het zo voor. Je verlaat door die sprong het kamp van de denkers en de rede. Het is desertie. Wie een traditie verlaat, wordt bevangen door angst. Na de doop zijn we een ander mens. De ik-figuur verlangt er naar maar vreest die overgang ook:

Dit zijn de stappen bang bang bang.In het Bosbad op de hogezweet men het peentje bangverlang.

De badmeester blijkt dus achteraf een soort catechiseermeester te zijn, misschien een lerarende jezuïet, zo iemand die Reve begeleidde op zijn weg naar de kerk?

„Ja, en dat werpt ook licht op het neuriën. Neuriën is een soort zingen zonder taal. We uiten daarmee een gemoedstoestand zonder dat we er woorden voor hebben. Het is, denk ik, typerend voor de moderne gelovige die geen taal meer heeft voor wat hij gelooft. De traditie waar Vondel nog vol op kan steunen, laat hem hier in de steek.

Je moet je wel realiseren dat de pronkende barokke taal van Vondel – ik moet zeggen dat ik die eigenlijk ook prachtig vind – samenhangt met zijn godsbeeld. Het is de rede, dat wil zeggen het vermogen eeuwige waarheden te formuleren, die de eigenschappen van God vaststelt, wat niet betekent dat deze geen voorwerp zijn van opperste verbazing. Dat Iemand de oorzaak is van alles, ook van zichzelf, geen tong of teken kan dat beschrijven. De uitbundigste lofprijzing moet hier tekortschieten. Maar zich beperken tot neuriën, nee, dat doet Vondel niet. Let ook op wat hij onmiddellijk op deze verbazing laat volgen:

Dat zien is nog een hoger heilDan wij van uw genade ontlenen;

Het inzicht dat de rede ons geeft in de onpeilbaarheid van Gods oneindig wezen is superieur aan de genade. Misschien was dit het wel dat de calvinistische predikanten zo dwars zat. Vondel ontkent ook nadrukkelijk dat God een naam heeft – ’Want ieder draagt zijn eigen naam/ behalve gij’ – wat haaks staat op de openbaring aan Mozes in het brandende braambos waar juist wel de Naam bekend gemaakt wordt.”

Intussen wordt het voor de aspirant duiker maar later en later.

„Ja. De zon, het symbool van God, ’der zonnen zon’, staat op het punt in de grond weg te zakken. Ook zíjn tijd is gekomen. Hij staat nu even laag als de springer op de hoge. Waar blijft de almachtige die zo hoog gezeten is?”

Nog even en het is donker, te laat om nog te springen.

„Daarom staat er : ’Ach mijn lief.’ Die verzuchting lees ik als een erkenning van onze verlatenheid. Maar juist omdat we tijdelijke wezens zijn, dringt de tijd. Uitstellen kan niet eeuwig. Morgen staan we voor hetzelfde probleem:

En ik wist: morgenword ik wakker maar ontkomenkan ik niet.

Hij blijft aarzelen. Waarom toch?

„Het antwoord vinden we in de vraag die de dichter zich ten slotte zelf stelt:

Dat zo ik sprong – ik wil, ik wil –Ik vallen zou en niets mij ving?

Deze regels vertolken ons huidige wereldbeeld: de angst te vallen in het niets. Deze angst springt eruit als je dit gedicht nog een keer vergelijkt met Vondel. Bij Vondel lezen we over een geordend heelal. Er zijn, zo blijkt bij nadere bestudering, negen sferen rond de aarde waarvan de hoogste de kristallijnen is en daarboven zijn er weer negen hemelsferen en ordes van engelen, waarvan God het onbewogen middelpunt is. Hij is de bronader, oorsprong, de onderhouder van alles.

Met andere woorden: bij Vondel bestaat het niets helemaal niet! Er is wel angst, veel angst. De angst voor ziekte en dood, die dagelijks om zich heen greep zoals Vondel in zijn eigen leven ondervonden heeft. En de angst voor opstand, rebellie tegen de gegeven orde, waar Lucifer om draait. Maar angst voor zoiets als het tohoewabohoe, de oerchaos, is in dat wereldbeeld ondenkbaar.”

De vrees van Otten, dat het bad ineens heel snel leeggelopen is, kende Vondel niet.

„Als we dit bad symbool mogen laten staan voor de wereld van het geloof, nee, dan kende Vondel deze vrees niet. Integendeel: ’Buiten God is ’t nergens veilig’, zingen de engelen in de toezang. Maar er is niets buiten God. Toch is er vóór God het scheppend woord riep, zo weten we uit Genesis 1 en uit eigen, postklassieke ervaring, de oervloed. De angst dat het bad ineens is leeggelopen, het besef dat springen betekent: het risico nemen dat er niets is om ons op te vangen. Dat alles blijft knagen.

Tegelijk is er de hardnekkige schoonspringdroom, het vertrouwen dat ons iets is ’toegedacht’ en altijd ’doopselzacht’ heeft ’opgewacht’, dat de oervloed getemd is; die twee dingen samen, ja, dat is kenmerkend voor ons huidige geloven.”

En dat alles noemt u ogenblik voor eeuwig stellen?

„Het huidige denken noem ik postklassiek, omdat wij niet meer in staat zijn te denken in termen van ’endloze eeuwigheid, aan tijd noch plaats gebonden’. Denk je even de hemel van Vondel in die, hoog boven de sterren en de kristallijnen hemel, eindeloos rond zijn eigen onbewegelijk middelpunt tolt, zonder enige band met plaatsen, getijden en seizoenen. De engelen zingen wel, prachtig natuurlijk, maar ze zingen zonder metten, completen of lauden, want die zing je op het ritme van dag en nacht en ook van de jaargetijden. En hoe zing je die zonder ritme en metrum? Als mensen die historisch hebben leren denken, kunnen we daar geen zin in ontdekken. Het wereldbeeld van Vondel is onbewoonbaar geworden.”

Maar die wending naar het ogenblik lijkt me nog niet zoveel zinnigs op te leveren. Is al die angst, twijfel, onzekerheid en eenzaamheid niet het kwalijke gevolg van wat u de omkering van de spreuk van Vondel noemde?

„Ik wil die spreuk ook niet omkeren. Omkering van een klassieke stelling is in de filosofie altijd een zwaktebod. We moeten met een term van Derrida, een dergelijke metafysische tegenstelling van tijd en eeuwigheid deconstrueren of ontwrichten en vervolgens herinterpreteren. We kunnen zo achter de klassieke betekenis van ‘eeuwigheid’ de preklassieke betekenis terugvinden, bijvoorbeeld in het evangelie van Johannes. Dat is eerherstel van het ogenblik. Het ogenblik, het lege nu van de klassieke wijsbegeerte, gevuld met eeuwigheid. En dat is precies wat in het gedicht van Otten gebeurt.

Ongewisheid hoort tot het wezen van de tijd. Als alles in de tijd van te voren vaststaat, als de tijd niets anders is dan het afwikkelen van een eeuwig programma, zoals bij Augustinus, heeft niets van wat in het geloof centraal staat nog enige betekenis. Het gebed niet want alles waarvoor ontferming wordt ingeroepen, staat al van eeuwigheid vast, ook het gebed zelf. En er is ook geen ruimte voor cruciale beslissingen, voor zoiets als een crisis in het bestaan; en voor alles wat daaruit volgt, voor een ommekeer, een nieuw begin maken, voor een ’Ik wil, ’ik wil’. Maar juist dat zijn de geladen tijdstippen die we sinds Kierkegaard ’ogenblikken’ noemen in een pregnante zin, zwanger van betekenis. Dat is ’eeuwigheid in de tijd’.

Voor die eeuwigheid zoeken we woorden. Neuriënd kloppen we aan de wand van de taal.”

iEerdere afleveringen van deze reeks zijn terug te lezen op www.trouw.nl/denkendichten

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden