Dat het helder stralen, mag

(FOTO AFP)Beeld AFP

Is het nostalgie die Désanne van Brederode naar de door Rudolf Steiner geïnspireerde Christengemeenschap trekt? Ze voelt zich, vooral met Kerst, niet meer zo thuis in de katholieke kerk. „Is dit feest rond een koude winternacht niet meer gebaat bij innerlijkheid?”

Donker wordt de aarde

Duister overal

Maar mijn hart beware

’t Licht, dat blijven zal.

Dat het helder stralen,

lichten mag, heel ver -

dan zal eens de aarde

worden tot een ster.

Of ik bovenstaande adventsspreuk juist citeer, weet ik niet. Soms zei iemand ’komen’ in plaats van ’blijven’, of ’branden’ in plaats van ’stralen’, maar de essentie bleef: Dan zal eens de aarde/ worden tot een ster.

Ik geloof dat ik dat geloofde. Als meisje van negen dat zojuist, door een verhuizing, de overgang had gemaakt van een katholieke basisschool in Den Haag naar de startende Vrije school in Den Bosch. Als ernstig aan het bestaan van God twijfelende puber van vijftien, zestien jaar, die bovendien moeite had met al het nadrukkelijke, niet zelden starre en wereldvreemde antroposofische dat ze aantrof in de bovenbouw, locatie Eindhoven. Maar zodra we bij het ook al zo wonderlijke bewegingsvak euritmie een ruimtelijke vorm liepen op deze spreuk, en er met handen en armen klinker- en medeklinkergebaren bij maakten, liet ik pantser en wapentuig vallen. Hoe donker en duister het ook kon zijn, in mijzelf, en in de boze buitenwereld die ik dankzij kranten, televisie, geschiedenislessen, literatuur en films steeds beter leerde kennen, ik geloofde toch wel dat mijn hart (Nou ja, gelóven?! En eh hárt?) Nee, ik hoopte misschien dat mijn bewustzijn bewaarde Licht, dat blijven zal.

Zoiets. Je kon het niet weten. Ergens een vonkje was genoeg. Niet van iets goddelijks, maar van iets menselijks. Wat dat dan ook mocht zijn.

Op mijn zeventiende leerde ik hardhandig dat niet alleen het maken van fouten, maar zelfs onmenselijkheid iets menselijks is. Door een geëscaleerd conflict moest ik de school die ik zo graag had afgemaakt, verlaten. En al kwam ik hierna op een gemoedelijk atheneum terecht, de littekens bleven jeuken. Jarenlang kon ik niet anders dan met kille afschuw reageren op alles wat er ook maar een beetje ’sofisch’ uitzag.

Tot het dan weer december werd. De befaamde ’donkere dagen voor Kerstmis’ – die ieder jaar minder donker leken, zeker in de stad. Toch bleef ik, ondanks uitbundige feestverlichting en sprookjesachtig stralende etalages, de adventsspreuk uit mijn jeugd innerlijk spreken. Onderweg naar een feestje, café, bioscoop, debatcentrum of een in dennentakken en glimmende strikken verpakt warenhuis, dat hierdoor zelf een geschenk leek. Telkens weer die woorden, als een mantra die zich loszong uit mijn voetstappen, mijn door de kou waarschijnlijk wat gejaagde tred: Dat het helder stralen, LICH-TEN! mag – heel ver. Nostalgie? Ook dat. Een beetje. Ik gaf het knarsetandend toe, uitsluitend aan mezelf.

Tegelijk had ik het idee dat ik met het reciteren van de spreuk iets probeerde op te wekken in mijn gemoed. Monter, maar niet op de militante toon van iemand die heeft besloten dat zijn brein aan zogenaamd ’spirituele’ herprogrammering toe is. (’Voortaan denk ik alleen nog maar positief! Het leven is fantastisch, ieder ogenblik is een avontuur, en er is geluk, succes en geld voor mij in overvloed!’) Met dergelijke new age-achtige egopeptalk had de adventsspreuk niets te maken: als de woorden inderdaad iets wekten, dan deden ze dit behoedzaam, zoals de prins Doornroosje wakker kuste, nadat ze honderd jaren had geslapen.

En wat er werd gewekt, was een stemming die juist veraf stond van nostalgie, van een sentimenteel heimwee naar door het geheugen plotseling toch nog roze geverfde jeugdherinneringen.

De toptienlijstjes van beste boeken, liedjes en films van het afgelopen jaar en de terugblikken op alle spectaculaire gebeurtenissen daarin, mochten behoren tot het ultieme decembervermaak in kranten en op radio en televisie – bij het mompelen van de spreuk beleefde ik iets wat sterk contrasteerde met al dit knusse achteromkijken. Nee, ook geen laaiend ambitieus verlangen naar Vrede, Gerechtigheid en een Betere Wereld Voor Iedereen; het was een eenzame, ingetogen stemming. Vergelijkbaar met die waarin je een wens doet, terwijl je daarbij een muntje over je schouder werpt, in het water van een bijzondere put, of bron, of fontein. Wanneer je jezelf omdraait, ligt het geldstukje al op de bodem, onherkenbaar tussen de duizenden andere, en lijkt de wens verwaaid, vergeten. Alsof je alleen maar even hebt gezucht.

Zo stil als sneeuw valt, zo stil vallen zulke wensen de diepte in, en er komt geen galmende echo terug. De munten verliezen eerst alle vingerafdrukken en dan hun waarde, hun opschrift, ze smelten langzaam en worden uiteindelijk nog lichter dan vlokken; flinters koper, nikkel, roest. Doffe, donkere onderwatersterren. Symbolen voor de allerintiemste, geheime vragen waarvan niemand ooit zal weten of ze wel beantwoord zijn.

Wanneer de adventsspreuk werkelijk een zo stille, ijle, losse wensstemming in mij wekte, dan betrof deze wensen die omhoog sneeuwden, als de pluizen van een uitgebloeide paardenbloem. Wensen die, zelfs als ik ze allang vergeten zou zijn, zelfs als ikzelf allang dood en vergeten was, misschien wel zo hoog konden komen dat ze de eeuwenoude, stralende sterren alsnog zouden raken. Wensen die langzaam opwaarts vielen, en wellicht konden blijven vallen, tot op de diepe, donkere bodem van de bron, de schaal, die mensen meestal koepel noemen.

Of hemel – in een zorgeloze bui.

Ik wenste mezelf, mijn vrienden en verwanten geen concrete mooie dingen en gebeurtenissen toe, geen voorspoed of vermeerdering van het geluk, geen afwezigheid van ziekte, ruzie, geldnood en verdriet – ik vulde niets in, wilde, kón dat niet, hooguit wenste ik alle levenden, en alle leven, zoiets vaags als ’toekomst’ toe. Toekomst als zodanig. De onbeschreven variant. Toekomst, als een blanco blad dat op een onzichtbare luchtstroom naar je toe komt drijven, deinen, dansen, dalen – dat je komt aanwaaien, dat je in de schoot geworpen wordt.

Toekomst als gave, van een gever die misschien altijd onkenbaar blijft.

Hoewel ik een katholieke achtergrond heb en mezelf nog steeds als katholiek beschouw, heb ik nooit goed uit de voeten gekund met de katholieke kerstviering. Of een parochie nu als orthodox Rooms of als eigenzinnig, oecumenisch georiënteerd of zelfs links te boek staat: vanavond, tijdens de nachtmis of de familiedienst wordt flink uitgepakt met kaarslicht, versiering, daverende liederen en natuurlijk de levensechte stal.

Soms mogen als engel of herder verklede kinderen aan het altaar een versje opzeggen, of wordt het muzikale intermezzo verzorgd door een aandoenlijke gelegenheids-Jostiband. Er wordt gecollecteerd door asielzoekers die eerder in gebrekkig Nederlands hebben verteld over de oorlog in hun land van herkomst, uiteraard met weglating van de tot cynisme stemmende, gruwelijke details: het verhaal moet aansluiten bij dat van Jozef en Maria, voor wie geen plaats was in de herberg van Betlehem, maar die uiteindelijk toch hun plekje kregen. Eind goed, al goed. Leve onze gastvrijheid. En in de mensen een welbehagen.

Kinderen hebben op school kerststukjes geknutseld die bij oude en zieke parochianen worden rondgebracht en in veel kerken wordt na afloop van de mis warme chocolademelk geschonken, een snee vruchtenbrood geserveerd, onder genot waarvan men zich kan laten informeren over zangkoorlidmaatschap, bedevaartreisjes, missieprojecten en bijbelcursussen.

De uitbundigheid waarmee de kerken zichzelf op kerstnacht etaleren, heeft niet zelden een tragische bijklank. Pastores die de rest van het jaar tegen bijna lege banken aankijken, zien zich op dit moment geconfronteerd met wat je oneerbiedig ’een volle bak’ kunt noemen.

De meeste voorgangers willen deze incidentele bezoekers niet teleurstellen. Ze zetten zich over hun eigen ergernis heen en besluiten de kans te benutten; mochten er vooroordelen jegens de kerk bestaan, dan is het zaak die op Kerstmis te ontkrachten, in alle kleuren, geuren en toonaarden denkbaar. Zeker, ik heb regelmatig meegemaakt dat een priester in zijn preek toch even een sneer moest verkopen aan gelegenheidsgelovigen die de kerk beschouwen als een verlengstuk van De Bijenkorf. Maar het merendeel is allang blij met de opkomst, offert originele vondsten en preekt braaf over naastenliefde en eeuwenoude familiewaarden. Zonder daarbij te ageren tegen al wat dergelijke waarden, althans volgens Rome, bedreigt; de nieuwkomers moeten op zo’n gezellige avond niet meteen weer worden weggejaagd. Dus klinkt een risicoloze lofzang op de moederliefde van Maria, de trouwe zorg van Jozef, op de warme aandacht voor elkaar. ’En o, de dankbaarheid en verwondering die we kunnen voelen bij de aanblik van een pasgeborene, in al zijn naaktheid, afhankelijkheid, kwetsbaarheid en onschuld! Hoe zulk pril leven zich aan onze zorgen toevertrouwt, die overgave’ Dát willen mensen in de kerstnacht immers horen: een mijmering over huis en haard, die des te roerender klinkt uit de mond van iemand die huwelijk en gezin wel moet idealiseren, aangezien hij zelf een gelofte tot kuisheid heeft afgelegd en celibatair leeft, om God en de heilige Moederkerk onvoorwaardelijk te kunnen dienen.

Maar hoe moet dat vanaf dit jaar? Kunnen katholieke priesters ooit nog wel over het zuivere en pure in kleine kinderen spreken, zonder dat dit onmiddellijk bijgedachten oproept? Klinken woorden als intimiteit, tederheid, onschuld en overgave niet beladen, nu van de reeks door de kerk toegedekte ontuchtzaken de mantel der liefde eindelijk is weggerukt? Of is dit bij uitstek de gelegenheid om die knuffelige kinderboerderijsfeer van Kerstmis te vervangen? Zo ja, door wát dan? Moet het wereldser? Minder romantisch, meer maatschappelijk betrokken? Moet er vaker kritiek klinken op de gulzigheid, overdaad en verspilling die juist met de feestdagen hun schaamteloze, roekeloze hoogtepunt bereiken? Moeten priesters het bijbelse kerstverhaal verbinden aan actuele thema’s, bijvoorbeeld door het door de Romeinse bezetter uitgevaardigde bevel tot een volkstelling (de reden waarom Jozef en de hoogzwangere Maria van Nazareth naar Betlehem moeten afreizen) te beschouwen als een voorloper van de eventuele plicht tot etnische registratie? Moet men zich, à la columnisten en cabaretiers, feller uitspreken tegen populisme, machtswellust en hol mediageschreeuw? Vraagt Kerstmis eigenlijk wel om de blik te richten op fenomenen buiten ons, hetzij in verheerlijkende zin (gezinsleven, kindertjes, dieren) hetzij in moralistische, afkeurende zin (oorlogen, honger, zelfverrijking) – of is dit feest rond een koude winternacht meer gebaat bij innerlijkheid?

Omdat ik van priesters niet verwacht dat ze me moreel stichten en vertellen hoe te handelen, maar ze in de eerste plaats graag als zielzorgers wil beschouwen, en kerken als plaatsen waar de ziel gevoed, geheeld en omhuld kan worden, ga ik sinds een aantal jaren ter kerke bij de Christengemeenschap, een beweging voor religieuze vernieuwing, die in 1922 – met hulp van de grondlegger van de antroposofie, Rudolf Steiner – door 45 theologen en theologiestudenten van verschillende denominaties in Zwitserland werd gesticht.

Nestgeur? Nee. De stralende afwezigheid van meningen, en de eerbiedige ernst waarmee gebeden worden uitgesproken en cultische handelingen worden voltrokken, gaf de doorslag. Bij de priesters (m/v en niet zelden gehuwd) is ieder woord, ieder gebaar doorleefd en daarmee een uitnodiging om hermetische, gelaagde, vaak herhaalde formules en riten zelf te doorleven. Met zijn strakke vorm roept de ’mensenwijdingsdienst’ op tot een bezield luisteren, kijken en innerlijk meebewegen met de priester aan het altaar, die in zijn of haar toenadering tot de hogere, goddelijke wereld, alle aanwezigen representeert. Op die manier vernieuw je samen de oeroude gebruiken, herstel en actualiseer je van onderaf een ’oude’ verticale verbinding.

Hoewel ik me tijdens de dienst soms diep geraakt voel, bevat de liturgie geen enkel element dat iemand in een emotionele roes kan brengen. Waar je jezelf toch even opgetild weet, blijf je ervan bewust dat de aarde de plaats is waar je de inspiratie moet vorm geven, horig aan jouw roeping, worstelend met jouw specifieke tekortkomingen en blinde vlekken. Geen priester, hoe wijs ook, kan een mens daarin iets voorschrijven; als Christus iets bracht, dan is het wel deze religieuze vrijheid. Welk offer gevraagd wordt, welke gaven je kunt schenken, je verneemt het antwoord misschien juist daar waar je je kunt blijven oefenen in actieve overgave, in onbevangen aandacht en aanwezigheid.

In de Christengemeenschap worden de seizoenen, en dus ook het korter worden van de dagen, eveneens aandachtig beleefd. Op de eerste adventsdag, in een bijna volledig verduisterd lokaal, wandelen kinderen om beurten door een adventstuintje; een op de grond gevormde spiraal van dennentakken. Er worden op fluistertoon (‘Stil nu, stil nu, maak nu geen gerucht’) liedjes gezongen over het kerstkind dat met Maria uit de zon-en-sterrenwereld neer zal dalen, en steeds krijgt een kind een appel aangereikt, met daarin een klein kaarsje. Aan een grote kaars in het midden van het ’doolhof’ ontsteekt het kind zijn lichtje, en schrijdt dan, over het pad tussen de dennentakken door terug, om ergens onderweg zijn brandende kaarsje in de Adventstuin achter te laten. Het volgende kind loopt zijn weg pas als het eerste kind de terugtocht volledig heeft voltooid. Ook dit kind gaat de weg helemaal heen en weer terug, en plaatst zijn brandende kaarsje elders op de lijn.

Geleidelijk ontstaat er in het tuintje een slinger van licht. Een zich vanuit de kern ontrollende, naar buiten wentelende lichtstroom, op de spiraallijn, met de klok mee. In het lokaal ziet men steeds beter elkaars gezicht, en daarop de aandacht, de glimlach, de verwachtingsvolle stemming die door dit ritueel wordt gewekt. Vier diepblauwe schemerweken zullen volgen, waarin het landschap rondom de kerststal gestalte krijgt. Waarin eerst de stenen en mineralen, dan de planten, als derde de dieren en ten slotte de mensen de Komende morgen ervaren. Het Christuskind, de Mensenzoon, het Eeuwig Wordende, het Licht. Het vleesgeworden Scheppingswoord waarover aan het begin van het Johannesevangelie wordt gesproken.

Zowel in de eredienst voor volwassenen als in de Kerstdienst voor kinderen blijft de sfeer uiterst sereen. In de sparrenbomen geen ballen of slingers, maar dertig rode rozen van zijdepapier, en drie witte rond de top: tezamen de drieëndertig levensjaren van Jezus, waarbij de drie witte rozen diens Christusjaren, na de doop in de Jordaan, verzinnebeelden.

Vrolijkheid is er buiten de dienst, bij het Oberufer Paradijs- en Kerstspel, uitgevoerd door amateurs, meestal een paar dagen voorafgaand aan het feest. Deze oude, uit het Duits vertaalde volkstoneelstukken, (begin januari gevolgd door het Driekoningenspel) hebben allemaal iets boers, iets kneuterigs en koddigs, waardoor plechtige, verstilde en dramatische momenten er opvallend uitspringen. Zelfs aan geloofwaardigheid winnen. Zuiver hoeven de spelers niet te kunnen zingen, soepel hoeven ze niet te kunnen bewegen – al is het niet de bedoeling dat het een hedendaagse, geïmproviseerde versie van de klassieke spelen wordt. De acteurs dienen jaar na jaar met volle inzet hetzelfde spel op te voeren, met de vaste teksten, attributen en decorstukken, en de vaste kleuren voor de verschillende kostuums.

Vanaf mijn negende heb ik het kerstspel minstens tien keer gezien – en voor mij is het hoogtepunt daarin de geboorte van Jezus. Stel u voor: een Maria, in een vuurrood onderkleed en een wijde, hemelsblauwe mantel, gezeten op een simpele kruk. Op een afstand achter haar een in het wit geklede engel met in de hand een lange stok met bovenin een goudgele ster.

De door de barre tocht vermoeide Maria heft haar armen met de wijde mouwen tot hoog boven haar hoofd, alsof ze een gordijn voor de nacht optrekt, waarachter ze zich kan verbergen. Ze zingt daarbij zacht een lied. Ingetogen, als in gebed. Meer voor zichzelf dan voor de zaal, of voor Jozef, die in het donker naast haar staat en sluimerend de wacht houdt. Traag laat de engel zijn ster naar de aarde neigen. Tegelijk laat Maria haar armen, ditmaal gebogen, zakken, de ene hand om de andere gevouwen, alsof ze iets omvat. En koestert. En terwijl ze nu zingt over een kindje, kijkt ze aangedaan in het lege ovaal dat haar armen nu samen vormen. Alsof zich daar werkelijk een pasgeborene bevindt. Later wordt het onzichtbare kindje in een kribje gelegd, en de herders, en in het volgende toneelstuk de drie koningen, komen het aanbidden.

Alles wordt in de Oberufer spelen getoond, ook een bebaarde God de Vader – behalve Jezus.

De slang in het Paradijsspel is een listige gluiperd die Eva een echte appel aanbiedt. In het Driekoningenspel, bij de gruwelijke moord op de onnozele kinderen, bevolen door Herodes, worden echte houten zwaarden en abstracte, gezichtsloze lappenpoppen gebruikt, al vloeit er gelukkig geen echt bloed.

Maar daartussen, in het midden van de drie stukken, is er een geboorte van een kind, of van een liefde, die niet verbeeld wordt. Die geestelijk blijft. Alleen de eerbied waarmee Maria, Jozef en de bezoekers naar de lege plek kijken, er voor knielen en deze toezingen of spreken, maakt iets van het mysterie voelbaar. Daar ligt niet zomaar een nieuw mensje. Daar ligt het antwoord op alle menselijke hartswensen samen. Een dageraad. Een gouden toekomst. Het kiemen van vers gras onder afval, dood gebladerte, en roest en sneeuw en ijs. In het gezamenlijk neigen naar het heilige: de ervaring van genegenheid. Als toeschouwer kun je alleen maar heel stil meeluisteren en kijken. Ruimte scheppen, de geboorte mee-maken, en de andere toeschouwers aanzien, alsof je elkaar voor het eerst ziet. Voor het eerst met eigen ogen. Uit een diepe slaap gekust, herboren - alsof je aan de ontmoeting met de ander pas echt wakker wordt.

Zo wordt op subtiele, kunstzinnige wijze aangeduid wat tegelijk te klein en te groot is om te worden benoemd, laat staan dat er over gepreekt kan worden. Maar precies hierdoor blijf ik het geloven. Geloof ik. Natuurlijk wordt de aarde eens een ster.

(Trouw)Beeld AP
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden