Dat is mijn man bespaard gebleven

De Nederlandse architecte Liv Falkenberg (98) is verknocht aan haar huis in de Karl Marx Allee in Oost Berlijn. Zij heeft een heel leven DDR achter zich. De muur had mogen blijven staan, de Wende heeft in haar ogen weinig goeds gebracht.

Het had veel weg van een reunie. Emigranten die terugkeerden naar hun verwoeste land - intellectuelen, architecten, schrijvers, kunstenaars. Ze hadden niets meer. Vijf, zes, soms twaalf jaar hadden ze in ballingschap geleefd in Nederland, België, Frankrijk, in Mexico of de Verenigde Staten, ondergedoken, op de vlucht voor de Gestapo. De oorlog was voorbij en ze wilden meewerken aan de wederopbouw. Niet in het westelijke deel van het ineengestorte Derde Rijk. Dat boezemde hen weinig vertrouwen in. Nee, ze lieten zich meeslepen door de euforie in de Oostzone, waar een nieuw Duitsland zou ontstaan.

,,We hadden geleerd met weinig middelen, maar met fantasie iets tot stand te brengen'', zegt Liv Falkenberg, architecte. Ze was gewend te werken met 'een touwtje en een beetje spuug', een eigenschap die goed van pas kwam in de Sovjetbezettingszone. Er was gebrek aan alles. Maar aan motivatie ontbrak het niemand.

Ook Liv kon haar geluk niet op. Ze kreeg de ene na de andere opdracht. De inrichting van de eerste naoorlogse Leipziger Messe waar de nieuwe volkseigene Betriebe hun waren collectief toonden. Een Parteihochschule in Klein-Machnov. Het woonhuis van de schrijver Friedrich Wolf, de vader van de latere chef van de DDR-inlichtingendienst Markus Wolf. En de riante onderkomens van de schrijvers Arnold Zweig en Wolfgang Langhoff.

,,Het was een inspirerende tijd'', zegt ze. ,,De mensen groeiden boven zichzelf uit. Je kreeg nooit lof, als je zelf maar goed vond wat je deed.''

Dat ging goed totdat in 1949 de Deutsche Demokratische Republik (DDR) werd gesticht. De zuiveringen begonnen. De Bauhaus-architecten die in die eerste naoorlogse jaren nog zo omarmd waren, gingen ineens door voor 'kosmopolieten' en 'door het westen geïnfecteerde renegaten'. Dat was nog niet alles. Het centraal geleide bestuur en de bureaucratie hadden een dodelijke uitwerking op de bezieling. ,,Het heilige vuur was gedoofd, de staat nam het over.''

Liv Falkenberg (98) woont nu tien hoog aan de Oost-Berlijnse Karl Marx Allee, die nog onder partijleider Walter Ulbricht werd aangelegd als Stalinallee. Na de Wende onderging de straat een facelift waardoor haar flat nu het tienvoudige zou moeten opbrengen. ,,Een prestigeprojekt van Helmut Kohl'', klaagt ze. ,,Zoals die hele bouwput in Berlijn.''

Ze is monter, levendig, alert, toont gesoigneerd. Lopen kan ze nauwelijks. Maar lezen doet ze nog steeds. En verder? ,,Wachten op de dood''. Echt? ,,Ja, ik had jaren geleden moeten gaan, dan had ik die Wende niet meer meegemaakt. Dat is mijn man tenminste bespaard gebleven.''

Achtennegentig jaar geleden werd Liv als Ida Liefrinck geboren in Arnhem. Het was geen doorsnee-gezin waarin ze werd grootgebracht. Haar moeder doorliep als één van de eerste vrouwen de universiteit, 'in een reformjurk om geen aanstoot te geven'. Zelf volgde Liv de gemengde HBS en als studente kunstgeschiedenis bracht ze haar Wander- und Lehrjahre door in Zwitserland. Terug in Nederland schreef ze zich in aan de Amsterdamse kunstnijverheidsschool Quellinus.

Drie jaar later toog ze naar Parijs om als volontair bij Maison Dumas, een meubelhuis aan de Place de la Bourse, ervaring op te doen. Daar ontmoette ze een Hongaarse emigrant die haar aanraadde te solliciteren bij zijn vriend de Rotterdamse stadsarchitect Oud. Hij vond de vijfentwintigjarige een 'moderne, zakelijke vrouw' en nam haar aan.

In 1927 kreeg ze van haar leermeester opdracht voor de Weissenhofsiedlung in Stuttgart 'onderzoek te doen naar de keuken' van de aldaar te bouwen arbeiderswoningen. Het was eervol, vooral omdat behalve Oud ook de architecten Stam en Le Corbusier meewerkten. Maar zijzelf zag er tegenop - 'ik die geen flauw benul van huishouden had'. Binnen korte tijd maakte ze zich de materie eigen. Ze las Die Frankfurter Küche van Lihotzky over de rationeel georganiseerde keuken. En Der neue Haushalt, ein Wegweiser zu wirtschaftlicher Hausführung van Erna Meyer, die had berekend hoeveel kilometer de huisvrouw dagelijks in de ouderwetse keuken aflegt. Dat moest efficiënter.

,,Maar Oud wilde meer'', vervolgt ze. Als vriend van Van Doesburg en Mondriaan wilde hij niet alleen een 'zuivere ruimte', maar het absolute evenwicht tussen aanrecht, doorgeefluik, luchtrooster en keukenwand. Als inrichting koos hij voor ijzeren stoelen, ijl en doorzichtig, die hij, in tegenstelling tot Breuer of Mies van der Rohe, stabiel, zonder wippen, door een fietsenmaker liet maken, met zadelveren onder de zittingen. Voor 'duifje', zoals 'vadertje' Oud haar à la Dostojevski noemde, ging een nieuwe wereld open. ,,Een wereld zonder ornamenten, maar een ruimte met zuivere vlakken en kleuren''.

Kort daarop, nadat Ouds ontwerp voor de Beurs tot zijn grote teleurstelling onbekroond bleef en hij zijn bureau moest inkrimpen, werd ze ontslagen. In 1929 kwam ze in Frankfurt in contact met Stadtrat May die indertijd het nieuwe Dresden bouwde. Ze kon er meteen aan de slag. Maar ze miste praktische ervaring en meldde zich daarom aan bij de Deutsche Werkstatten Hellerau in de buurt van Dresden - als leerling aan de werkbank.

In de veronderstelling dat ze spoedig huisvrouw zou worden voegde de bedrijfsleider haar op de eerste werkdag toe: ,,Als je dan trouwt later zul je weten wat kwaliteit is''. Ze kan er nog steeds kwaad over worden. ,,Ik wilde geen huisvrouw worden, ik wilde leren''. Gekleed in een overall leerde ze zagen, schaven en - waar ze nu nog met groot enthousiasme over praat - 'op de tast houtsoorten bepalen en de kwaliteit ervan beoordelen'. Ze kan het nog steeds, blind. Ik heb 'geleerd met mijn vingers te kijken'.

Inmiddels had ze de Duitse communist Otto Falkenberg leren kennen met wie ze zich in Dresden vestigde. Zij als binnenhuisarchitect met wat kleine opdrachten, hij als ingenieur bij een Elektrobaugenossenschaft.

Het was begin 1933. De politieke verhoudingen verscherpten zich, en de omgangsvormen op straat veranderden. Het Gutentag werd meer en meer vervangen door een gebalde vuist op schouderhoogte (KPD), hooggestrekt (SPD) of een vooruitgestrekte hand (NSDAP). De laatste groet zou de overhand krijgen, vooral toen, ondanks een KPD-meerderheid bij de verkiezingen, de nazi's aan de macht kwamen en Hitler rijkskanselier werd.

Liefrinck, inmiddels overtuigd communiste, hielp met de verspreiding van vlugschriften - 'linkse agitatie'. Ze hield er haar geuzennaam Liv aan over. Nadat de jacht op communisten was geopend werd ze als unerwünschte Auslünderin gesommeerd het land binnen drie dagen te verlaten. Door een huwelijk met Otto wist ze dat te vermijden. Aan vervolging konden ze desondanks niet ontkomen.

Op een dag, 's ochtends om half zeven, belden 'die beruchte heren met regenmantels' aan. Otto deed open. ,,Waar is Ida Liefrinck?'' vroegen de mannen.

,,Die is er niet, die heeft hier gewoond. Nu woont hier Liv Falkenberg''. Het vindingrijke antwoord was afdoende. Voorlopig althans, want enkele dagen later kwam de Groene Mina - de boevenwagen - op zijn kantoor langs. Speciaal voor hem. Gelukkig bevond hij zich op dat moment op de bouwplaats en kon hij zich na een waarschuwing van zijn collega's uit de voeten maken. Otto en Liv lieten er nu geen gras meer over groeien, kochten nog diezelfde dag treinkaartjes en reisden onder het mom van een huwelijksreis naar Nederland.

Door haar huwelijk was Liv nu Deutsche Emigrantin in plaats van Nederlands staatsburger. Een misrekening. Maar omdat Otto een 'gefingeerde' baan als verzekeringsagent kreeg konden ze een Nederlandse vreemdelingenpas bemachtigen. Een jaar later was de pas alweer verlopen en de vreemdelingendienst was niet van plan hun verblijf te verlengen. Daarop deed Otto een beroep op zijn broer in Duitsland, die prompt een lijst met 'ausgebürgerte' personen opstuurde, waarop Otto's naam ook prijkte. Het was voldoende om een nieuwe 'keurige donkerblauwe' vreemdelingenpas te krijgen.

Liv vond ondertussen een baan als redactie-secretaresse van de '8 en Opbouw' en spoedig ontwikkelde hun huis in Amsterdam, aan de Amstel 22, zich tot een centrum van progressieve architecten, ingenieurs en vormgevers. Geinspireerd door de hernieuwde contacten met gelijkgestemden ontwierp ze rieten tuinstoelen en tafels. De tekeningen verschenen in de '8 en Opbouw'. Ze won de eerste prijs van een door de Werkbund te Zürich uitgeschreven prijsvraag. Een vereenvoudigde serie rotanmeubels zou door Metz & Co worden uitgevoerd. De ontwerpen volgden elkaar op: het interieur van een apotheek, van modelwoningen in Amsterdam-West en van de Sint-Willebrordusstichting in Heiloo. En tenslotte richtte ze voor de firma Van Ommeren de manschapsruimte en de kapiteinshut van het motortankschip 'De Pendrecht' in. ,,Door de ronde vormen van het schip was dat een enorme uitdaging.''

De oorlog brak uit en door haar weigering lid te worden van de cultuurkamer kwam er een eind aan haar ontwerp-activiteiten. Het creatieve milieu waarin ze verkeerde werd uit elkaar gerukt, de omgang beperkte zich tot mensen die, evenals zij, in het verzet zaten.

Op een dag werd Otto gearresteerd en naar Duitsland gebracht om in Dresden terecht te staan wegens subversieve activiteiten. Vandaar werd hij naar concentratiekamp Sachsenhausen afgevoerd en zou daar het einde van de oorlog halen. In het kamp was hij, aldus Liv, samen met zijn kameraden nauw betrokken bij de plannen voor een 'nieuw en vreedzaam Duitsland'.

Al die tijd fungeerde Liv als trait d'union tussen de Duitse emigranten en het Nederlandse verzet. In opdracht van de illegale KPD kreeg ze opdracht Otto te vervangen. ,,Lid van de CPN ben ik nooit geweest, al dat geharrewar en onderling geruzie verafschuwde ik.'' Mijn vraag naar de cel waarin ze opereerde wimpelt ze af, zich beroepend op een spreuk uit de illegaliteit: 'zeg het slechts degene die het weten moet'. ,,Maar'', voegt ze er laconiek aan toe, ,,je wist ook niet veel van elkaar, na de oorlog hoorde je pas wie er in het verzet zaten''.

De bevrijding kwam. Otto keerde terug naar het zwaar gebombardeerde Dresden. De verbindingen waren zo slecht dat Liv nog een jaar moest wachten voor ze hem kon opzoeken. ,,Omdat ik er tegenop zag me definitief in Duitsland te vestigen kocht ik geen enkele reis maar een retour Dresden.''

Na een dagenlange reis stopte de trein temidden van de puinhopen. Een medepassagier attendeerde haar erop dat ze op het station van Dresden stonden. ,,Ik had niets gezien. Het station was er niet meer, slechts een grote leegte.'' Ze herinnert zich nog een 'surrealistische tocht' door de stad voordat ze kwam bij de haveloze koopmansvilla waar haar man moest wonen. ,,Het was vier uur 's ochtends. Otto sliep nog, maar toen hij mij zag sprong hij uit zijn bed en begon meteen Nederlands te spreken, terwijl hij dat zes jaar lang niet meer had gedaan.''

Als beloning voor zijn jarenlange illegale werk kreeg haar man de leiding van het Amt für Betriebsneuordnung, een instantie die onteigende bedrijven moest omvormen tot een 'Vereniging voor Volkseigen bedrijven'. Liv liet zich geheel meeslepen in de euforie van de wederopbouw en werd bedolven onder de opdrachten. Naar Nederland zou ze niet meer terugkeren. ,,Voor mij was de DDR eigenlijk nooit Duits.'' En ze vond het heerlijk dat ze kon doen wat ze wilde 'zonder dat iemand het mij belette'.

Dat veranderde toen de DDR een feit was. Otto Falkenberg werd benoemd tot Wirtschaftsminister van de deelstaat Brandenburg. Ze verhuisden naar Potsdam. Aan haar werkzaamheden kwam langzamerhand een einde. Haar oriëntatie was te 'kosmopolitisch, formalistisch' in een staat die geen behoefte meer had aan originele geesten. De zuiveringen kregen het land in hun greep.

Ineens was daar de overplaatsing. Haar man werd Handelsrat in Praag. Aan de zuiveringen ontkwam ze. Ze moest nu verder door het leven als vrouw van een diplomaat. Afgewend van het westen, zelfs met Oost-Berlijn bestond nauwelijks contact. Behalve die keer dat er twee leden van de partijcontrolecommissie langs kwamen voor een ondervraging. Liv vond het belachelijk. ,,Ik vertelde dat ik uit een liberaal gezin kwam en niet als communist was geboren''.

Toen haar ondervragers vroegen of ze getuigen had noemde ze de naam van Ewald Muschke, de man die in de oorlog haar chef was. Daarop maakten de mannen abrupt een einde aan het gesprek en verdwenen. ,,Eerst begreep ik het niet, maar later bleek dat hij het hoofd van de zuiveringscommissie en dus hun chef was. Daarmee was ik taboe voor hen.'' Daar had ze geluk mee anders had ze als 'bourgeois en Westemigrant' ongetwijfeld problemen gehad.

Vijf jaar later volgde Otto's benoeming bij de Vertretung der Handelskammer in India, Liv werd 'Kulturreferent' - beide officieuze functies, daar de DDR niet door India was erkend. Nog geen jaar later kwam er weer een oekaze uit Berlijn: Otto was aangesteld bij de RGW - Rat für Gegenseitige Wirtschaftshilfe - in Moskou, ook wel Comecon genoemd. Het was de tijd van de dooi na de rede van Chroetsjov op het 20e partijcongres en ze genoot met volle teugen van het relatief liberale culturele klimaat.

Geen wonder dat ze de stad in 1961 met weerzin verliet toen Otto zich in Berlijn moest melden. Hij had een hoge post gekregen bij de Plankommission, de afdeling die de vijfjarenplannen voorbereidde. Voor het eerst sinds jaren kreeg Liv weer een officiële baan. Als 'informatie-medewerker' moest ze in buitenlandse tijdschriften publicaties zoeken die interessant waren voor het architectencollectief dat de wederopbouw van de stadscentra van Berlijn, Rostock en Jena uitvoerde.

De atmosfeer was kil, de muur net gemetseld. ,,Een hele goede beslissing'', zegt Liv. ,,De DDR liep leeg. Ingenieurs werkten als schoonmaker of straatveger in West-Berlijn om valuta te verdienen of verkochten goedkope Oost-artikelen tegen Westmarken. In Oost-Berlijn werd nauwelijks nog gewerkt, de helft van de winkels was gesloten. Na de muur gingen ze geleidelijk weer open en toog men weer normaal aan het werk.'' Voor Liv is het duidelijk: het Westen heeft de DDR voortdurend dwars gezeten met haar ideologische oorlogsvoering.

In 1983 overleed haar man. ,,Het is goed dat hij de terugslag van de Wende niet meer heeft meegemaakt''. Zelf heeft ze het er ook niet gemakkelijk mee. Ze denkt nog met weemoed terug aan de tijd van voor de Wende, toen het gemeenschapsgevoel floreerde. ,,De DDR was sociaal gezien veel beter. Daarom blijf ik vasthouden aan de idealen van weleer. De hereniging heeft ons slechts egoïsme gebracht. Onze kinderen zijn inmiddels sterk verruwd zonder die oude sociale structuren. Wij hebben indertijd braaf uit het boekje geleerd wat kapitalisme is. Nu kunnen we zien dat het nog klopte ook.''

Ontsteld is ze nog steeds over het feit dat zoveel mensen de val van de muur hebben toegejuicht. ,,Maar ach, dat kwam natuurlijk omdat ze in de DDR zo weinig speelruimte hadden. Die bureaucratie, die oude partijbonzen hebben het verpest. Ze hebben reuzefouten gemaakt. Ze hadden jongeren een kans moeten geven en de bevolking de gelegenheid moeten bieden om naar het buitenland te reizen. Geheel ten onrechte waren ze bang dat niemand terug zou keren.''

Haar geloof is nog ongeschonden. ,,Het socialisme is niet weg'', vindt ze, ,,het ligt onder een deken''. Daarom is ze nog lid van de PDS - de opvolger van de SED.

In het appartement aan de Karl Marx-Allee, dat sinds 1954 haar eigendom is, wil ze tot haar dood blijven wonen. Dat weet ze zeker, want terug naar Nederland wil ze onder geen beding. ,,Ik ben hier verankerd''.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden