Dat kolkende duister

Toen Karin Melis las dat God scheidde en niet schiep moest ze terugdenken aan het moment waarop ze, met behulp van een Egyptische gynaecoloog en een echoapparaat, haar ongeboren kind aanschouwde. „Ik keek en ik keek en al dat ik zag was een lichtpuntje. Een soort uitsparing. Een ruimte. Ik zag dus eigenlijk niets.”

En toen was er vreugde. Terwijl, er was geen jota aan onze omstandigheden veranderd. De Verenigde Staten, mijn toenmalige thuisland, was nog even repressief en, naar ik vond, kindvijandelijk. En toch lag mijn getob van de ene op de andere dag verwaarloosd in de hoek. Bij elke gefilterde lichtval, het was mei, schoot mijn gemoed vol. Het leven was verrukkelijk. Ik begreep er niets van. Ik begreep niets van mezelf en van de kat die plotseling naast mij op het hoofdkussen sliep.

Onverwacht en onverhoeds verschrikkelijk zwanger, zo bleek dagen later. Het leek of ik mijn gynaecoloog, de Egyptische immigrant Fayez Guirguis, geen groter plezier had kunnen doen. Of ik het wilde zien, zei hij bereidwillig, het op de massagekop gelijkend echoapparaat en tube gel reeds in de aanslag houdend. But of course. Mijn tot dan toe onverklaarbare vreugde kreeg vaste grond onder de voeten. Onweerlegbaar bewijsmateriaal. Met de kin rustend op de borst tuurde ik gespannen naar het zwarte scherm. Geduldig legde Guirguis uit wat mijn ogen niet begrepen. Dat kolkende duister was de inhoud van mijn baarmoeder. En daar, daar groeide nieuw leven. Ik keek en ik keek en al wat ik zag was een lichtpuntje. Een soort uitsparing. Een ruimte. Ik zag dus eigenlijk niets. Voor mijn filosofenhoofd wel weer een uitdaging: waarom is er niet veeleer niets dan iets?

Toen ik het verslag over de vondst van de oudtestamentische exegeet Ellen van Wolde las, moest ik onwillekeurig terugdenken aan die minuscuul lichtgevende ruimte in mijn baarmoeder. Waarom zag ik geen teken van leven? Geen klein knoedeltje dat armpjes en beentjes beloofde? Waarom alleen maar licht en ruimte niet groter dan een speldeprik? In vredesnaam: waar komt dat leven vandaan dat nu, inmiddels ruim twaalf jaar later, puberaal mijn leven deelt?

Nu zie ik het: op microniveau werden de wateren in mijn binnenste gescheiden opdat leven ruimte kreeg.

„Niets nieuws onder de zon!”, riepen de geleerden bijna eensgezind in reactie op de inaugurele rede van Van Wolde waarin zij laat zien dat de scheppingsdaad vooral een kwestie van scheiden was. Hemel en aarde, mens en God, vrouw en man zijn van elkaar onderscheiden – om het maar eens in een notedop samen te vatten.

Ikzelf heb dubbele gevoelens over dat gebrek aan nieuwswaarde van Van Wolde. Aan de ene kant word ik doodmoe van die fixatie op al dat zogenaamde nieuwe. Alsof Van Wolde zelf niet weet dat haar wiel allang is uitgevonden. Dienaangaande is het allemaal ophef over niets. Aan de andere kant jubel ik: er is niets zo nieuw als de mens die uit een voor het oog lege uitsparing is voortgekomen. Hoe nieuw kun je het hebben?

Nieuw is kennelijk nieuw als het ex nihilo vanuit het voor ons onbegrijpelijke niets geschapen wordt. Dus zonder driftige zaadcelletjes, wachtende eitjes en toevallige samensmeltingen. Maar er bestaat geen hoorbare muzieknoot die niet uit een onontwarbare kluwen van mogelijkheden tot klinken wordt gebracht. Geen begrijpelijke zin die uit oneindig mogelijke combinaties van woorden ligt te wachten om gezegd te worden.

We zijn menselijk omdat er steeds iets was voordat wij er waren en zijn. Zoals de onzichtbare deeltjes die mijn kind voortgebracht hebben. Zoals de Allerhoogste die met Zijn krachtige armen de woeste wateren scheidde opdat er leven is. Die wateren waren er kennelijk al vóór Zijn almachtige optreden. Het staat er allemaal ook gewoon. In mijn Tenach lees ik: en hij scheidde het licht van de duisternis.

Er was duisternis, chaos, leegte, woestheid, er waren wateren – hetzelfde wat ik zag op dat schermpje destijds bij mijn gynaecoloog. Zin wordt van onzin gescheiden. Het ongeschapene moet vrij baan maken voor al dat geroepen wordt te leven.

Net als in het scheppingsverhaal houden exegeten ervan om punten van komma’s te scheiden. En zie daar: opeens staat er iets anders. Op de letter nauwkeurig uitgedokterd. Voor je het weet schudt het credo op zijn grondvesten sinds God geen Schepper van hemel en aarde meer is.

Slechts twee woordjes zijn veranderd in de zin die thans – en dat ook nog eens wetenschappelijk onderbouwd – luidt: „In het begin waarop God de hemel en de aarde scheidde”. Het maakt een wereld van verschil. Mensen kunnen overstuur raken sinds het licht anders valt op die beginregels uit de Heilige Schrift. Er wordt aan hun geloof getornd. Ook aan het geloof van Ellen van Wolde. In Trouw vraagt ze zich af of ze met haar verworven inzicht zichzelf niet op het hart trapt. Ze wil, zegt ze, haar vertrouwen bewaren.

Ik vraag me af waar het geloof aan ontsproten is als dit onderuit gehaald kan worden door de Allerhoogste te laten verschijnen als Scheider. De Heilige Schrift is dan wel mijn steun en toeverlaat, het woord alleen kan mij geen laatste grond verschaffen. Als de Schrift iets met me doet dan is het dat ze me laat zien dat die laatste grond, of, zo je wilt, het hoogste gewelf, wel het speerpunt van mijn verlangen is, maar ontoegankelijk voor mijn menselijke vermogens.

Dat er zelfs al zeemonsters, tannînim, in die bijbelse wateren bestonden, nog voordat de Allerhoogste ook maar een daad had verricht, schokt mij in het geheel niet. Ellen van Wolde (en met haar mijn docent Hebreeuws Piet van Midden) vertelt hoe God die zeemonsters scheidde van de ons bekende haaien en haringen. Een gebaar van bescherming dat ik ten zeerste kan waarderen. Op de keper beschouwd ook een omgekeerde scheppingsdaad van jewelste: wie kan het bestaan van zeemonsters in een enkele oogwenk doen verdwijnen in het ongeschapene? Wij stervelingen doen er eeuwen over eer diersoorten door uitsterving bedreigd worden. Mag er dan niets zijn vóór God?, zo vraag ik me af.

Nu ben ik op latere leeftijd katholiek gedoopt; dientengevolge heb ik geen last van dogmatiek. Ik ben niet opgegroeid met eenduidige interpretaties die tot in de lengte van dagen vast moeten liggen. Ik weet niet hoe dat voelt. Mijn geloof dat God de Schepper van hemel en aarde is verwijst ernaar dat alles mij gegeven is en wordt. Dat de oorsprong niet uit mijzelf voorkomt. Dat de grond waarop ik loop mij draagt. Het zet mijn eigenmachtigheid op zodanige wijze in perspectief dat zij gerelativeerd wordt en de mogelijkheid tot dankbaarheid geeft. Dat ik geschapen ben naar Zijn beeld en gelijkenis nodigt mij uit tot trots en waardigheid. Dat ik van Hem gescheiden ben, betekent dat Zijn oog op mij kan zijn en dat ik me tot Hem kan richten. In een symbiose kun je je niet verhouden. Scheiding is voorwaarde tot verbinding.

Tijdens mijn eerste en laatste zwangerschap ervoer ik hoe er grenzen gesteld waren aan mijn eigenmachtigheid. Wat lacherig, maar zeker toch ook in grenzeloze verwondering constateerde ik aan den lijve hoe ik die maanden niets in te brengen had. Dat groeide maar tegen de verdrukking van mijn wil in. Soms voelde het ook alsof ik slechts een doorgeefluik was. Helemaal niet dat leuke, romantische idee dat ik leven voortbracht.

Maar met dat mijn taille tot groteske proporties uitgroeide, groeide mijn geloof. Ik werd tot overgave gedwongen, want ik moest baren. Daarmee groeide ik tot het besef dat dit nieuwe leven niet van mij was, maar gescheiden van mij. Een mensenkind tegenover mij. Precies zoals God het bedoelt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden