De andere maanden vis ik, op snoekbaars

Fiets/ en voetveren dreigen te verdwijnen omdat ze niet rendabel zijn. Maar er zijn nog plaatsen waar met liefde wordt overgezet. Een reeks over veren en veerlieden.Aflevering 4: Woudrichem

Tekst: Anniek van den Brand

Tussen twee buien door krijgt het bruidspaar toch nog een paar stralen zon toegeworpen. De uitbundige hoeden van de dames in het sjieke gezelschap worden prompt onder het dichte dak van paraplu's vandaan getoverd en de tegen de nattigheid bij elkaar gehouden lange rokken mogen eindelijk doen waar ze voor bedoeld zijn: zwieren.

Voeg daarbij een achtergrond van strak onderhouden, oude gebouwen en de fraai beklinkerde straten van het vestingstadje Woudrichem, en de fotograaf weet van geen ophouden meer.

Even verderop is de parkeerplaats met de trap naar de vestingsmuur. Op het hoogste punt zetten wandelaars, met de vaalgroene regenjassen om het middel geknoopt, hun zware schoenen stil. Hier geen parels, tule of taftzijde die tot kijken dwingen, maar een toch minstens zo oogstrelend plaatje: fris, nog nadruppeldend groen, en een rustig stromende blauwgrijze Afgedamde Maas met aan de overkant, in de verte, de torens van Slot Loevestein.

Waar Maas en Waal te zamen spoelt

en Gorkum rijst van ver

Daar heft zich op den linker zoom

En spiegelt in den breeden stroom

Een slot van eeuwen her.

(Hendrik Tollens, 1780-1856)

Aan het einde van het smalle pad richting het water, staat een bord met een wat minder poëtische maar wel geestiger tekst: Heen motte betale en weer weer. Zijn voorganger heeft dat daar neergezet, vertelt veerman Toon Baks (47). Of beter: de oude Johannes Baks (,,het voelde wel als familie, maar hij was het niet'') verzon de spreuk, en Toon heeft weliswaar een nieuw bord getimmerd maar de uitspraak behouden. ,,Mooier kan ik het niet verzinnen.''

Pas acht jaar oud was Toon Baks, toen hij Johannes vroeg of hij hem mocht helpen met het overroeien van fietsers en voetgangers. Het mocht. Iedere vrije minuut was hij sindsdien te vinden bij de oude veerman en zijn boot. Elke dag na school, ieder weekeinde, elke vakantie. Ook toen hij ouder werd, verkering kreeg, timmerman werd, was de gang naar de roeiboot een dagelijkse. Op vakantie is hij nog nooit geweest. ,,Hier heb ik alles.'' En zijn vrouw? ,,Die wist waar ze aan begon.''

Toon Baks is een man van weinig woorden. En van grote woorden moet hij al helemaal niks hebben. Maar de oude Johannes, ja, hij kan er niks anders van maken, die was bijna als een vader voor hem. Al 21 jaar is hij dood. ,,Maar ik mis 'm nog steeds. We gingen zo goed met elkaar.'' Toen de oude Baks begraven werd, nam zijn knecht de zaak als vanzelfsprekend over.

In het groene houten gebouwtje, dat Toon Baks als uitvalsbasis gebruikt als er even geen passagiers zijn, hangt in een hoek een zwart-wit fotootje van twee kleine jongetjes. De oude veerman en zijn broertje. ,,Waarom zou ik die van de muur halen?'', vraagt Toon Baks zich hardop af.

Twee gedistingeerde zestigers lopen binnen. Hoe ver Slot Loevestein lopen is, als ze met de boot naar de overkant gaan. Zeven minuten meneer, weet Toon Baks. ,,Dat is natuurlijk de vraag die mij honderd keer per dag gesteld wordt.'' En of ze de veerpont moeten bespreken als ze in september een dagje met een gezelschap van een mannetje of twintig willen komen. Dat hoeft niet. ,,Ik zit hier toch.'' Moeten ze vooruit betalen, wil het in dure vrijetijdskleding gestoken duo nog weten. Nee, gewoon op de boot. En pinnen? ,,Da motte op de bank doen, nie bij mijn.''

Roeien doet Toon Baks al lang niet meer. De buitenboordmotor zit er al zeker een jaar of twintig op. De fiets van een mevrouw op leeftijd tilt hij ongevraagd. Hij lacht geruststellend als ze wat geschrokken naar de getatoeeerde panterkop op zijn zongebruinde armen kijkt.

Behoedzaam stuurt de veerman zijn boot naar de overkant. Nee, van de grote graan- en zandschepen is hij niet bang. ,,Beroepsvaarders weten precies wat ze doen.''

Waar Toon Baks beducht voor is, zijn de minder imponerende plezierjachtjes. ,,Ik heb in al die jaren nog nooit een ongeluk gehad. Ik zou het niet op mijn geweten willen hebben. Daarom laat ik die jachtjes vaak voorgaan. Daar zit me vaak een zwik koekenbakkers aan het roer, die hebben geen idee. Die jakkeren zonder vaarbewijs zo die rivier over.''

Tot november zit Toon Baks hier iedere dag. En dan even een paar maanden geen water? ,,Nee joh, de andere maanden vis ik. Beroepsmatig. Op snoekbaars.'' De netten liggen boven, wijst hij naar zijn houten huisje. ,,Ik ben hier echt iedere dag.'' Nou ja, behalve in de winterweekeinden dan. ,,Mijn vrouw zegt niet gauw wat, maar als ik dan ook nog zou gaan, dan wel.''

Iedere dag dezelfde 140 meter heen en weer, iedere dag dezelfde vragen van wandelaars en fietsers -over het bordje met de spreuk, over de wandeltijd naar het kasteel- het verveelt Toon Baks geen moment. Tot zijn vijfenzestigste wil hij sowieso blijven. ,,Misschien nog wel langer. Eigenlijk het liefst tot ik erbij neerval.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden