Dat is mijn vak, mijzelf acteren

Een serie portretten verdwenen, maar niet vergeten televisiehelden. Aflevering 2: Martin Brozius

PETER DE BROCK

Getekend neemt hij plaats achter een kleine oranje typemachine. “Ik ben bezig met een serie rondom Monnie van avondwinkel Holland-België.” Het oranje kleinood is bij de veiling van zijn inboedel door de belasting gespaard gebleven. Maar wie gebruikt er nu nog een typemachine? En wie zit er nog te wachten op Martin Brozius?

Niet het leger. Na zijn diensttijd hoefde hofmeester Brozius niet meer terug te komen. “Ik had iets stouts gedaan. De marechaussee zat nog achter me aan. De laatste maanden heb ik in Zeist, waar meer officieren dan manschappen waren, mogen hofmeesteren met een keurig wit jasje aan. Dat was niet zo heel toevallig, want toen ik als zestienjarige jongen uit Hoorn in Amsterdam aankwam, was ik een tijdje ober. Die overgang, dat was toen wel vreemd. Dan moet je van de ene op de andere dag overleven in een grote stad waar je hooguit één keer met de bus bent geweest.”

“Ik kende een knaap uit mijn klas, die kok in Amsterdam was geworden. Die had me ooit een kaartje gestuurd met de gedachte, dat 'die Martin ook niet te lang in dat provincieplaatsje moest blijven hangen'. Op zijn kaartje schreef hij dat ik desnoods wel een nachtje bij hem kon pitten. Ik zal die nachten in dat koude huis aan de Eikenweg nooit vergeten.”

“Voordat ik het wist was ik ober, receptionist, kok, bartender, kamermeisje en linnenjuffrouw in een klein hotel aan de De Lairessestraat. Een grote act. Toen al. Hard werken voor weinig geld. Je leefde van de fooien. Ik kwam in het najaar. Er waren bijna geen gasten, alleen bladeren. Ik bleef bladeren vegen. Ik deed mijn best, maar de bladeren bleven vallen.”

“Noodgedwongen deed ik dat soort baantjes naast de Kleinkunstacademie. Overdag volgde ik de lessen en 's avonds stond ik in Krasnapolsky of andere hotels op feestjes en partijtjes. Daarover heb ik achteraf ook een stoot belasting moeten betalen. Bij de fiscus zeiden ze dat ik een T-biljet kon invullen. Ik heb ze allemaal ingevuld. Maar nooit wat gehoord.”

“Als het in het hotel te druk was, sliep ik in de linnenkast. Heerlijk tussen de lakens, maar wel staand. Ik wilde flink zijn. Ze mochten thuis in Hoorn niet denken dat ik het niet redde. Gut, oh gut, wat wilde ik graag in Amsterdam blijven. En wat een armoedige toestand. Ik moest peertjes jatten van de marktstallen op de Albert Cuyp om in leven te blijven.”

“De mooiste herinnering heb ik aan het bezoek aan de bakker om half zes 's morgens. Toen was ik al op, dat waren nog eens tijden. Een echte warme bakker met heerlijke puntjes. Ze deden me denken aan de bevrijding. Van dat Zweedse cake-achtige brood. Zo'n smaak. Een paar momenten in mijn leven heb ik dat geproefd. De eerste keer na de hongerwinter, de heerlijke puntjes in het hotel en bij Broodje van Kootje op het Leidseplein. Van je laatste 45 cent kocht je een broodje. Je was al je geld kwijt, maar het was heerlijk.”

“Bij een spektakelstuk op de Kleinkunstacademie kwam ik zo raar terecht, dat ik maanden heb gesukkeld met mijn linkerpols. Juist de arm waarop je als ober je plateau draagt. Dat was het einde van ober Brozius. Maar ik moest wel mijn lesgeld betalen. Zo kwam ik als werkstudent bij de Hoogovens terecht. Schattig. Behalve de eerste nacht. Ik droom nog wel eens van die sfeer. Die kille hallen vol nevel waarin Italiaanse en Spaanse gastarbeiders rondliepen. Die verdwenen soms en later bleken ze verdronken te zijn of zo, in de ertshaven. Daar werd helemaal niet over gesproken. Achteraf bleek - ik kan het wel fluisteren, maar dat slaat nergens op - dat ze zelfmoord pleegden, omdat ze niet meer tegen die sfeer konden.”

“Bij de breedband moest ik met een vetkrijtje bepaalde codes schrijven op het staal. Ik droom er nog wel eens van. Dan zie ik die mensen, die er al jaren werkten en mij uitlachten omdat ik het niet kon. Van die gasten met leren gezichten, zonder wenkbrauwen en wimpers.”

“Toen had ik de mazzel dat ik een tijdje bij de elektrische dienst kwam. In een tentje kabels graven. Ik stempelde keurig als ik 's avonds aankwam. Uren maken. Werken? Ik mocht van mijn collega's in mijn kuiltje uitslapen. Ze wisten dat ik overdag moest balleteren en tapperen.”

“Dat was een soort solidariteit, die je nu niet meer tegenkomt. De algehele tendens is om lekker snel geld te verdienen. Dat was toen niet aan de orde. Ik heb mijn carrière nooit gepland. Ik werkte voor de kamerhuur, brood en lesgeld. In die volgorde.”

“De Kleinkunstacademie heeft op allerlei plekken in Amsterdam gezeten. In de boksschool op de Albert Cuyp, aan de Valkenburgerstraat en in het Van Nispenhuis. Ja, eigenlijk vreemd dat de meeste van die gebouwen zijn afgebrand of gesloopt. De plekken waar ik zweetdruppels heb liggen zijn er niet meer. Als Rob de Nijs en de anderen er niet waren geweest, was het nooit wat geworden met die school. Dat eerste jaar wordt wel eens vergeten in de geschiedschrijving. Ook door Wim Ibo in zijn cabaretbijbel. Niet dat ik die bijbel kan citeren hoor. Geen enkele bijbel trouwens.”

“Van huis uit ben ik katholiek. Dat raak je nooit meer kwijt. Ik ben zelfs misdienaar geweest. Ik wilde geestelijke worden. Later zwakte dat af naar koster. En nu zit ik hier... Als je dat geloof vanuit je jeugd meekrijgt, wordt je toch gehersenspoeld.”

“Ik kwam bij het NCRV-Televisieballet terecht. Toen ik ook een engagement in Carré kon krijgen ben ik gestopt met het volgen van lessen op de Academie. 'No, No Nanette' van de Bob Peeters Revue. Een klein rolletje met een beetje zang en dans. Achteraf werd het No, no recette. Het was de laatste produktie van Bob Peeters. Hij heeft het niet mogen overleven. Een van de hoofdrolspeelsters had in een interview in al haar eerlijkheid wat kritische noten gekraakt. Toen liet het publiek het afweten. Joop Doderer heeft nog wat afgeswieberd in zijn rol. De voorstelling duurde meteen een half uur langer. Maar het mocht niet baten.”

“Een enkele matineevoorsteling van 'No, No Nanette' werd uitgekocht. Je weet wel, voor groepen plattelandsvrouwen. Dat is me ook wat. Ongelooflijk zo'n volle bak. Je weet niet wat je ruikt als het doek opgaat. Ik had 's avonds niet graag op die stoelen willen zitten. Er waren na afloop van de matinees heel wat natte plekjes. Ik wist het publiek wel te bespelen. Zeker als er een hoop dames in de zaal waren.”

“Het musicalprogramma bij de NCRV was een maandelijks terugkerend festijn. Met Jenny Arean en Jacco van Renesse. Het was een soort bevestiging voor thuis. Want in het theater zagen ze me niet. Op televisie werd je zeker gezien. Iedereen keek naar dat ene net. In 1962 heb ik nog een soort musical gedaan met Rob de Nijs. Die verdween al snel van de academie. Het was voor hem 'Ritme van de regen' geblazen.”

“In Hamelen kwam ik Rob weer tegen. 'Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen, meneer?' Vijf jaar een spektakel. Zelfs de mensen van het grote toneel stonden te dringen voor een rolletje in die serie. Het was vreemd. Als je niet een rolletje speelde in Hamelen, dan hoorde je er niet bij.”

“Televisie werd nog gemaakt door vakmensen. Zeker met de beperkte mogelijkheden die er waren. Handwerk, zou ik het willen noemen. Nu is alles computergestuurd. Wij moesten onze tekst nog uit het hoofd leren. Ik heb wat in mijn kop moeten stampen. In de bus op weg naar het theater nam je je script voor de repetities van de volgende dag door. Alles uit je hoofd. Het betere werk. Nu is het allemaal publiekswerk geworden. Het zal wel met geld te maken hebben.”

“Vroeger maakte je gewoon een programma. Geld was wel het allerlaatste waar je aan dacht. Zo heb ik ook met mijn produktiebureau programma's gemaakt. Later merkte je wel wat het had gekost. Nu wordt er eerst een calculatie gemaakt.”

“Ik stond 's avonds in het theater. Een heerlijk opgemaakt bedje. Woordjes, tekstjes. De gekende repertoiretjes. Op een dag vroeg Jan Keja of ik een spelletje wilde doen op de televisie. 'Run your Round'. Een duf spelletje van een oude Amerikaanse heer. Een soort ganzebordachtig niemendalletje waar je in de put kon vallen. Al dat soort elementen hebben we geschrapt.”

“Van 'Ren je Rot' namen we twee afleveringen per dag op. Hans Kazan, die er ook bij zat, heeft nu vijf opnamen. Wij repeteerden heel vlug. Verder was er geen tijd. Ik wist wel welke gasten er kwamen, maar had geen voorgesprek. Misschien dat het juist daardoor heel spontaan overkwam. Vreselijk. Ik hou meer van gespeelde spontaniteit. Het is toch gewoon een vak wat je uitoefent. Waarbij het moet lijken of je het uit je duim zuigt.”

“Om half tien moest ik op de vloer staan. Maar dan had ik de avond daarvoor wel gespeeld in Leeuwarden of Maastricht. Ik heb wel eens het autoraampje helemaal opengedraaid en de radio keihard aangezet om wakker te blijven. Theatervoorstellingen, 'Hamelen', 'Ren je Rot', kinderprodukties en winkelopeningen. Een krankzinnige tijd. Ik had het gevoel dat ik 25 uur per etmaal bezig was.”

“Wanneer ben ik van het scherm verdwenen? Gisteren was ik nog op de televisie! Een herhaling. Maar ik ben niet meer frequent te zien. Het had zijn redenen. Maar ik wil niet te diep gaan wroeten. Het heeft met privégevoelens te maken. En de jaren verstrijken. Je wordt een dagje ouder. Ik heb nu zoiets van, 'Laat die jongeren maar de kansen krijgen'. Ik wil ze wel begeleiden. En dat doe ik ook wel. Ik hoef niet zo nodig populair te worden, te blijven of te zijn geweest.”

“Ik heb ook niet echt stilgezeten. Maar je moet nu met een kant en klaar produkt bij de omroep komen. Het zal wel ergens goed voor zijn. Ik heb nog wel mij eigen produktiebureautje, maar dat moet je niet zien als een commerciële organisatie. Ik heb maar twee jaar mulo. Moet ik dan een beetje de boekhouder gaan uithangen? Ik doe wat ik kan. Dat is mijn vak. Mijzelf acteren. De vlegel Brozius.”

“Het is niet dat ik bij voorbaat nee zeg als ik een aanbieding krijg. Maar dan moet het wel iets zijn waarvan ik vind dat het wat kan worden. Al is het slechts een concept. Ik ben nu met Monnie, van de avondzaak Holland-België, bezig. Een unieke formule. Een combinatie van soap en praatprogramma. Ik heb het ook niet voor niets gedeponeerd. Ik zag het helemaal tot iets worden. We zijn er ook lekker mee bezig... In alle rust.”

“Ik heb het helemaal niet gehad over de periode waar ik nu middenin zit. Dat is ook ontstaan. Dat heb ik niet in de hand gehad. We komen er wel uit. Misschien dat ik de volgende maand ietsje meer weet. En je wordt er steeds mee geconfronteerd. De schilderijen zijn ook allemaal weg. De belasting heeft alles weggehaald. Een heel apart verhaal. Er spelen zoveel dingen in mijn brein. Het valt niet in twee woorden uit te leggen. Dat hoort er ook bij. Het zal wel zo zijn... Het is gewoon zo.”

“Ik ben gevraagd voor een matinee in Tuschinski. Op een zondag voor bejaarden. Leuk als we daarna verder kunnen gaan. Dan kunnen we wat dieper gaan. Zolang het maar over het vak gaat. Ik zit nu met mijn privéleven. En zeker hier in huis leidt het af.”

Hij staart door het raam naar het met allerlei voorwerpen volgestouwde zwembad. “Onwillekeurig kijk je om je heen en spot je bewijsmateriaal dat wellicht aardig voor de rechter is. Of belangrijk kan zijn voor de belasting. Misschien dat ik dan méér weet over de praktische praktijk waar ik dan in vertoef. Of weer? De grote verandering.”

In de schnabbel heeft hij geen trek. Bij de afspraak voor het tweede interview worden de bel van het bedrijf èn van de mens Brozius niet beantwoord. Door de brievenbus weerklinkt klassieke muziek. Bij de snackbar op de Amstelveenseweg ligt in de gedateerde leesmap de Weekend. Zijn weggelopen vrouw Astrid doet haar verhaal. Brozius reageert zijn verkeerde investeringen af op zijn vrouw. “Hij vertelt iedereen dat ik er met zijn geld vandoor ben”, laat ze Weekend weten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden