Darwins culturele evolutie

aanpassen en overleven | De mens heeft genen in zijn lijf en ideeën in zijn hoofd. Zouden die eenzelfde evolutie ondergaan?

Je zou de modellen die de bioloog heeft om evolutie te verklaren, kunnen toepassen op die andere evolutie die de mens doormaakt: de culturele evolutie. Maar dat gebeurt nu op een naïeve, simplistische manier. Om het goed te kunnen doen, hebben we een revolutie nodig, een nieuw paradigma.


Daar wil Franjo Weissing naar zoeken in de zes maanden die hij mag doorbrengen op het NIAS, het onderzoeksinstituut voor humaniora en sociale wetenschappen van de KNAW, de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen. Weissing, hoogleraar theoretische biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, kreeg een fellowship die hem zes maanden bevrijdt van onderwijsverplichtingen. Hij wil in die tijd wetenschappers bijeenbrengen om na te denken over verklaringsmodellen voor culturele evolutie. Niet alleen biologen, ook psychologen, sociologen en economen. Weissing heeft de illusie noch de pretentie dat hij de beoogde revolutie in gang zal zetten. Maar door het samenbrengen van die uiteenlopende disciplines hoopt hij er een kiem voor te leggen.


Misschien kunnen die wetenschappers doen wat Mendel heeft gedaan voor de evolutietheorie. De grondlegger van die theorie, Charles Darwin, publiceerde zijn grootse werk 'The Origin of Species' zonder weet te hebben van genen en van de manier waarop die van ouder op nageslacht overgaan. Die genetica werd pas later ontdekt, door de Oostenrijkse monnik Gregor Mendel. Mendel publiceerde de resultaten van zijn eindeloze proeven met erwtenplanten in 1866, zeven jaar na Darwins baanbrekende boek. Maar het zou tot het eind van die negentiende eeuw duren voor de waarde van Mendels onderzoek werd ingezien en de genetica de evolutietheorie vleugels gaf.


De kracht van ideeën


Er zijn altijd wel suggesties geweest dat het evolutionaire denken kon worden toegepast op cultuur. Zoals genen er zijn in verschillende varianten, zo zijn er in de samenleving verschillende ideeën. En zoals de ene genetische eigenschap betere overlevingskansen heeft dan de andere, zo is het ene idee sterker dan het andere, en kan dat dus een grotere verspreiding krijgen in de samenleving.


Helaas, zegt Weissing, werd die gedachte aanvankelijk niet gedegen wetenschappelijk ontwikkeld, maar politiek misbruikt. De evolutietheorie werd begin vorige eeuw een rechtvaardiging voor ingrepen die het menselijk ras moesten verbeteren. En vertaald naar cultureel niveau werd dat de rechtvaardiging van het streven naar heerschappij van de westerse cultuur. Het heeft de weg bereid voor een vernietigende ideologie.


De reactie op die vernietigende ontwikkeling was dat er een taboe kwam te liggen op alle biologisch denken over culturele evolutie. Maar de afgelopen vijftig jaar zijn er serieuzere pogingen ondernomen om de evolutietheorie toe te passen op menselijk gedrag en cultuur. Weissing heeft het begin ervan meegemaakt, toen hij studeerde aan de Universiteit van Bielefeld in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen.


"Het mooie van Bielefeld is dat alle faculteiten er onder één dak huizen, letterlijk, met in het midden een grote centrale ruimte waar alle wetenschappelijke disciplines samenkomen. Daar wordt jaarlijks een groot congres belegd. En in 1977 ging dat over gedragsbiologie."


Een van de sprekers was de Britse bioloog Richard Dawkins, die toen net 'The Selfish Gene' had gepubliceerd, zijn strikt genetische verklaring van biologische evolutie, gedrag én cultuur. Een boek dat Dawkins' naam vestigde én dat voor ophef zorgde. Weissing: "Er waren felle discussies. Tijdens Dawkins' lezing werd er gejuicht én boe geroepen. Ik vond het fantastisch. Toen ik na afloop naar buiten liep, zag ik zijn boek uitgestald op een tafeltje. Ik stond het te bekijken toen ik op de schouder werd getikt. Door Dawkins. Ben je geïnteresseerd in het boek?, vroeg hij. Toen ik ja zei, gaf hij me korting."


Daarmee werd Weissing niet bepaald een fan voor het leven. "Als je mijn exemplaar van zijn boek bekijkt staat het vol vraagtekens en kritiek in de kantlijn." Maar wat zich veertig jaar geleden voordeed, door onder andere Dawkins, was een wetenschappelijke omwenteling, een paradigmawisseling. En dat, zegt Weissing, is fascinerend om mee te maken: "We zijn een groot deel van de tijd bezig met science as usual. Dan denk je: we snappen in grote lijnen hoe het zit en zijn bezig met het invullen van de details. Maar dat blijkt dan toch tegen te vallen en dan gaat die kijk op de werkelijkheid wringen. Als er een omwenteling komt, een nieuwe visie, dan pas zie je hoe blind je was binnen dat oude paradigma. Dingen die toen volstrekt logisch leken, zijn ineens evident onjuist."


"Ik werkte in die tijd aan stekelbaarsjes. Bij stekelbaarsjes zorgen de mannetjes voor de eitjes in het nest. En het komt geregeld voor dat een mannetje eitjes uit het nest van een andere stekelbaars haalt en die in zijn eigen nest verzorgt. Biologen vonden dat destijds heel verklaarbaar. Die zeiden: sterke stekelbaarsjes hebben in hun nest meer eitjes dan ze kunnen verzorgen. Andere mannetjes komen te hulp en nemen een deel van de zorg over, want dat is goed voor de soort!"


"In het nieuwe paradigma werd evolutie verklaard op genetisch niveau. Het belang van de soort speelt daar helemaal geen rol. En als je uit genetisch perspectief naar die stekelbaarsjes kijkt, dan zie je een heel andere verklaring: mannetjes halen de eitjes van een concurrent naar hun eigen nest om te imponeren. Ze willen vrouwtjes die langskomen laten zien hoe sterk ze zijn. Kijk eens hoe goed ik ben, ik heb al andere vrouwtjes gehad die bij mij hun eitjes kwamen leggen." Het gaat de stekelbaars dus niet om de toekomst van de soort, maar om zijn eigen voortplantingssucces, zijn eigen genen.


Van genen naar memen


Dawkins lanceerde destijds, in 1976, het begrip 'meme'. Zoals het gen de eenheid was van erfelijke overdracht van biologische informatie, zo moest een meme de eenheid zijn van culturele overdracht: gezegden, melodieën, mode, bouwkunst en techniek. En Dawkins poneerde de stelling dat de wetten van de evolutiebiologie op memen net zo toepasbaar waren als op genen.


Dat staat nog te bezien, zegt Weissing, want er zijn belangrijke verschillen: "Kijk, een gen is een stuk DNA. Je kunt stukken DNA vergelijken en objectief vaststellen of twee organismen eenzelfde gen dragen. Met ideeën kan dat niet. Iedereen heeft bij een bepaald idee een iets andere voorstelling. En ideeën die je hebt wijzigen voortdurend, terwijl je DNA nagenoeg hetzelfde blijft. Bovendien is de overdracht van ideeën volstrekt anders dan die van genetische eigenschappen. Als iemand mij iets vertelt, plaats ik dat in de informatie die ik al heb. Dus dat idee krijgt bij mij een eigen, unieke plek. Daar komt bij dat in de biologie de overerving maar één kant op gaat: van ouder naar nakomeling. Maar cultuurgoederen, ideeën, kunnen ook van kind naar ouder gaan, of horizontaal: van kind naar kind, van ouder naar ouder."


Het is daarom niet verstandig, zegt Weissing, de biologische evolutietheorie rechtstreeks toe te passen op culturele ontwikkeling. Maar een nieuwe theorie van culturele evolutie kan wel de trekken hebben van een evolutietheorie. De kracht van die theorie is dat die heel verschillende disciplines en gebieden verenigt. De paleontoloog, die fossielen bestudeert, kan zijn voordeel doen met nieuwe ontwikkelingen in de genetica. Kennis van de genen die een rol spelen bij de veroudering van de fruitvlieg kan iets vertellen over de laatste dagen van de mens.


Weissing: "De hoop is dat we op dezelfde manier universele wetmatigheden kunnen ontdekken voor culturele processen. Dat we in kaart kunnen brengen hoe culturele processen op kleine schaal, bij het individu, leiden tot culturele verschuivingen op grote schaal, in de populatie. Als dat lukt, dan kan een theorie van culturele evolutie de verschillende disciplines in de menswetenschappen - antropologie, sociologie, psychologie, economie - net zo verbinden als de theorie van Darwin heeft gedaan in de biologie."


Maar daar zijn we al mee bezig, roepen de gedragseconoom en de evolutionair psycholoog in koor. In die wetenschappen worden veelal biologische verklaringen gezocht voor menselijk gedrag. Maar daarbij, zegt Weissing, verliest men vaak uit het oog dat ons gedrag even sterk door culturele processen wordt bepaald als door onze genen of de structuur van onze hersenen.


"Blijkbaar gaat men ervan uit dat culturele processen analoog zijn aan biologische processen. Maar dat is de vraag. Ik denk dat er, behalve overeenkomsten, ook grote verschillen bestaan tussen biologische en culturele evolutie. En daar komen we alleen maar achter door opnieuw te beginnen en een theorie te ontwikkelen die recht doet aan het feit dat een idee zich heel anders gedraagt dan een gen."

Wie is Franjo Weissing?

Franjo Weissing (1956) studeerde wis- en natuurkunde aan de Universiteit van Bielefeld, stapte over naar psychologie, vandaar naar biologie en verbleef ook nog enige tijd onder economen. Dat kon in Bielefeld.


Weissing doet in Groningen onderzoek naar processen die zorgen voor diversiteit, sekseverschillen en verschillen in persoonlijkheid bij dier en mens. Hij kwam enkele jaren geleden in de publiciteit toen hij, samen met Britse collega's, een verklaring vond voor het feit dat dochters geregeld thuiskomen met een man waarin haar ouders weinig zien. De verklaring komt er op neer dat ouders meer tijd, energie en middelen steken in een kind dat een weinig zorgzame partner heeft getroffen. Een groter aandeel in de ouderlijke zorg is daarmee een soort beloning, die evolutionair doorwerkt in het gedrag van dochters: die kiezen voor een 'foute' man.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden