'Dat Indië-onderzoek, gaat er zeker komen'

De overheid wil er nog niet aan, maar de positieve reacties van anderen hebben Gert Oostindie gesterkt in zijn streven het geweld in Nederlands-Indië te onderzoeken.

Hij had niet verwacht dat het voorstel om het geweld te onderzoeken dat in Indonesië na de Japanse capitulatie losbrak, zo'n enorme publiciteit teweeg zou brengen. Het feit dat de reacties over het algemeen positief waren, heeft hoogleraar Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), ervan overtuigd dat de tijd rijp is voor nieuw onderzoek en een synthese van de beschikbare studies en verhalen over deze voor alle betrokkenen dramatische episode.

Oostindie riep begin deze zomer, samen met het Niod en het Nationaal Instituut voor Militaire Historie (NIMH), het kabinet op om drie miljoen euro vrij te maken voor een integraal onderzoek naar de oorlogshandelingen van Nederland in de periode 1945-1950. Bijna zeventig jaar na dato wordt over die periode nog steeds heftig gedebatteerd, heel emotioneel en vol morele oordelen: wie was schuldig en wie moet er excuses aanbieden? En dit terwijl veel feiten over dat deel van de Nederlandse geschiedenis nog onduidelijk zijn.

Afgelopen weekend sprak defensieminister Hillen tijdens de kranslegging in Roermond bij het Nationaal Indië-monument 20.000 mensen toe en zei tegen de aanwezige veteranen dat zij nooit de erkenning hebben gekregen die zij verdienden. "Dat is ook een reden waarom een onderzoek naar die periode zo hard nodig is", zegt Oostindie. "Vlak na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 zat Nederland vol met groepen die na terugkeer allemaal hun eigen verhaal hadden over Nederlands-Indië. Dienstplichtige militairen die vreselijke dingen hadden meegemaakt, misschien ook begaan. Nederlanders die in de Japanse interneringskampen hadden gezeten en te horen kregen dat zij het heus niet zo slecht hadden gehad. Nederlanders, Indo-Europeanen en pro-Nederlandse Indonesiërs die in de periode van de bersiap - het eerste chaotische halve jaar na de Japanse capitulatie en de onafhankelijkheidsverklaring - familieleden hadden verloren in een afschuwelijke geweldsuitbarsting."

"In Nederland is de houding ten opzichte van migranten uit de voormalige koloniën vaak nogal opportunistisch geweest: 'U vraagt, wij draaien'. Dat zie je hier ook weer. Na de eerste decennia van stilzwijgen werd het een zorg de veteranen niet in de steek te laten en ook de repatrianten te vriend te houden. Daarbij hoorde het niet geven van openheid over wat 'wij' misschien fout hadden gedaan - todat daar rond 1970 ook aandacht voor kwam. Sindsdien staan allerlei tegenstrijdige verhalen naast elkaar, maar een evenwichtige synthese ontbreekt. Daar is het toch wel tijd voor. Zeker nu Nederland bij monde van de toenmalige minister van buitenlandse zaken Ben Bot heeft aangegeven dat wij met het militaire ingrijpen 'aan de verkeerde kant van de geschiedenis' stonden."

Oostindie wijst op de welwillende houding van de veteranenorganisaties ten opzichte van zo'n onderzoek. "Dat heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat de NIMH, onderdeel van het ministerie van defensie, hier aan mee wil doen. Het is niet de bedoeling om veteranen aan de schandpaal te nagelen, en dat begrijpen zij. Wij willen ook niet moraliseren. Voor ons is het een wetenschappelijke kwestie, over de spanning tussen ordelijk optreden en excessen."

Een paar weken geleden maakte de regering bekend dat zij nu geen reden ziet om te investeren in een breed onderzoek. Er is volgens de regering al genoeg onderzoek gedaan. Rosenthal en Hillen verwijzen onder meer naar de Excessennota uit 1969 en naar het werk van Lou de Jong. Als de instituten zo'n nieuw onderzoek zo belangrijk vinden, dan moeten ze dat maar uit hun eigen budgetten financieren, is de redenering.

"Ook de samensteller van de Excessennota, Cees Fasseur, meent nog altijd dat zijn verkennende studie slechts een aanzet was tot vervolgonderzoek. Dat is er door politieke gevoeligheid nooit gekomen, niet omdat er wetenschappelijk geen basis voor was. Waarom dat zo politiek gevoelig is, behoort uitdrukkelijk ook tot ons onderzoek. Waarom heeft Nederland zoveel moeite met dat deel van haar nationale geschiedenis? Het hoort erbij, of we nu willen of niet. Een volledige geschiedschrijving hoort bij een volwassen land."

Wat vindt u van de reactie van de regering?
"Teleurstellend. We praten over een bedrag van drie miljoen euro, waarvan wij zelf ruim een miljoen opbrengen. Dat bedrag kan het probleem niet zijn. Ik denk eerder dat het koudwatervrees is die vooral komt van de zijde van minister Rosenthal van buitenlandse zaken. Hij wil de gespannen relatie met Indonesië niet verder belasten. Maar uiteraard hebben wij zelf ook in Indonesië wel verkend wat de ruimte is - en die is er steeds meer."

Welke witte vlekken zijn er nog in het onderzoek?
"Heel veel. Bijvoorbeeld, hoe wij de Nederlandse militaire acties moeten plaatsen in het kader van de Indonesische militaire en politieke ontwikkelingen. Die wisselwerking hopen wij ook in samenwerking met de Indonesische historici en overheid te kunnen blootleggen.

"Verder zijn er zoveel zaken niet goed uitgezocht. We weten bijvoorbeeld dat na de tweede politionele actie in Indonesië er nog 50.000 Indonesische soldaten zijn gesneuveld. Hoe en waarom toen nog, zo laat? En dan de zogenoemde excessen. Er is een hele reeks vastgesteld. Maar is dat alles of zijn er nog veel meer? Systematisch onderzoek ontbreekt.

"Veel archieven zijn nog niet grondig onderzocht. Vlak na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 hebben militairen van verschillende landen daar het gezag uitgeoefend. In de Australische, Britse, Amerikaanse en VN-archieven moet hierover nog veel materiaal liggen. Na de capitulatie brak de bersiap uit, terwijl de Britten het gezag poogden te handhaven. Wat zijn de achtergronden ervan, hoe werkte deze periode door in het latere politieke beleid en militair optreden?

"Maar wat vooral ontbreekt is een gezaghebbende synthese van deze naoorlogse geschiedenis, die zelfs na bijna zeventig jaar nog zoveel emoties opwekt. De afgelopen maanden hebben mij er alleen maar meer van overtuigd dat dit onderzoek er moet komen. Het voelt als een verantwoordelijkheid, ook voor het NIHM en het Niod. Daarom zijn wij nu al bezig onderzoekstijd voor dit doel vrij te maken. Maar de 'vrije' ruimte van onze drie instituten gaat de omvang van dit onderzoek te boven. Het wordt dan een beperkt onderzoek en dat was niet wat wij voor ogen hadden. En dus blijven wij de politiek benaderen voor ondersteuning."

Nadat u uw voorstel deed voor een alomvattend onderzoek klonk er kritiek dat dit voorstel vooral was ingegeven door opportunisme, krimpende budgetten en bedreigde formatieplaatsen bij de instituten. Klopt dat?
"Volkomen uit de duim gezogen. Niod en KITLV zijn instituten van de KNAW, het NIHM van Defensie. Wij zijn niet in ons voortbestaan bedreigd, ontslag van onderzoekers is niet aan de orde. En we hebben zeker geen gebrek aan werk. Het gaat niet om opportunisme, maar om het starten van een onderzoek van grote maatschappelijke en wetenschappelijke waarde."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden