Datakoempel zet nieuw Heerlen op de kaart

Vijftig jaar geleden kondigde Joop den Uyl de sluiting van de Limburgse steenkoolmijnen aan. De kleinkinderen van de mijnwerkers proberen Heerlen nieuw elan te geven. Oude koempels houden de geschiedenis levend.

Met een rotgevoel zat oud-wethouder Riet de Wit december vorig jaar in de schouwburg in Heerlen. Het was de opening van het Jaar van de Mijnen. Acteurs speelden hoe Joop den Uyl precies vijftig jaar geleden het einde aankondigde van de steenkolenmijnen en alle mijnwerkers vervangend werk beloofde. Frans Timmermans hield een toespraak. De Wit hoorde het aan en dacht: wat hebben jullie eigenlijk gedaan toen de wond van de mijnsluiting het meest pijn deed, toen oud-mijnwerkers moesten vechten voor hun pensioen en de erkenning van stoflongen? Waar waren jullie toen Heerlen verpauperde tot een stad voor junks en een kansloze kaste van werklozen?

Met 'jullie' doelt De Wit op de bestuurders, de elite die ook afgelopen december goed was vertegenwoordigd in de schouwburgzaal. Eigenlijk hoort De Wit zelf ook tot de elite. Twintig jaar was ze namens de SP wethouder en gemeenteraadslid in Heerlen. "Het zou niet om de bobo's moeten draaien", dacht ze, "maar om de mijnwerkers zelf."

Zij waren het die in warme gangen met weinig zuurstof het zware werk deden. En, misschien nog belangrijker, na de sluiting werden 'afgedankt' in de WAO of sociale werkvoorziening. Dat leidde tot een ontwrichting die nog altijd zichtbaar is. "Je ziet het in de buurten waar kinderen opgroeien met weinig ambitie", zegt De Wit. "Waarom zou je studeren als het toch tot niets leidt? Gaat het over scholing, inkomens, gezondheid en tienermoeders, dan steken wij nog altijd negatief af tegen het landelijk gemiddelde."

Drugs, nog zo'n probleem waar Heerlen de afgelopen decennia tegen vocht. De Wit vertelt er over als ze door de binnenstad loopt en op een smal straatje wijst. "Hier lag het tot 2005 vol met verslaafden. Jongens van de streek, aangevuld met junks uit het buitenland."

De junks zijn verdwenen. Ze kregen een woning, kickten af in opvangcentra of vertrokken naar elders. De binnenstad is weer 'schoon'. Maar wat rest er nog van de plaats die niet lang geleden tot een van de rijkste in Nederland behoorde? In Heerlen is het te stil in de winkelstraten. Er staan te veel kartonnen dozen in de etalages van verlaten winkelpanden.

Dat kan een gelegenheid zijn om eens anders naar de binnenstad te kijken. Leegstand is geen Heerlens probleem. Op de lege plekken komen niet overal nieuwe winkels, denkt De Wit. "Daarom zetten we in op kleine bedrijfjes die zich in de binnenstad vestigen." Zo zitten net achter het voormalige verslaafdensteegje drie ondernemingen waar twintigers achter bureaus zitten. Het zijn websitedesigners en app-ontwikkelaars, bedrijven die Heerlen steeds beter weten te vinden. De afgelopen jaren zijn er meer dan honderd bijgekomen. "Van alle Limburgse steden is Heerlen de enige stad waar het aantal startende bedrijven niet is gedaald."

Het is het elan van de nieuwe generatie Heerlenaren. De oud-mijnwerkers en hun kinderen maken ruimte voor de kleinkinderen, een generatie die het heeft gehad met de treurnis. Schouders eronder, leve de 'koempelmentaliteit', zeggen zij.

Dat woord, koempel, is bezig aan een tweede leven in de voormalige mijnstreek. Het is Limburgs voor mijnwerker. Daar past een mentaliteit bij van 'niet lullen, maar poetsen'.

Nu het werk nog. Dat moet komen uit de zogeheten Smart Services Hub, een project waar Heerlen hoge verwachtingen van heeft. Na de mijnsluiting verhuisden onder meer het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Belastingdienst naar Heerlen. Deze organisaties draaien om data. En data is 'de steenkool van deze tijd', zegt John Slots van Smart Services Hub.

Hij is de aanjager van het project waarin achttien bedrijven en instellingen samenwerken. Behalve het CBS en de Belastingdienst zijn dat onder meer de Universiteit Maastricht, Zuyd Hogeschool, de Open Universiteit, pensioenuitvoerder APG, Rabobank en hypotheekverstrekker Obvion.

"De financieel-administratieve hoek is de kracht van deze regio", zegt Slots. De samenwerking van de achttien organisaties moet leiden tot een 'kennisnetwerk met internationale uitstraling' waaruit nieuwe bedrijven ontstaan.

Bedrijven als LARKinfolab bijvoorbeeld, opgericht door een oud-medewerker van AZL Vermogensbeheer. Hij houdt zich bezig met datavisualisaties; tabellen omzetten in heldere grafieken, wat weer interessant kan zijn voor organisaties die veel met cijfers en tabellen werken, zoals het CBS, Obvion en de Rabobank.

Oud-wethouder De Wit ziet het tevreden aan. Al is ze ook niet blind voor de straten waar de pijn van de mijnsluiting nog wel voelbaar is. "Daar is vooral het geloof in de overheid volledig weg."

Dat is deels de verklaring voor het succes van partijen als de PVV en SP. De socialisten zijn zelfs de grootste partij in de gemeenteraad en al jaren lid van het college. Wat de SP doet om de armoede te doorbreken? "Vooral investeren in jongeren", vertelt De Wit. "Door bijvoorbeeld hun schulden te 'adopteren'. Wie schuld heeft, krijgt geen studiefinanciering. Met onze hulp krijgen ze die financiering wel en kunnen ze studeren. Halen zij hun diploma en blijven zij een jaar lang uit een uitkering, dan schelden we de jongere zijn schuld kwijt. Houd je je niet aan de afspraak, dan krijg je hem volledig terug."

Het doel is terug naar school of aan het werk, stelt De Wit. En dat betaalt zich uit. Steeds minder jongeren verlaten school zonder diploma en de jeugdwerkloosheid daalt naar het landelijk gemiddelde, zo blijkt uit cijfers van het CBS, gevestigd in Heerlen.

'De mijnbouw was een supergoede industrie'

De laatste keer dat Wiel Niks uit Ubachsberg naar boven kwam, was hij twee uur te vroeg. Hij zat, in 1974, bij de allerlaatste ploeg in de kolenmijnen. Samen met drie collega's stapte hij uit de schachtlift en liep hij de inspecteur tegen het lijf; geen man die je tegensprak. "Jullie zijn te vroeg!", bulderde de inspecteur. "Ik zal jullie eigenlijk moeten beboeten." Het maakte geen indruk meer. Niks en zijn collega's gingen naar huis, de mijnen gingen voorgoed dicht. Dat was op een vrijdag. Drie dagen later zou Niks beginnen aan zijn nieuwe baan als manager bij pensioenfonds ABP.

"Daar heb ik dertig jaar gewerkt, maar echt naar mijn zin heb ik het er nooit gekregen", vertelt de 71-jarige Niks, die zestien jaar ondergronds doorbracht. "Ik was gewend aan zelfstandig denken en werken en kwam terecht op een kantoor waar we drie keer moesten vergaderen als ik iets van hier naar daar wilde verplaatsen. Nou ja, dat is overdreven, maar je begrijpt wat ik bedoel. Soms zei ik daar iets van. Maar dan was het al snel: ach, onze kolenpiet weet het weer beter."

"De verantwoording die je onder de grond had, was ook veel groter", vult de 78-jarige Frans Thelen uit Heerlen aan. Hij werkte 21 jaar onder de grond. "Daar ging het over leven en dood."

Thelen en Niks werkten als toezichthouder in de Oranje Nassau I waar bijna 32 miljoen ton steenkool naar boven kwam. Van deze mijn staan nog twee gebouwtjes overeind. Thelen en Niks hebben deze gebouwen in gebruik genomen voor het Mijnmuseum waar zij de initiatiefnemers van zijn. Dat is nodig ook, vinden zij, want het verleden dreigt te verdwijnen nu de laatste mijnwerkers op leeftijd raken.

Gebouwen, schachten en schoorstenen zijn er nauwelijks nog. Alles ging kort na de sluiting tegen de vlakte, alsof het een schande was dat Zuid-Limburg zich ooit met die vieze, vervuilende zwarte rotzooi had beziggehouden. Het was een schending van de nagedachtenis die de mijnwerkers pijn deed, zeggen Niks en Thelen.

"Zelfs de naam mijnstreek moest verdwijnen", zegt Thelen. "Daarom heten we nu Parkstad. Je moet in België eens kijken, of in het Ruhrgebied. Daar is men wel trots op de geschiedenis."

Niks: "In Duitsland vinden elk jaar parades plaats. Dan zie je echt de trots van die omgeving en de mijnwerkers."

Thelen: "Ja, de Duitsers. Maar die lopen dan ook graag in uniform."

Niks: "Hier wordt de mijngeschiedenis weggeduwd door bestuurders. Zij willen het verhaal van de mijnen zelf vertellen, maar weten er niets van."

Niks en Thelen voelen zich in de steek gelaten door bestuurders. En door de pensioenfondsen voor mijnwerkers en mijnbeambten die toch al 'miserabele' pensioenen verstrekten. De mijnfondsen stoppen ermee. Ze dragen 950 miljoen euro aan mijngeld over aan Aegon, dat de pensioenen eenmalig verhoogt met 8 tot 10 procent. Mooi, maar niet voldoende om de indexatie-achterstand die oploopt to 20 procent te compenseren, bromt Niks. Daarbij zal Aegon de pensioenen niet meer aanpassen aan de inflatie, waardoor de uitkeringen elk jaar aan waarde verliezen.

Eigenlijk begon de teleurstelling in de overheid al bij Joop den Uyl, die in 1965 als minister van economische zaken elke mijnwerker vervangend werk beloofde. Voor velen bleek het uit te draaien op een enkeltje uitkering.

Dat zorgde voor een enorme ontwrichting. Niet alleen het werk verdween, maar ook de culturele verenigingen die werden gesponsord door de mijnen, en de sociale structuren. De mijn, daar hoorde je bij, dat was deel van je identiteit. Ook de rol van de katholieke kerk veranderde. De band tussen bisschop en mijndirecteur was altijd een innige geweest. Na de mijnsluiting verslapte de katholieke greep waardoor ook het 'geestelijk leven' geen houvast meer bood.

Zo ontspoorden de stad en haar inwoners. De kinderen van de mijnwerkers erfden een cultuur van cynisme, armoede en werkloosheid. Net als in de film 'Gluckauf' die momenteel in filmhuizen draait. Gluckauf is van oorsprong een Duitse mijnwerkersgroet en betekent 'kom weer goed boven'. Het laatste is niet van toepassing op de twee hoofdrolspelers in de film; een zoon en kleinzoon van een mijnwerker die met kleine criminaliteit in hun levensonderhoud voorzien.

Thelen heeft de film gezien. "Daar is niets Limburgs aan. Het gaat niet eens over mijnwerkers. Ik ken mensen die daar echt aanstoot aan nemen."

Scènes uit de mijnen zijn in 'Gluckauf' inderdaad op de vingers van een hand te tellen. Toch laat de film met een beetje goede wil zien dat de aandacht voor het mijnverleden toeneemt. Onderzoeksjournalist bij NRC Handelsblad Joep Dohmen schreef het boek 'De geur van kolen' en ook 'Buitenhof'-presentatrice Marcia Luyten is bezig met een boek over het mijnverleden.

Dohmen en Luyten zijn van de eerste generatie na de mijnwerkers. Die willen over het algemeen het verleden juist vergeten, zeggen Niks en Thelen. "De interesse is er wel bij onze kleinkinderen", zegt Thelen.

Niks: "Dat zie ik ook. Zij zoeken alles op. Maar mijn eigen zonen zijn sinds het museum bestaat niet één keer langs geweest."

Thelen: "Dat komt dus omdat onze zonen zijn opgegroeid met het idee dat mijnwerk vies was. Echt, dat wil ik benadrukken, de mijnbouw was een supergoede industrie. Het was zwaar, maar we hebben daar projecten gehad waarbij we met de borst vooruit naar boven kwamen. Het heeft Heerlen veel welvaart opgeleverd."

Jaar van de Mijnen

In het Jaar van de Mijnen herdenkt Zuid-Limburg dat minister van economische zaken Joop den Uyl precies vijftig jaar geleden de mijnsluiting aankondigde. Negen jaar later ging de Oranje Nassau I in Heerlen als laatste mijn dicht. Het hele jaar zijn er activiteiten, voorstellingen, lezingen, films en muziek om de mijngeschiedenis te eren. Het zwaartepunt ligt in Heerlen, de stad die het initiatief nam tot het Jaar van de Mijnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden