De aarde en de gehaktbal

De aanhoudende boodschap dat het slecht gaat met de aarde – dezer dagen ook weer vanaf de milieutop op Bali – bezorgt ons gevoelens van schuld en schaamte. Henri Beunders onderzoekt het hedendaagse doemdenken. „Waarom verdween het idee dat wij erin zouden slagen een aarde vol welvaart, geluk en gelijkheid te creëren?”

Dezer dagen staat het lot van onze wereldbol centraal tijdens de milieutop op het paradijselijke eiland Bali. Elders in Indonesië worden de oerbossen in lichterlaaie gezet, als in de hel.

Hemel en hel, het zijn kernwoorden voor het milieubesef in de afgelopen halve eeuw. Net als schuld en schaamte.

Iedereen heeft het over het milieu, en velen zijn zeer somber over het lot van de aarde. Maar het is de vraag of deze twee wel met elkaar te maken hebben.

Vorig jaar rond deze tijd ging ik met mijn kinderen naar de film van Al Gore. Er zaten nog zes mensen in het bioscoopzaaltje. Onlangs vroeg ik een groep studenten wie die ’Ongemakkelijke Waarheid’ had gezien. Van de twintig studenten waren dat er twee. Eind vorige week zag ik, in een even kleine bioscoop de BBC-film ’Earth’. Een dag na de met veel bombarie aangekondigde première zat het zaaltje nog niet halfvol.

Wat is werkelijkheid? En wat is aangepraat?

’Earth’ is een schitterende natuurfilm en veel subtieler dan al die exploderende grafieken van Al Gore. De film leert je inderdaad (weer) van de wereld te houden. Maar uiteindelijk is de boodschap – met het emblematische beeld van een uitgeputte ijsbeer op zoek naar ijsschots en voedsel – dezelfde: deze ijsbeer is het symbool van de toekomst van onze planeet, ooit lucky planet genoemd. „Nu de aarde opwarmt en het ijs smelt zullen meer ijsberen zo triest aan hun einde komen.”

Het is een ontroerende film. Maar uit de lange scènes met die enkele wilde beesten die hun prooi uiteindelijk inhalen is the kill bewust weggelaten. Dat zou wellicht het beeld verstoren dat de natuur alleen maar mooi is mits er geen mensen in de buurt zijn die ervoor zorgen dat al die ijsberen, olifanten, walvissen en al het gevederde steeds langere tochten moeten ondernemen om nog aan ijs, water of plankton te komen.

Zijn het ’de media’ die met al die onheilsboodschappen het ontbijt van de krantenlezer bederven? Zou zo maar kunnen. De doodgeknuppelde zeehondjes van eind jaren zeventig staan nog scherp op het netvlies, en nu komt die zielige ijsbeer er weer bij. Met, pats, de krantenkop onlangs in Trouw die vertelt waarom de wereld ten onder gaat: ’Tropisch regenwoud gekapt zodat er hier een gehaktbal op tafel kan’.

De aarde en de gehaktbal. Of is het: de aarde áls gehaktbal? We vreten hem gewoon op. Kan het beeld Hollandser en ook ordinairder?

Waar is de tijd gebleven dat we in de zomer gezellig in het gras lagen, of de grotten van Han bezochten, en er een opgewekt spelletje van maakten om allerlei figuren te ontdekken in wolkenpartij of druipstenen? Hé, kijk die wolken daar, net een hert. Kijk die druipstenen daar, net de Notre Dame. Dit fenomeen, ook wel pareidolia genoemd, berust erop dat een vage of toevallige stimulus wordt gezien als heel belangrijk. Tegenover de leuke kant van dit mechanisme staat natuurlijk het paranoïde denken, dat in beelden, cijfers en tekst verborgen boodschappen ontwaart, en daarmee grootse complotten of waarheden.

De discussie over ’het milieu’ herinnert me aan het angstdenken rond de kernbewapening in de jaren tachtig. Ook toen zag je een oeverloze uitwisseling van argumenten en nachtmerries. De mensen werden, soms letterlijk, bijna gek van angst. Daarom kan ik, ter opmontering van het geheel, het soms niet laten de anekdote – hoe apocrief en cliché ook – te vertellen over Irene Vorrink, een van de eerste milieuministers. Zij begon een toespraak in Frankrijk met de woorden: „Je suis la ministre du milieu.” (’Ik ben minister van de onderwereld.’) Daar werd nogal verbaasd en geamuseerd op gereageerd.

Het had een freudiaanse verspreking kunnen zijn. In plaats van de hemel die we op aarde zouden maken, lijken we alleen nog aandacht te hebben voor de onderwereld die we geschapen hebben. Is er sprake van angst voor onszelf?

Gevoelens van schuld en schaamte zijn varianten op angst, en deels cultuurbepaald. Komt die angst voort uit het onvermogen de last te dragen voor onze aarde, waarover wij de verantwoordelijkheid van God hebben overgenomen als ’rentmeester’? Zijn de woorden van Nietzsche – ’God is dood. En wij hebben hem vermoord ’ – dan niet toch de sleutel? Niet iedereen is immers een Atlas die de wereld torsen kan.

In Nederland gaat spreken over het milieu met veel emoties gepaard. Dat lijkt samen te hangen met de ontkerkelijking vanaf de jaren zestig. In geen ander West-Europees land liepen de kerken met zo’n grote snelheid leeg als hier. Met enorme gevolgen. Een ervan was dat er veel pseudoreligieuze dump op de politieke markt belandde. Oudhollands calvinisme in een ander, politiek jasje.

Dat we nu een gereformeerd VU-kabinet hebben, is volgens sommigen dan ook niet zo verbazingwekkend. Zo zei George Harinck eind vorige maand in zijn oratie aan de VU als hoogleraar geschiedenis van het neocalvinisme, dat de hele structuur van onze samenleving door het neocalvinisme is ’gestempeld’. Als ik zijn betoog goed samenvat is het neocalvinisme in de twintigste eeuw – in reactie op de ontluisterende wereldoorlogen – steeds meer van God en beginselen ’afgedaald’ naar maatschappijvisie en dienstbaarheid aan de samenleving. Een afdaling waarmee de theoloog K. Schilder in het interbellum begon. „Hij dynamiseerde de relaties tussen God en mens én wereld, door deze niet statisch, maar als een activiteit op te vatten en hij omschreef de mens daarom bij voorkeur als Gods medearbeider.”

De ARP ging hier na de Tweede Wereldoorlog mee door, en vertaalde vanaf eind jaren vijftig de ’sociale kwestie’ onder andere in termen van ontwikkelingshulp. De ministers op dit departement waren bijna zonder uitzondering van christelijke signatuur, de PvdA’er Pronk als oud-gereformeerde misschien nog wel het meest. De ChristenUnie hanteert eveneens de neocalvinistische drieslag van waarden, verscheidenheid en betrokkenheid.

De gevoeligheid voor het succes en falen als ’Gods medearbeider’ beperkt zich niet tot de kring der belijdende calvinisten. Het lijkt wel of mensen die van hun religieus of politiek geloof zijn afgevallen, de grootste milieuridders worden. CDA-kamerlid Wim van der Kamp zei deze week over de problemen in het VU-kabinet: „Er zitten verdraaid veel voormalig gereformeerden bij de PvdA. Dat zijn de ergsten, omdat ze dubbele zendingsdrang hebben: ze zijn hun God kwijt, waar de politieke boodschap dubbel en dwars voor in de plaats komt. Zelfs bij de SP, zo is mijn ervaring, zijn ze niet zo zenderig.”

Terugkijkend op de ontkerkelijking en emancipatie in de jaren zestig en zeventig, is het verbazingwekkend hoe de sfeer van optimisme over de mensheid en de aarde in nauwelijks één decennium omsloeg in grote ambivalentie dan wel regelrecht pessimisme.

Die opgetogenheid herinner ik me nog goed. Het was 1958 en mijn vader vertrok voor zijn eerste reisje naar België. Op de foto staat hij in zijn beste pak, met de regenjas binnenstebuiten gevouwen over de arm, in een groep bij een bus. Iedereen kijkt blij. De reis zou naar Brussel voeren, naar hét spektakel van die tijd, de eerste naoorlogse Wereldtentoonstelling. Met dit groepje zouden nog zo’n 35 miljoen andere Europeanen hetzelfde doen.

De grootste attractie daar was het Atomium, 102 meter hoog, bestaande uit negen aluminium gecoate bollen. Het visuele concept van een atoom, maar dan 150 miljard keer vergroot. De bedoeling ervan was de metaal- en ijzerindustrie te eren en het geloof in atomische krachten te vergroten.

Acht jaar later, in 1966, werd in Eindhoven het Evoluon geopend, het geschenk van Frits Philips aan Nederland en de mensheid ter gelegenheid van het 75-jarige bestaan van zijn concern. De vorm, een vliegende schotel, werd een uniek architectonisch wonder genoemd dat nergens ter wereld was geëvenaard. Het was een prachtige schoolexcursie, zelfs als je niet van plan was om interactief de liefde voor de techniek bijgebracht te krijgen.

De naam Evoluon was afgeleid van evolutie, geleidelijke ontwikkeling. Vlak bij de ingang stond een robot, de Senster, het eerste computergestuurde cybernetische kunstwerk. Het Evoluon werd in 1989 gesloten. Voor de toekomst bestond geen interesse meer.

Nu regeert al decennialang de nostalgie. Of misschien moet ik zeggen: een afwisseling van golven van hoogmoed, gevolgd door golven van pessimisme en paniek.

Na de Tweede Wereldoorlog domineerden aanvankelijk de noodzaak tot wederopbouw en het optimisme van Atomium en Evoluon. Maar de angst lag in deze periode van Koude Oorlog direct onder de oppervlakte. Auschwitz en Hiroshima hadden het vertrouwen in de mensheid aangetast. Het vooruitgangsgeloof had daarom ook iets wanhopigs.

De fototentoonstelling Family of Man uit 1955, die ook in Nederland bizarre aantallen bezoekers trok, had als boodschap dat alle mensen gelijk en gelijkwaardig waren. De mensheid vormde één broederschap die alleen met begrip voor elkaar zou overleven in het nucleaire tijdperk.

Hoop en toekomstgerichtheid domineerden, zoals de technologische musea en wereldtentoonstellingen demonstreerden. ’Het jaar 2000’ vormde een magische notie, voor stadsplanning bijvoorbeeld – zie de Bijlmermeer. Je kon op enorme maquettes de manier bewonderen waarop we in 2000 zouden leven. De toekomst was als ’een ander land, dat je kon bezoeken zoals Italië’, zoals de architectuurcriticus Reyner Banham het eens uitdrukte.

Waarom verdween al het optimisme dat de mens, ook zonder God, erin zou slagen om een aarde vol welvaart, geluk en gelijkheid te creëren? Ik zou zeggen: door de landing op de maan in 1969, en door alle oorlogen die sinds Vietnam via de media thuis zo goed te volgen zijn.

Eind jaren zestig zagen we de eerste foto’s van de aarde, vanaf de maan genomen. Ze moeten een enorme indruk hebben gemaakt. Wat een mooie, glanzende knikker was die aarde! Maar ook: hoe klein en kwetsbaar! Dat we met zijn allen op zo’n klein bolletje konden overleven! De kosmonautische trots ging vergezeld van een zekere ongerustheid.

Op hetzelfde moment leerde de oorlog in Vietnam ons hoezeer we bezig waren mens en milieu te verwoesten. Het schuldgevoel hierover vertaalde zich nog steeds in het geloof in maakbaarheid, thuis en in de Derde Wereld.

Vanuit mijn kamer op de Erasmus Universiteit kijk ik uit op een laag bakstenen muurtje waar vaak studenten op zitten. Ertegenaan geplakt zijn de woorden: ’Van de verdeling komt de winst. Jan Tinbergen 1903-1994’. Ik kijk er vaak naar, al weet ik niet precies wat het betekent. Ik vermoed dit: er is in de wereld wel voldoende, maar het is ongelijk verdeeld, en als we het beter verdelen, wordt iedereen gelukkiger en welvarender. Tinbergen beïnvloedde – de ook al ex- gereformeerde – premier Den Uyl. Tinbergen was een ’systeemdenker’ en dat systeemdenken versterkte de somberheid over het milieu: met behulp van computers konden alle groeicijfers zonder moeite worden geëxtrapoleerd.

De publicatie van het boek ’Silent Spring’ van Rachel Carson in 1962, een document over de effecten van pesticiden op het milieu en vooral op de vogelstand, geldt als het begin van de milieubeweging. Het succes ervan hing samen met de flower power-romantiek van terug naar de natuur met veel macrobiotisch eten en communale harmonie. Het kwam voort uit afkeer van de eigen maatschappij, en was tegelijk een terugtocht hieruit naar afgelegen gebieden, ook in eigen land.

Maar afkeer is nog geen schuldgevoel. Dit werd anders door Vietnam.

De Club van Rome vroeg vanaf 1968 aandacht voor het lot van de wereld en sprak in zijn beginselverklaring van ’de verwoesting’ door het Westen. Maar men sprak niet nadrukkelijk over de oorlog die toen al zoveel commotie veroorzaakte. Het rapport ’Grenzen aan de Groei’ van systeemdenker Dennis Meadows en de zijnen in 1972 deed dat evenmin. Het was een computergestuurde extrapolatie van allerlei groeicijfers. De conclusie: binnen een eeuw kun je geen fietsband, geen fotorolletje meer kopen, en gaat de wereld ten onder aan te veel mensen en te weinig voedsel en hulpbronnen.

Maar de beelden die in deze jaren de wereld beheersten waren die van pesticiden als Agent Orange en vooral napalm in Vietnam. Het naakte meisje Kim Phuc werd in 1972 het symbool van de vernietiging van de onschuld door ons, het Westen. Hier werd een schuldgevoel geactiveerd dat nooit meer is weggegaan.

Oorlog is vernietiging. Het was president Eisenhower die in 1960 met zijn waarschuwing over het ’militair-industriële complex’ oorlog en industrie voor het eerst aan elkaar koppelde als grote, ongecontroleerde boosdoeners achter de vernietiging van mens en aarde.

Het rapport van de Club van Rome werd nergens zo goed verkocht als in Nederland. De Jom Kippoeroorlog in 1973 en de olieboycot zorgden in deze tijd, waarin ’de arbeider’ zich tot ’werknemer’ had geëmancipeerd en door Den Uyl van ’burger’ in ’consument’ was omgedoopt, voor paniek. Den Uyl’s woorden dat de wereld nooit meer zou worden zoals ie was, vergrootte de gerustheid niet.

Na de Vietnamoorlog verschoof de aandacht weer van de vernietiging van de mens naar het dier, met de beruchte tv-beelden, eind jaren zeventig, van het doodknuppelen van zeehonden in Canada. Midden jaren tachtig, vlak ná de doodsangst over de kruisraketten, ontlaadde de spanning zich in de Band Aid-concerten voor de arme medemens in Afrika. Oorlog en ondergangsdreiging lijken zich zo te vertalen in angst voor het milieu.

Zo was het volgens sommigen geen toeval dat de voorbereidingen voor de eerste mondiale milieutop, in Rio de Janeiro in 1992, direct na de val van de Muur begonnen. Rood was uit, groen werd in, als opvulling van een ideologisch vacuüm. Het is eveneens plausibel dat de massale steun van publiek en politiek voor deze top gevoed werd door de verwoestingen tijdens de Eerste Golfoorlog in 1991.

Tegen het einde van de eeuw, met verworvenheden als internet, economische voorspoed en zelfs vrede op de Balkan, was het milieubesef weer op zijn retour. Vijf jaar geleden was ’milieu’ onbelangrijk genoeg om het met een staatssecretaris af te doen. Nu, tijdens de oorlog in Irak, is het met grote vaart teruggekeerd. Het succes van Al Gore kan geduid worden als een uitdrukking van verzet tegen deze oorlog. Anti Bush is pro Gore, pro milieu, pro mensheid. De een voert oorlog, de ander wil de aarde redden.

Het mechanisme is duidelijk: als er geen duidelijke beelden zijn van vernietiging van dieren of mensen door ons toedoen, dan gaat het schuldbesef vanzelf in de sluimerstand. Maar de onzekerheid over onszelf lijkt inmiddels zo fundamenteel dat gevoelens van schuld en schaamte steeds makkelijker ontketend kunnen worden. Ik denk dat dit komt door het wegvallen van de religieuze, collectieve rituelen om schuld te belijden en tot een individueel gevoel van bevrijding te komen. Sinds de jaren zestig heerst de cultuur van prestatie en perfectie van het eigen ik, en dit leidt tot versterkte gevoelens van angst en depressie, schuld en schaamte.

Psychologen menen dat er tegenwoordig meer schaamte is dan schuldgevoel, omdat schuldgevoel gaat over handelingen, en schaamte over wie je bent. Bij het milieu komen deze twee elementen samen. We voelen ons schuldig over wat we anderen, de wereld, aandoen, maar wellicht is in onze narcistische cultuur het gevoel van schaamte nog sterker: wij hebben het gevoel te falen in de eigen goddelijkheid.

In zijn nieuwe encycliek Spe Salvi (’In de hoop zijn we gered’) waarschuwt paus Benedictus XVI voor een individualistische opvatting van de hoop: ’een hoop voor alleen mijzelf, die geen echte hoop is omdat hij andere mensen vergeet’. Dat het lijden zo in tegenspraak lijkt met de hoop is volgens hem verklaarbaar: wij mensen kunnen het lijden beperken en ertegen strijden, maar uitroeien niet, omdat wij niet in staat zijn onze eindigheid van ons af te schudden. De echte menselijkheid van individu en samenleving valt af te meten aan de manier waarop zij omgaan met het lijden en degene die lijdt. Een maatschappij die zijn lijdende leden niet kan aanvaarden en niet in staat is hun lijden te delen is een ’wrede en onmenselijke’ samenleving, aldus Benedictus XVI.

Is deze boodschap van de religieuze hoop als het enige echte middel dat standhoudt tegen alle teleurstellingen, niet een rustgevende gedachte? Tegen pessimisten mag ik ook graag de uitspraak van Maarten Luther aanhalen: ’Als morgen het koninkrijk aanbreekt, plant ik vandaag een appelboom.’ Leven met de verwachting van de komst van Christus hoeft nog geen wereldvreemd mens van je te maken. Angst, hoop en actie voor het goede hoeven elkaar niet uit te sluiten.

Dat de overdosis schaamte en schuld in deze goddeloze wereld ook de oprecht milieubewuste mens soms te veel wordt, bewijst het succes van de Duitse chemicus en voormalig Greenpeace-activist Michael Braungart en zijn concept van Cradle to Cradle: alles zo produceren dat het totaal afbreekbaar is. Hij wordt wel de goeroe zonder schuldgevoel genoemd. Hiermee is Braungart de opgewektere variant van doemprediker Al Gore, die iedereen vooral oproept tot matiging.

Vorige maand zei Braungart, op triomftocht door Nederland, in De Pers: „Zodra het milieu ter sprake komt, wordt ons een schuldgevoel aangepraat. Je voelt je bijna schuldig dat je überhaupt op deze planeet rondloopt. Onzin. Alsof het zou helpen als ik mezelf zou doodschieten. Ook in dat geval komen er trouwens schadelijke stoffen vrij. Alles moet naar nul. Maar hoe kun je nou je menszijn tot nul reduceren? Dat soort schuldcomplexen en vooral ook de angst die dit met zich meebrengt, zijn funest voor de creativiteit die je juist nodig hebt om intelligente oplossingen aan te dragen.”

Braungart gaat uit van de vraag waarin we beter kunnen zijn. Zijn van-wieg-tot-wieg-denken herinnert eindelijk weer eens aan dat optimisme van Atomium en Evoluon van bijna een halve eeuw geleden. De overal gesignaleerde teruggang van het ik-gevoel en de opleving van religiositeit – veelal niet-kerks, dat wel – rechtvaardigen het vermoeden dat er weer licht komt in de depressieve duisternis.

Daar is het ook de tijd voor. Het is tenslotte Advent.

Henri Beunders is hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden