Dat we met onze ogen alles zien, is een illusie: ‘Feitelijk zien we maar heel weinig’

De Britse kunstenaar Louis Wain (5 augustus 1860-4 juli 1939) was vooral bekend om zijn tekeningen van katten met grote ogen. Later in zijn leven werd hij ziek; men vermoedde schizofrenie. Specialisten waren het daar, ver na zijn dood, niet altijd over eens. Beeld *

Om een beeld van de werkelijkheid te krijgen slaan zintuigen de handen ineen, zegt de kersverse hoogleraar Floris de Lange. Maar toch is die werkelijkheid vaak anders dan hij lijkt. 

Je denkt misschien dat je ziet wat je ogen waarnemen, maar dat klopt niet. “Feitelijk zien we maar heel weinig”, zegt Floris de Lange. Onlangs vertelde hij tijdens zijn oratie op de Radboud ­Universiteit hoe de mens de wereld om zich heen ­ervaart. Het meeste gaat dus langs ons heen. “Dat we een scherpe, kleurrijke wereld zien, is een illusie”, zegt de jonge hoogleraar.

Wat gebeurt er dan wél als we zien?

“Zo’n drie keer per seconde maken we een oogbeweging. Op die manier tasten we continu onze omgeving af. Deze oogsprongen of saccades duren ongeveer 20 milliseconden, het zijn de snelste bewegingen die ons lichaam maakt. In die ultrakorte periode zie je heel even niets. Wil je die oogbewegingen nabootsen, dan zou je in een hoog tempo een camera voortdurend alle kanten op moeten zwaaien, waarbij alleen het midden van je beeld scherp is en de rest heel schimmig. Van al die onrust merken we helemaal niets, integendeel: we denken dat we een stabiel beeld van de wereld hebben.

“Ook denken we dat we de wereld scherp zien, maar in feite zien we maar een puntje heel scherp. Kleiner dan 2 procent van het totale gezichtsveld. De randen daaromheen zijn wazig en worden door onze hersenen ingevuld op grond van eerdere ervaringen.”

Dat is handig?

“Ontzettend handig. Omdat het visuele systeem een geheugen heeft, kunnen we sneller zien. Als alles ongeveer klopt met je herinneringen, hoef je de boel niet te analyseren en weet je al op basis van een beetje informatie dat het wel in orde is. Dat stelt je in staat om je te ­focussen op de dingen die niet overeenkomen met je verwachtingen.”

Als onze hersenen de rest van het beeld aanvullen, betekent dat dan ook dat we niet allemaal hetzelfde zien als we naar hetzelfde kijken?

“De Russische psychiater Alfred Yarbus, die halverwege de vorige eeuw onderzoek deed naar oogbewegingen, liet mensen naar een identieke afbeelding kijken, maar hij stelde er wel verschillende vragen over. Daardoor bekeken ze het plaatje op verschillende manieren en maakten ze andere oogbewegingen. De ­manier waarop je ogen iets scannen, hangt dus af van wat je wilt weten. Dat klinkt heel logisch, maar het kan verrassende effecten hebben.

“Tijdens mijn oratie liet ik een CT-scan van de longen zien waarin een kleine afbeelding van een gorilla was verwerkt. Acht van de tien – gespecialiseerde – radiologen die was gevraagd om de scan te checken op knobbeltjes, viel het niet op. Als je naar iets specifieks op zoek bent, kijk je veel gerichter. Daardoor is de kans groter dat je over iets afwijkends heen kijkt dan wanneer je ongericht kijkt. In het ­laatste geval zie je veel vaker wél iets wat afwijkend is, omdat je blik minder sterk wordt gestuurd door je verwachtingen.”

Mensen en zeker kinderen met autisme kunnen overstuur raken als vaste ­patronen worden doorbroken, anders gezegd: als de dingen niet zo zijn als ze verwachten. Wat zegt dat over hun waarneming?

“Het is mogelijk dat hun verwachtingen ontzettend precies zijn en dat ze om die reden snel van de kook raken door kleine verschillen tussen wat ze verwachten en hoe de werkelijkheid daadwerkelijk is. Het zou ook kunnen dat ze juist te weinig verwachtingen hebben van hun omgeving, waardoor de input uit die omgeving voor hen in het algemeen veel verrassender is dan voor ons. In beide gevallen nemen ze de wereld waar als heel onvoorspelbaar en daardoor heel heftig.

“We zijn er nog niet uit om welke van deze twee mogelijkheden het gaat, daar hebben we nog onvoldoende data voor. Maar in beide gevallen is het ­begrijpelijk dat mensen met autisme vaak sterk op zoek zijn naar voorspelbaarheid: ze zijn meestal geïnteresseerd in één ding en ze zijn vaak op een sterk gestructureerde manier bezig.”

Mensen met het psychosespectrumsyndroom (ook wel: schizofrenie) die last hebben van hallucinaties, denken dat het echt is wat ze zich inbeelden. Hoe werkt dat in de hersenen?

“Inbeelden lijkt heel sterk op waarnemen, maar er horen tegengestelde routes bij. Als je iets ziet, komt die informatie via je ogen bij de visuele ­gebieden in de hersenen terecht. Die verwerken deze input tot een beeld. Maar als je je iets inbeeldt, heb je eerst een gedachte en maken de visuele gebieden er pas daarna een beeld van. In beide gevallen zijn de visuele gebieden op vrijwel dezelfde manier actief. Dat vind ik verrassend, want je iets inbeelden voelt uiteraard heel anders dan iets daadwerkelijk zien.

“Zoomen we in op die visuele gebieden, dan onderscheiden we daarin drie laagjes, elk ongeveer zo dun als een creditcard. De middelste wordt geactiveerd door informatie vanuit de ogen, terwijl de onderste en de bovenste laag vooral worden geactiveerd door informatie van bovenaf, uit de prefrontale schors; de gebieden waar gedachten en herinneringen zitten. Als we iets echt zien, zijn ze alle drie actief, waarbij het middelste laagje de grootste ­activiteit laat zien. Bij het inbeelden zijn alleen het bovenste en het onderste laagje aan het werk.

“Ik denk dat bij mensen met schizofrenie die signalen niet goed van elkaar gescheiden zijn, waardoor het verschil tussen inbeelding en waarneming ­vervaagt of soms zelfs verdwijnt. En dan gaan ze hallucineren: wat ze zich inbeelden, ervaren ze als echt.”

Waar is het goed voor dat die drie ­gebieden tegelijk actief zijn?

“Vroeger dacht men dat we bepaalde gebieden hebben die puur voor perceptie zijn: als je die aanzet, dan zie je iets. Andere gebieden zouden dan meer zijn betrokken bij nadenken. Nu blijkt dat het brein ook visuele gebieden ­gebruikt om mee te denken, bijvoorbeeld om je een bepaald iets voor te stellen.

“Gedachten kunnen dus je waarneming beïnvloeden, sterker nog: dat ­gebeurt voortdurend. Als je naar je auto loopt om het portier te openen, heeft je brein al een voorspelling gemaakt van de vorm van de greep en van de hoeveelheid kracht die je moet gebruiken om het portier open te trekken. Van die voorspellingen ben je je niet bewust, maar ze helpen je wel om de binnenkomende informatie op een gemakkelijke, automatische manier te verwerken. Die visuele voorstelling is ook nodig om niet te hard aan die greep te trekken.

“Ik onderzoek de visuele waarneming, maar ik denk dat dezelfde ­fenomenen eigenlijk nog belangrijker zijn in de motoriek. Want bij motorische handelingen krijg je de informatie van bijvoorbeeld je vingers vrij traag binnen. Als je een bepaalde beweging maakt, duurt het een paar honderd ­milliseconden voordat je doorhebt dat, bijvoorbeeld, het kopje dat je wilt ­optillen lichter is dan je dacht. Voor die vertraging heeft het brein een truc ­bedacht. Het maakt zelf alvast een ­simulatie: als ik zus ga doen, verwacht ik dat ik zo ga voelen. Die verwachting wordt vergeleken met de daadwerkelijke informatie die vanuit de vingers naar de hersenen komt.”

Mensen die blind zijn, kunnen zo’n ­simulatie dus niet maken.

“Je kunt minder rijke voorspellingen maken als je een zintuig mist. Wetenschappers hebben zintuiglijke waarnemingen opgesplitst in verschillende hersengebieden, maar in de praktijk werken die allemaal samen. Je hebt ­natuurlijk visuele hersengebieden voor visuele informatie en auditieve hersengebieden voor auditieve informatie, maar ze beïnvloeden elkaar veel meer dan vroeger werd gedacht. Die systemen praten bovendien niet alleen met elkaar, maar ook met de rest van het ­lichaam. Dat is ontzettend handig. Als wij elkaar nu hadden kunnen zien, ­zouden we elkaar waarschijnlijk beter horen. Het geeft je al veel informatie over wat iemand gaat zeggen door ­gewoon naar elkaars lippen te kijken.”

Wie is Floris de lange?

Floris de Lange onderzoekt hoe onze hersenen ons in staat stellen om de omgeving waar te nemen. Hij is sinds 2007 als hoofdonderzoeker verbonden aan het Donders Instituut (Nijmegen), staat aan het hoofd van het Predictive Brain Lab, en is sinds 1 april 2018 hoogleraar Predictive Perception and Cognition (faculteit Sociale Wetenschappen) aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. De Lange ontving diverse prijzen en subsidies, waaronder de prestigieuze Heineken Young Scientist Award voor Cognitiewetenschap (2012) en een ERC Starting Grant (een Europese onderzoeksubsidie) voor onderzoek naar waarneming en besluitvorming.

Lees ook:

Wees slim: let niet overal op

Vraag iemand die net urenlang in de trein heeft gezeten naar de kleur van de vloerbedekking, en het antwoord blijft waarschijnlijk uit. Kijken doen we de hele dag, maar hoeveel van die visuele informatie verwerken we bewust? Niet veel, lijkt het soms.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden