Darwin, man van het millennium

Charles Darwin. Deel van een schilderij dat de Brit John Collier in 1883 maakte, een jaar na de dood van de beroemde bioloog. (Trouw) Beeld EPA
Charles Darwin. Deel van een schilderij dat de Brit John Collier in 1883 maakte, een jaar na de dood van de beroemde bioloog. (Trouw)Beeld EPA

In het jaar waarin de tweehonderdste geboortedag van Darwin wordt herdacht, verschijnt het ene na het andere boek over deze beroemde bioloog. Marinus de Baar las er vier, betrapte de auteurs op enkele fouten en omissies, en viel voor het boek van de Amerikaanse filosoof Ruse.

Op de afdeling biologie van de wat grotere boekhandel word je vanuit verschillende hoeken aangekeken door een oude man met een witte baard in een zwarte jas. Niets om bang van te worden: het is Charles Darwin (1809-1882) die op de omslag van meerdere boeken toekijkt wie er op zijn feestje afkomt. Want hij is jarig. Tweehonderd jaar maar liefst, en als je sommige auteurs van die boeken mag geloven haalt hij de duizend wel.

Chris Buskes kwalificeert Darwins hoofdwerk ’Over het ontstaan van soorten’ (1859) als ’het belangrijkste werk van het voorbije millennium’ en Rogier Deckmyn spreekt over ’het allerbelangrijkste (wetenschappelijke) boek ooit’. Wat zou één oude man (met een witte baard) nu gedaan kunnen hebben om de man van het millennium te worden? Het antwoord is zo ongeveer dat hij die andere Oude Man daarboven, ook met een witte baard trouwens, uit diens betrekking heeft ontslagen.

Tweeduizend jaar lang was Europa ervan overtuigd dat God de natuur had geschapen en geordend. Darwin toonde echter aan dat soorten in de natuur telkens uit elkaar ontstaan, zonder schepping of ingrepen van bovenaf. Dat is behoorlijk heftig voor iemand die theologie studeerde met de bedoeling ergens dorpsdominee te worden. Het verhaal is bekend: Darwin onderbrak zijn studie om met het schip de Beagle een wereldreis te maken, onbekende kusten te verkennen, en kwam na vijf jaar terug als een ander mens.

Zonder Darwin en die reis zouden we nu niet weten waar de Galápagoseilanden liggen. Hij had op verschillende eilanden uiteenlopende soorten vinken gevangen en meegenomen. Maar dat het verschillende soorten waren, leerde hij pas na terugkomst van een Britse vogelkenner. Buskes en Deckmyn vermelden een slordigheidje van Darwin: hij had de vinken die hij had meegenomen niet per eiland gekenmerkt. Wat ze niet vertellen is dat een drietal scheepsmaten van Darwin dat wel had gedaan met de vinken die zij hadden gevangen. Zo had Darwin een ’backup’. Toch niet onbelangrijk om de verschillende vinkensoorten met de verschillende eilanden te kunnen combineren en zo tot het idee van soortvorming door geografische isolatie te komen.

Dat Darwin in 1858 bijna ingehaald werd door een collega-bioloog, Alfred Russel Wallace (1823-1913), die het principe van natuurlijke selectie ook had ontdekt, is zeer bekend en wordt door alle vier auteurs vermeld. Maar wat ze alle vier hebben gemist, is het toch wel interessante feit dat Darwin en Wallace niet de eersten waren die het principe van natuurlijke selectie hebben ontdekt. Twee Schotten gingen hen voor: William Charles Wells (1757-1817) en Patrick Matthew (1790-1874). De eerste legde ergens in een postscript de donkere huidskleur van Afrikanen uit als het gevolg van natuurlijke selectie en de tweede schreef over natuurlijke selectie in een bijlage bij een boek over bosbouw. Postscript en bijlage: begrijpelijk dat ze weinig aandacht trokken.

Darwins leven, leer en maatschappijvisie wordt eenvoudig en helder uiteengezet door respectievelijk Hovius, Buskes en Vandermassen. Vaak door Darwin zelf te citeren. Vandaar: ’In Darwins woorden’. Dit is een boek voor het brede publiek. Als je wilt weten uit welke familie Darwin kwam, en hoe het was gesteld met zijn gezinsleven en gezondheid, als je de kern van zijn evolutieleer wilt leren kennen en hoe hij zijn bewijzen daarvoor verzamelde, en als je wilt weten hoe hij dacht over vrouwen, slavernij en niet-blanke rassen, dan is dit boek een goede keuze.

Wat bij Buskes c.s. door verstandige zelfbeperking ontbreekt, wordt aangevuld door Deckmyn die ingaat op hoe het darwinisme zich verder ontwikkelde. Zijn boek heeft veel meer aandacht voor erfelijkheidstheorie, met onder andere een mooi hoofdstuk over Mendel (1822-1884), die erwten kweekte en opschreef wat er uit kruisingen resulteerde.

Mendel heeft maar zo’n veertig bladzijden gepubliceerd en werd pas dertig jaar later ontdekt, maar hij staat wel aan het begin van wat we nu genetica noemen. De enorme opmars daarvan voegde zich in de eerste helft van de vorige eeuw samen met Darwins evolutieleer tot wat bekend staat als de evolutionaire synthese. Daarvan doet Deckmyn verslag. Maar wel met veel slordigheden en uitglijders. Darwins hoofdwerk ziet op de ene bladzijde op 24 december 1859 het licht en op een andere op 24 november (de juiste datum; Over het ontstaan van soorten was geen kerstkindje). In het kader van rasverbetering schrijft Deckmyn dat de Nederlandse regering selectief bepaalde welke kloeke boeren de nieuwe Wieringermeerpolder mochten koloniseren. Daarbij haalt hij die polder en de latere Noord-Oostpolder door elkaar en daartussen zitten toch tien jaren en vijftig kilometer.

Ergens anders verwijst Deckmyn naar de ’Comptes Rendus’ van de Parijse Academie van Wetenschappen (verslaglegging of rekenschap; ’comptes’ gaat terug op ’compter’, rekenen). Pal daarop verwijst hij naar de ’Contes Rendus’. ’Contes’ betekent sprookjes of verhaaltjes en als hij de Parijse academie belachelijk had willen maken dan was het wel leuk gevonden. Weer ergens anders beschrijft hij hoe evolutie werkt door kleine gunstige variaties vast te houden. Hoe dat gebeurt? Nou, stel je voor dat een aap op een PC willekeurig toetsen aanslaat. Daar zal niet gauw Shakespeares Hamlet uit resulteren. Maar wel als je telkens alle juiste letters ’vastklikt’. Aardig voorbeeld. Goed gevonden, dat wil zeggen: in het derde hoofdstuk van Richard Dawkins’ ’The Blind Watchmaker’. En dat had Deckmyn er wel eens bij mogen vermelden! De evolutie van het darwinisme is al met al wel vlot geschreven; misschien iets te vlot.

Bart Leeuwenburgh heeft met zijn ’Darwin in domineesland’ een lacune gevuld. Hoe werd Darwin hier ontvangen? Dat is de vraag die Leeuwenburgh zich stelt. Uit zijn studie blijkt dat het hier aanvankelijk nogal rustig bleef. Vakgenoten van Darwin oordeelden dat diens theorie bij gebrek aan empirische onderbouwing slechts een interessante hypothese was: „Hoe glibberig en duister is de weg, dien men bij het nevellicht van elke hypothese betreedt, zoodra de ervaring ophoudt ons te ondersteunen”, schreef Pieter Harting (1812-1885) die zoölogie en plantenfysiologie doceerde in Utrecht.

Het was allemaal nogal speculatief, misschien een beetje wild dus. Maar het werd pas echt wild toen vrijdenkers en radicalen zich hier met het darwinisme gingen bemoeien. Wat men in domineesland absoluut niet kon waarderen, was dat wij van de apen zouden afstammen. Allerlei nuances in de omgang met het darwinisme worden door Leeuwenburgh scherp geanalyseerd: van de Utrechtse filosoof Cornelis Opzoomer (1821-1892) die afstand en vrede bewaarde tussen geloof en wetenschap, tot de Duitse atheïst Karl Vogt (1817-1895) die in een reeks geruchtmakende lezingen te Rotterdam zijn bijnaam ’Affen-Vogt’ waarmaakte. „Wij zijn waarlijk nieuwsgierig”, schreef De Maasbode in 1868, of de Rotterdammers naar hun ’apentuin’ zullen snellen „om daar den eersten baviaan den beste als hun ur-vader te omhelzen”. Er zou nog een schot zijn gelost tijdens de laatste lezing. Groot kabaal in een klein land.

Michael Ruse heeft veertig jaar besteed aan de studie van Darwin en het darwinisme. Na eerdere boeken heeft hij nu, met zijn Charles Darwin, weer een voltreffer geplaatst. Het is zo’n boek dat helemaal goed is, waar je gelukkig van wordt.

In grote lijnen komt zijn boek neer op vragen als wat de evolutieleer eigenlijk is en wat je ermee kunt verklaren. Nader gespecificeerd: wat voor soort wetenschap bedreef Darwin? Was het hypothetisch of empirisch? Wat is het wetenschappelijk gehalte van de theorie van natuurlijke selectie? Als je zegt dat natuurlijke selectie betekent dat de best aangepasten overleven en vervolgens vraagt wie de best aangepasten zijn en dan antwoordt dat het degenen zijn die overleven, voelt iedereen wel aan dat we niet veel opschieten. Zijn de wetmatigheden van de evolutieleer vergelijkbaar met die van de natuurkunde? Newton was wel Darwins grote voorbeeld, maar heeft hij hem ook geëvenaard of zelfs overtroffen? Kun je evolutietheorie ook toepassen op andere gebieden dan de biologie? Is er, bijvoorbeeld, ook een strijd om het bestaan tussen goede en minder goede ideeën? Zijn onze morele opvattingen het resultaat van evolutie? Door dergelijke vragen bewijst Ruse zich als filosoof en penetreert hij diep in het wezen van het darwinisme.

Zoveel wordt wel duidelijk uit alle vier besproken boeken: Darwin heeft inderdaad ’het boek van het millennium’ geschreven en die oude man met zijn witte baard zal ons nog lang blijven achtervolgen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden