de Adder: Giftige zonnebader is vooral bang voor ons

Op doorreis naar noordelijker oorden bracht ik afgelopen week een bezoekje aan Blokzijl, een beeldschoon zeventiende-eeuws ministadje in de kop van Overijssel. De zon scheen uitbundig maar Blokzijl was, in afwachting van het drukke watersportseizoen, nog volkomen uitgestorven. Het enige levensteken werd gevormd door een ouder echtpaar dat op een bankje zat te hagedissen. Gehuld in de sportieve outdoorkleding van de moderne pensionado zaten ze met gesloten ogen en devoot gevouwen handen te genieten van de zon. Ze zogen als het ware de zonnestralen en de warmte en wellicht ook enkele diepe gedachten in zich op.

Adders doen dat ook graag, al hebben die er vermoedelijk geen diepere roerselen bij. Het feit dat mensen niets liever doen dan zich koesteren in het eerste voorjaarszonnetje, toont aan dat dat onze verre evolutionaire wortels teruggaan tot het reptiel.

Dit zonnebaadgedrag - ik duid het graag aan met het werkwoord 'hagedissen' - is een noodzakelijke handeling voor koudbloedige dieren alvorens ze tot actie kunnen overgaan. Voor lichaamsbeweging is energie nodig. Warmbloedige dieren (vogels en zoogdieren) produceren die zelf in overvloed, maar de zogenoemde koudbloedigen zijn daar minder bedreven in. Die moeten eerst even in de zon opwarmen, zoals een elektrische auto eerst een tijdje aan het stopcontact moet voordat hij kan gaan rijden. Overigens is de term 'koudbloedig' nogal verwarrend: een opgewarmde hagedis kan tijdelijk zeker zo warm zijn als een zoogdier.

Het effect van de zon op het gedrag van reptielen is goed te zien bij de adder. Afgelopen week kwamen er diverse twitterberichtjes voorbij met foto's van zonnebadende adders. Iemand twitterde zelfs (met een vreugdevol uitroepteken) dat hij op één dag vier adders had gezien! De addermeldingen op waarneming.nl kunnen achteraf zelfs worden gelezen als een soort weerbericht. Na een enkele observatie in de eerste maanden van 2016 was er ineens een piek op 26 maart. Dat was dan ook een weergaloos mooie dag met maar liefst tien zonuren in De Bilt. Daar houden adders wel van! Vervolgens zal het niet verbazen dat ook 2 en 3 april goed meededen. Kortom: de adder is er weer en hagedist met volle teugen.

Adders zijn onze enige gifslangen. De twee andere soorten die ons land telt, de gladde slang en de ringslang, hebben geen gifklieren. Adders (Vipera berus, de Latijnse naam vinden we terug in het Engelse viper en het Franse vipère) komen voor op de hogere zandige delen van ons land, in Drenthe en aanpalende stukken Friesland en Overijssel, op de Veluwe en in het Meinweggebied. De verspreidingskaart toont ook één stipje op de Utrechtse Heuvelrug.

De slangengriezelaars onder u die buiten deze gebieden wonen, hebben dus weinig te vrezen. Maar heb geen angst: de adder is altijd banger voor u, dan u bent voor de slang. Onze slangenangst zit helaas in onze genen ingebakken; ook dit is een echo uit het verre geologische verleden toen we nog blootsvoets over de savanne dwaalden. Marketingtechnisch heeft dat verhaal met de sprekende slang en een appel de slangen trouwens ook weinig goeds gebracht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden