De aanvankelijke lieveling Haat behoeft een motief

Waar komt Jodenhaat vandaan? Herman M. van Praag onderzoekt de geschiedenis van een hardnekkig fenomeen en hij trekt de lijn door naar de impopulariteit van de Joodse staat. „De rabiate kritiek op Israël mist in veel gevallen rationele gronden.”

Haat is het gevoel van diepe afkeer en vijandigheid dat een individu koestert jegens een bepaald individu, een bepaalde groep van individuen of een bepaalde instantie. Het woord ’bepaald’ is hier essentieel. Haat behoeft een focus. Is die niet voorhanden, dan moet je er een zoeken of creëren.

Ik noem haat normaal als er een gerede aanleiding voor bestaat en als aanleiding en reactie in proportie zijn. Ik kwalificeer haat als abnormaal als er voor de haatgevoelens geen motief, althans geen rationeel motief bestaat. Abnormale haat persisteert – vaak een leven lang. De intensiteit ervan wisselt, maar verdwijnen doet deze zelden omdat abnormale haat nooit afdoende te bevredigen valt. Vernedering, vervolging of liquidatie van het gehate object – in concreto of, als de omstandigheden dat inopportuun maken, in gedachten – geven slechts tijdelijk een gevoel van opluchting. De destructielust keert terug.

In dat opzicht komt haat overeen met seksuele drift. De geslachtsdaad verschaft bevrediging, maar alleen voor het moment. Na korte of langere tijd keert de seksuele behoefte weerom.

Haat kan een machtig vernietigingswapen zijn. In de westerse wereld is Jodenhaat hiervan een prototypisch voorbeeld. Ik spreek van Jodenhaat, niet van antisemitisme. Het verschijnsel heeft niets van doen met semieten, alles met Joden.

Jodenhaat is wat Robert S. Wistrich noemde ’the longest hatred’. Het verschijnsel deed zich al voor in de klassieke Oudheid. In de periode van de Tweede Tempel vestigden grote groepen Joden zich buiten Juda. Steden als Rome en Alexandrië kenden omvangrijke Joodse gemeenschappen. Zij definieerden zich niet naar het land van herkomst, als Judeeërs dus, maar naar hun geloof, als Joden. Zij aanbaden één God en beschouwden aanbidding van het Grieks-Romeinse pantheon als verwerpelijke afgoderij. Dat standpunt kon destijds op geen sympathie rekenen. Apion, een Griekse Alexandrijn, schreef volgens Flavius Josephus: „Als zij staatsburgers zijn [van Alexandrië] waarom vereren zij dan niet dezelfde goden als de Alexandrijnen?”

Daar kwam nog bij dat de Jood die ene God opvatte als een ethisch Wezen dat hem een moraalcode oplegde die strijdig was met zowat alles wat destijds als gangbaar gold. De ander moest behandeld worden als jouws gelijke, ongeacht diens antecedenten. Ook hem waren van Hogerhand zeer bepaalde rechten toegekend. Die leefregels waren ongehoord en wekten intense weerstanden op.

Bovendien speelde mee dat Joden in betrekkelijk gesloten gemeenschappen leefden. Zij waren in het dagelijkse leven gehouden aan allerlei voorschriften. De betekenis hiervan werd niet begrepen. Zij leken het leven alleen maar gecompliceerder te maken.

Zo werden Joden de prototypische buitenstaanders – een groepering die weigerde te assimileren. Buitenstaanders wekken wrevel op; wrevel leidt gemakkelijk tot afkeer en afkeer tot haat.

In de gekerstende wereld nam Jodenhaat destructieve vormen aan. De Joden hadden inmiddels hun land verloren, waren over de hele wereld verspreid geraakt en vormden overal een kleine, fysiek weerloze minderheid.

Psychisch hielden zij stand. Zij weigerden de christelijke meerderheidsideologie te aanvaarden, achtte die op een aantal kardinale punten in strijd met hun eigen levensovertuiging.

De Jood ziet in Jezus noch de Nieuwe Adam, noch Gods zoon. Hij erkent geen goddelijke Drie-eenheid. Voor de Jood is God absoluut ondeelbaar, onstoffelijk, niet voorstelbaar in menselijke categorieën. De enige doctrinaire uitspraak over God die de Jood kent ligt besloten in het sjema: ’Hoor Israël, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is één’. Aan die overtuiging valt in geen enkel opzicht te tornen.

De Jood kon in Jezus niet de Messias zien. Die zou een bevrijder zijn, iemand onder wiens leiding het Romeinse juk zou worden afgeworpen. Het davidische koningshuis zou worden hersteld, en er zou een samenleving komen die functioneerde volgens Gods directieven. Zuchtend onder Romeinse tirannie, leek voor de meerderheid van het Joodse volk die tijd nog niet aangebroken.

De Jood kon niet aanvaarden dat Jezus gestorven was voor de zonden van de mensheid. Hij kent noch erkent het principe van de plaatsvervangende boetedoening. Ieder mens is verantwoordelijk voor zijn eigen daden. Als een ander onrecht is aangedaan kan alleen een compenserende daad tot vergiffenis van de dader voeren.

De Jood verwerpt de idee dat de mens alleen verlost kan worden door liefde voor en geloof in Jezus. Paulus stelde dat het volgen van de Thora in deze geen rol meer speelde. Dat klinkt de Jood godlasterlijk in de oren. Ook wijst hij de leerstelling af dat de mens alleen via de Zoon tot de Vader zou kunnen komen. De Jood stelt de daad primair, niet het geloof. Het is de goede daad die welbehagen vindt in Gods oog. Daar is geen intermediair voor nodig. Ieder mens kan rechtstreeks tot God toegang krijgen en zijn genade deelachtig worden.

De christen meende dat de Jood voor God had afgedaan. Hij had Gods zoon afgewezen, vermoord zelfs. Niet uit onbegrip, maar uit ongeloof. Om die reden zou God het verbond met de Joden hebben verbroken. Die speciale relatie was nu overgegaan op de kerk. Die was het Nieuwe Israël geworden. Het Oude Testament was achterhaald door het Nieuwe. De zondige mens kon nu in Jezus genade vinden.

Voor de Jood waren die uitspraken als vloeken in de synagoge. Voor de christenen was de verwerping van hun leerstellingen godslasterlijk. De Jood werd langzamerhand de incarnatie van een valse leer; letterlijk een trawant van de duivel. Een sujet dat je zonder schroom mocht haten.

De leefwijze van de Jood versterkte die afkeer. Hij wenste z’n strikt opgelegde leefwijze te handhaven. Maatschappelijk isolement wekt behalve afkeer ook achterdocht op, en achterdocht op zijn beurt verdachtmaking. De Jood zou de niet-Joodse wereld corrumperen. Zo zou hij ziekten verspreiden en christenkinderen vermoorden om met hun bloed matses te bereiden.

De Jood werd voorts geïdentificeerd met geld. Dat was een self-fulfilling observation. Uitgesloten van de meeste beroepen, bleef de Jood eeuwenlang niet veel anders over dan de (geld)handel. In de periode dat het christenen verboden was geld uit te lenen tegen rente, was dit de Joden wél toegestaan. Geldhandel werd beschouwd als improductieve arbeid. Later namen christenen het beroep van bankier over en kreeg het aanzien. De Jood restte de rol van lommerdhouder en kleine handelaar. Maatschappelijk gezien bleef hij een parasiet, en zijn natuur was die van de slimme – of beter: geslepen – woekeraar, van de graaier, van de onscrupuleuze geldwolf.

Er bestond nog een andere reden voor argwaan. In de vele landen waar Joden zich tijdens de verstrooiing vestigden, organiseerden zij democratische vormen van zelfbestuur. De bestuurders werden gekozen, de rechten van het individu erkend en beschermd; er bestond een onafhankelijke rechterlijke macht met grote bevoegdheden op vrijwel alle terreinen van het dagelijkse leven. Zorg verschaffen aan hen die zorg behoeven had een hoge prioriteit en werd tot op zekere hoogte geïnstitutionaliseerd.

Iedere groepering had een stem. De talmoedische traditie van discussie – opinie tegenover opinie, kritische weging van argumenten – werd ook toegepast in het dagelijkse leven. Bij de plaatselijke heersers die gewoonlijk despotisch en autocratisch over hun onderdanen beschikten, viel deze bestuursvorm niet goed.

Een laatste reden voor achterdocht was dat de Joden zichzelf als een volk beschouwden. Zij hielden hardnekkig vast aan hun godsdienst, hun cultuur, hun tradities. Tegelijk moesten zij en wilden zij zich loyaal tonen jegens de overheid van het land waarin zij verbleven. Zij pasten zich aan om te overleven. De rabbijnen steunden die instelling, sterker nog, benadrukten het belang ervan.

De buitenwereld had er weinig begrip voor. De Jood diende kennelijk twee heren en was dus niet te vertrouwen. Hij was een potentiële verrader, overloper, deserteur. Een reden temeer om de Jood te minachten en, een stap verder, te haten.

De Verlichting bracht accentverschuivingen teweeg. Deze intellectuele vernieuwingsbeweging stelde het primaat van kerk en geloof ter discussie, om er vervolgens grotendeels mee te breken. De rede kwam centraal te staan. Impliciet werd aangenomen dat verstand identiek is met gezond verstand. Een misverstand. Verstand kan ook ongezond zijn. Het bewandelt soms irrationele en verwerpelijke wegen.

De houding van nogal wat verlichte geesten jegens Jood en jodendom is hiervan een markant voorbeeld. Je zou verwachten dat zij Jodenhaat zouden hebben doen wegvagen. Dit gebeurde niet. De haat werd in zekere zin aangescherpt. De verzwakking van de theologische basis werd ruimschoots gecompenseerd door de introductie van ’wetenschappelijke’ argumenten. De verderfelijke karaktereigenschappen waarmee Joden behept zouden zijn, heetten nu ’erfelijk bepaald’ te zijn, ingekerfd in de ziel, en dus onontkoombaar. De Jood was niet langer zozeer een godsmoordenaar, een beklagenswaardige die blind was gebleken voor het Eeuwige Licht, maar een geboren boosdoener. Joden werden geacht een ras te zijn, inferieur aan het superieure Arische.

Het beeld komt op van de conspirerende Jood. De Jood als complotteur die achter de schermen werelddominantie nastreeft. Z’n duistere praktijken werden onder meer gedocumenteerd in het beruchte geschrift ’De protocollen van de wijzen van Zion’, een eind negentiende eeuw in Rusland gefabriceerd verslag van een geheime bijeenkomst waarin Joden debatteren over hoe ze de wereldmacht kunnen grijpen en de christelijke beschaving verwoesten. Zij zouden over een uitgebreid internationaal netwerk beschikken, geleid door genoemde wijzen.

Een moderne, verfijnde versie van deze complottheorie is die over de ’Joodse lobby’: Joden beheersen de beurs, de media, het filmwezen, en spelen achter de schermen een dominante rol in de internationale politiek.

De negentiende eeuw was een tijdperk van enorme sociale beroering. Het industrialisatieproces nam een aanvang, de technologische vooruitgang kwam in een stroomversnelling, het liberale gedachtegoed met z’n roep om vrijheid voor ieder individu drong in alle lagen van de bevolking door. De adel verloor aan macht, de kerk aan invloed, de hechte familiestructuur begon zich te ontrafelen. Genoeg redenen dus voor gevoelens van onrust en onlust. Er ontstond grote behoefte aan een zondebok. Er lag er één voor het grijpen, een oude bekende zelfs: de eeuwig wandelende Jood.

Terwijl voorheen de Jood gered kon worden door zich tot het christendom te bekeren, werd die mogelijkheid in het verlichte tijdperk afgesneden. De Jood werd een geslepen, onbetrouwbaar, geld-en machtsbelust sujet. Met de Verlichting veranderde geleidelijk de verpakking van de Jodenhaat. De inhoud van het pakket bleef nagenoeg ongewijzigd.

Racistisch gemotiveerde Jodenhaat leidde uiteindelijk tot de grootste misdaad aller tijden: de systematische, fabrieksmatige uitroeiing van zes miljoen onschuldigen. Nadien was het begrip ras niet meer bon ton. Het werd én politiek én sociaal incorrect om van het Joodse ras te spreken. Maar haat behoeft een motief, ook Jodenhaat. Er diende zich spoedig één aan.

In 1948 werd de staat Israël opgericht. De (westerse) wereld keek aanvankelijk verbaasd en met bewondering toe. Wat een prestatie! Er leek een andere Jood te zijn verrezen: zelfbewust en zelfverzekerd, weerbaar, tegelijk landbouwer en krijger die, schop in de hand en geweer over de schouder, zijn lot in eigen hand nam en niet langer afwachtte wat anderen voor hem in petto hadden. Hij spreidde bravoure ten toon, panache. Wat een verschil met de oude Jood: de vermolmde boekenwurm, de geldfanaat, de gewiekste maar onbetrouwbare handelspartner, de carnavaleske figuur met lange lokken, zwarte jas en hoed of bontmuts, die meent dat deze uitdossing God behaagt.

De Israëliër leek alles te hebben wat de oude Jood geacht werd te missen. Hij wekte een golf van sympathie op. En Israël werd de lieveling van de westerse wereld. Het Westen keek ernaar zoals een oudoom naar zijn pasgeboren achterneefje kijkt: wat een schattig kind. Zo weerloos, zo klein nog, en het kijkt al zo helder uit zijn oogjes. En merkwaardig, het lijkt helemaal niet op zijn ouders.

Maar al gauw bleek de liefde niet diep te gaan en vluchtig te zijn. Het was apenliefde. Israël werd het mikpunt van multipele beschuldigingen: kolonialisme, racisme, expansionisme, mensenrechtenschending, nazisme en wat al niet. De aanvankelijke lieveling werd door de wereldgemeenschap misvormd tot een zwart schaap met nog maar weinig witte plekjes.

Gangmakers waren de Arabische overheden in de omringende staten en op de Westbank. De aanwezigheid van een groeiende Joodse gemeenschap in het land ten westen van de Jordaan werd door hen nooit geaccepteerd, laat staan de heroprichting van de Joodse staat aldaar in 1948. De Joden brachten het gebied tot ontwikkeling en hoopten op erkentelijkheid van de bewoners ter plaatse. Het tegendeel was het geval.

Arabieren zagen hen als nazaten van de vroegere koloniale overheersers. En nog vele andere factoren voedden de haat die de islamitische, en in het bijzonder de Arabische wereld tegen het Joodse land en z’n inwoners koesterden. Economisch, militair, wetenschappelijk werd Israël een successtory – ondanks de aanvallen die het te verduren kreeg, ondanks de miljoenen, merendeels berooide vluchtelingen die het absorbeerde. Schril was de tegenstelling met de stagnatie op vrijwel elk terrein die het Midden-Oosten al eeuwenlang kenmerkte. Naijver was het gevolg, versterkt door het feit dat het succes bereikt werd door vertegenwoordigers van een inferieure godsdienst, door lieden die in de Arabische wereld alleen getolereerd werden als dhimmi’s, als tweederangsburgers.

Er waren nog andere motieven die de haat aanwakkerden. Yasser Arafat, leider van de PLO, wist bij de Arabische bewoners op de Westbank krachtige nationale gevoelens op te wekken. Vóór zijn bewind bestond er geen beweging die een zelfstandige Arabische staat, Palestina, nastreefde. Arafat maakte het tot een speerpunt van zijn beleid: een onafhankelijke Palestijnse staat op de Westbank en de Gazastrook met Jeruzalem (of delen ervan) als hoofdstad, gecombineerd met het recht van de (afstammelingen van de) Arabische vluchtelingen uit 1947-1948 zich weer in Israël te vestigen.

Zijn hoop dat de grenzen van dat land eens zouden reiken tot aan de Middellandse Zee was nauwelijks verholen. Vernietiging van de staat Israël bleef de doelstelling van Fatah, Arafats machtsbasis.

Ten slotte was het religie die haat genereerde. Als laatste genoemd, maar het is de voornaamste bron. Voor de gelovige moslim heeft God zijn opvattingen over mens en samenleving geperfectioneerd in de islam. Jodendom en christendom zijn achterhaald. De wereld moet geregeerd en gestructureerd worden volgens de wetten van de islam.

Zijn ideaal is de oemma: één grote internationale gemeenschap van moslims, centraal geleid volgens theocratische richtlijnen. In dat domein is geen volwaardige plaats ingeruimd voor wat spiritueel gezien buitenstaanders zijn. Die worden op zijn best getolereerd. Het domein van de oemma moet worden uitgebreid, zo mogelijk langs vreedzame (bijvoorbeeld demografische) weg, eventueel met minder vreedzame middelen. In dit wereldbeeld is de Jodenstaat een vreemd lichaam dat koste wat kost moet worden afgestoten.

De Arabische staten en de Palestijnen voerden hun strijd met militaire en met psychologische middelen. De eerste strategie faalde, de tweede was succesvol. Hun methode was die van het systematisch verspreiden van misinformatie, met de expliciete bedoeling Israël in diskrediet te brengen en te delegitimeren. Ik beperk mij hier tot één enkel voorbeeld.

De Westbank is veroverd gebied, zo heet het. En Israël een bezetter. De Joodse nederzettingen aldaar zijn illegaal: het zijn kolonies, hun bewoners kolonisten.

De feiten liggen anders.

In de Balfour Declaratie van 1917 werd door de Britse regering de stichting van een Joods Nationaal Tehuis in Palestina in het vooruitzicht gesteld. In 1920 werd het verdrag van San Remo gesloten, waarin de toenmalige grootmachten de mandaten regelden over de gebieden die tot het verslagen Ottomaanse rijk hadden behoord. Engeland werd de mandataris over het Joods Nationaal Tehuis. De besluiten van San Remo werden in 1922 door de Volkerenbond bekrachtigd en daarmee volkenrechtelijk gelegitimeerd.

Het Joods Nationaal Tehuis omvatte de gebieden die tegenwoordig Israël, Westbank en Jordanië heten. Onder Arabische druk werd hiervan in 1923 door Engeland eigenhandig, dus zonder internationale toestemming, het gebied ten Oosten van de Jordaan afgesplitst en onder Arabisch gezag geplaatst. Het kreeg de naam Transjordanië. Joden mochten zich er niet vestigen. Als Joods Nationaal Tehuis bleef het gebied ten westen van de Jordaan over, eenderde van het oorspronkelijke gebied.

In 1948 verklaarde die Joodse gemeenschap zich onafhankelijk. Onmiddellijk na de uitroeping van de staat Israël werd het land door vijf Arabische staten aangevallen en met totale vernietiging bedreigd. Die opzet mislukte. In 1949 kwam er een staakt-het-vuren tot stand. De wapenstilstandslijn (later ’groene lijn’) werd de volstrekt toevallige grens tussen wat tegenwoordig Westbank heet en Israël.

De Westbank en Oost-Jeruzalem bleven bezet door Transjordanië, de Gazastrook door Egypte. Transjordanië noemt zichzelf sindsdien Jordanië. Alle sporen van Joodse aanwezigheid worden er uitgewist: nederzettingen worden vernietigd, de Joodse wijk in het oude Jeruzalem wordt met de grond gelijk gemaakt, de grafstenen van de oude Joodse begraafplaats op de Olijfberg worden voor wegenbouw gebruikt. Het gebied werd voor Joden verboden verklaard.

In 1967 werd Israël door de verenigde legers van Egypte en Syrië, zwaar bewapend door de Sovjet-Unie, opnieuw met vernietiging bedreigd. Jordanië sloot zich bij de alliantie aan. Israël grijpt preventief in en overwint. Het kreeg zo de Westbank, Oost-Jeruzalem en Gaza weer in handen.

Dit gebied werd heroverd, niet veroverd. Zeker, Israël was in 1947, in tegenstelling tot de Arabieren, akkoord gegaan met het voor Israël zeer ongunstige verdelingsplan van de Verenigde Naties. Dat kon ook nauwelijks anders. Het land was toentertijd zwak. Het was gedwongen zich tevreden te stellen met wat de wereld bereid was hem toe te schuiven. Die omstandigheden laten de volgende feiten onverlet.

De Westbank had het hart gevormd van het oude Juda. Het gebied maakte deel uit van het territoor dat door de Volkerenbond als het Joods Nationaal Tehuis was erkend. Op z’n minst genomen, zou je zeggen, zouden zich in dit gebied dus Joden mogen vestigen. Ik meen dan ook dat de nederzettingen op de Westbank niet illegaal zijn en dat hun bewoners geen ’kolonisten’ kunnen worden genoemd, in de negatieve betekenis die die term gekregen heeft. Het zijn bewoners van de Westbank, zo goed als de daar levende Arabieren.

In Israël leven circa 1,2 miljoen Arabieren, veilig en beschermd. Zij dragen een Israëlisch paspoort en bezitten vrijwel alle burgerrechten. Arabisch is in Israël de tweede officiële taal. Waarom zouden er geen 220.000 Joden op de Westbank kunnen wonen, ook als dat gebied een onafhankelijke Arabische staat zou worden?

Praktisch gesproken – de animositeit van de Arabieren jegens ’zionisten’ in aanmerking genomen – is het nederzettingenbeleid van Israël hoogst onverstandig geweest. Het heeft de oplossing van het probleem uiterst bemoeilijkt. Evacuatie zou tot burgeroorlog kunnen leiden, niet-evacueren tot verdere chronificering van het conflict. Nederzettingen op de Westbank hadden in mijn ogen beperkt moeten blijven tot die locaties die, uit militair oogpunt, onontbeerlijk waren.

Dit alles neemt niet weg dat de Westbank, in principe, een rechtmatige locatie is voor Joodse vestiging.

In de Arabische wereld gaan haat tegen Israël en Jodenhaat moeiteloos in elkaar over. Het zijn Siamese tweelingen. Maar de niet-Arabische islamitische wereld en ook het Westen blijken voor dit soort propaganda niet immuun te zijn. De neiging bestaat de Arabische visie op Israël voor zoete koek aan te nemen – niet zelden met een zekere gretigheid, ik bedoel: zonder kritische weging. Zo nam in de afgelopen drie tot vier decennia de afkeer van Israël toe, een afkeer die zich soms verdichtte tot destructieve haat.

Afkeer van Israël betitel ik als Zion’s haat, niet als Israëlhaat. Zion is de naam van een van de bergen waarop Jeruzalem werd gebouwd. De term dijde uit tot een dubbelbegrip. Het staat zowel voor de huidige staat Israël als voor het Beloofde Land in zijn mythische aankleding. Zion werd na de verwoesting van de Tweede Tempel in het jaar 70 hét symbool van de hoop op verlossing, verlossing uit de ellende waarin het Joodse volk eeuwenlang verkeerde. Zion was het land waar de Eeuwige de Joden eens zou terugvoeren en waar zij onder Gods vleugelen in vrijheid zouden kunnen leven. De synagogale diensten zijn van die hoop vervuld. De Sederavond die het Joodse Paasfeest inluidt, eindigt met de woorden: het volgend jaar in Jeruzalem. God zei tegen Abraham: „Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen.” Die opdracht is nooit vergeten.

Zion’s haat wordt gewoonlijk afgedekt met woorden als: „Ik mag toch wel kritiek hebben op Israël.” Inderdaad, kritiek mag. Zakelijke kritiek, kritiek die op feiten berust.

Geschiedvervalsing mag niet. ’Feiten’ fabriceren of opzettelijk verdraaien om kritiek aan te moedigen mag niet. Feiten decontextualiseren – beoordelen los van de omstandigheden waaronder ze plaats vonden – mag niet. Selectief verontwaardigd zijn – de splinter zien in Israëls oog, maar voorbijzien aan de balk in het oog van andere naties – mag niet. Als dit alles wel gebeurt, ontaardt kritiek in smaad die mensen ophitst, niet zozeer tegen een bepaalde politiek, maar tegen een volk wiens regering die politiek voorstaat.

Het is precies dát wat in het geval van Israël gebeurt. De rabiate kritiek op Israël mist in veel gevallen rationele gronden. Er siepelt nogal eens haat doorheen. Niet zo overvloedig als in de Arabische wereld, meer mondjesmaat en verdekt, maar herkenbaar.

Israël is noch kolonialistisch, noch expansionistisch, noch racistisch, noch terroristisch. Het heeft zich niet intransigent betoond om tot een oplossing te komen van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Het handhaaft burgerrechten tot het maximum dat het zich onder de gegeven omstandigheden kan veroorloven.

Die omstandigheden houden in dat Israël een land is dat al sinds z’n oprichting met vernietiging wordt bedreigd, wiens bevolking al sinds het ontstaan van het Joods Nationaal Tehuis blootstaat aan georganiseerde terreur, een land dat door talloze landen niet als legitiem wordt erkend, dat door de Verenigde Naties al jarenlang op z’n best als outsider wordt behandeld en dat uit de christelijke wereld, waarvan het toch de moederschoot is, maar bitter weinig steun krijgt – denk aan het gedrag van het Vaticaan en van de Wereldraad van Kerken.

Gezien die omstandigheden gedraagt Israël zich met bewonderenswaardige kalmte en zelfbeheersing. Israëls voornaamste wandaad is dat het hardnekkig vasthoudt aan zijn recht te bestaan. Te bestaan als Joodse staat, zoals dat ook uitdrukkelijk in de onafhankelijkheidsverklaring van 1948 is geformuleerd. Te bestaan daar waar zijn bakermat ligt.

Het land is bereid tot compromissen, maar stelt grenzen. Het cijfert zichzelf niet weg. Het heeft geen zelfdestructieve neigingen.

Wat drijft afkeer jegens het moderne Zion aan? Dergelijke processen komen niet uit de lucht vallen. Ze behoeven een ontstekingsmechanisme, een bij voorbaat gegeven instelling die ze in beweging zet. Ik bedoel een instelling die al bestond voordat Zion herrees en die ook zou bestaan als Zion niet herrezen zou zijn. Een soort onderbuikgevoel dus.

In mijn optiek betreft Zion’s haat niet zozeer de abstracte staat, maar de inwoners van die staat: zijn substantie. Die inwoners identificeren zich als Joden. Jodenhaat is de grondhouding die de misvormende processen in gang zet. Niet Israël wordt gehaat, de Jodenstaat wordt gehaat. Jodenhaat en Zion’s haat zijn te onderscheiden, niet te scheiden. Intuïtieve Jodenhaat drukt zich uit in Zion’s haat. Zion’s haat induceert Jodenhaat.

De staat Israël is de hedendaagse incarnatie van Zion. Afkeer van Zion leidt onherroepelijk tot afschuw van hen die Zion weer tot een levende realiteit maken. Ofwel van de Jood. Van ’de zionist’.

Jodenhaat culmineerde uiteindelijk in genocide, uitgevoerd door een staat die als toppunt van Europese beschaving gold. Andere staten uit dit cultuurgebied werkten mee, zagen toe of wendden het hoofd af. Het effect van Zion’s haat kan, als het de vrije teugel krijgt, dienovereenkomstig zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden