Darwin had gewoon mazzel

In 1858 presenteerden Charles Darwin en Alfred Wallace samen hun ideeën over het ontstaan der soorten. De evolutietheorie heeft meerdere vaders, beweert Redmond O'Hanlon. En dat zijn niet alleen Britten, schrijft Alexander Reeuwijk.

In het jaarverslag uit 1858 van de Linnean Society of London schrijft de voorzitter dat er dat jaar 'niets bijzonders was gebeurd.' De man moet zich jaren later zijn ogen uit zijn kop hebben geschaamd. De Linnean Society is tot op de dag van vandaag een prestigieus wetenschappelijk genootschap dat zich vooral bezighoudt met genetica en andere biologische thema's. In 1858 presenteerden twee Britse wetenschappers, Charles Darwin en Alfred Russel Wallace in een gezamenlijke actie twee artikelen aan de Society. Beide gingen over 'de wetten aangaande het voortbrengen van varianten, rassen en soorten'. Een flink deel van het gezelschap kreeg de portee van de stukken waarschijnlijk niet helemaal mee, met dank aan een copieus diner dat aan de presentatie voorafging. De enige die het wel kon volgen vond het deels voorspelbaar en voor een ander deel gewoon onzin.

Het is een van de smakelijke anekdotes die reisverhalenschrijver Alexander Reeuwijk optekende uit de mond van Redmond O'Hanlon, collega reisverhalenschrijver en Darwin- en Wallace-adept. Ze staan in het boek 'Darwin, Wallace en de anderen', dat zojuist is verschenen. Meer dan anderhalve eeuw na die genante vertoning bij de Linnean Society kan geen weldenkend mens nog om de stukken van Darwin en Wallace heen. Al zal de naam Wallace maar bij een enkeling enige associatie oproepen. Toch was Wallace strikt genomen eerder met het publiceren van een aanzet tot een evolutietheorie dan Darwin. Uit de reconstructie die O'Hanlon ontvouwt, zou je zelfs kunnen concluderen dat Darwin gewoon enorme mazzel heeft gehad. Mazzel dat Wallace zo'n nette, integere man was.

Zoals Darwin in 1831 als 'gesprekspartner uit de juiste sociale klasse' meereisde met kapitein FitzRoy op de HMS Beagle, zo reisde Wallace in 1848 op de Mischief naar Brazilië. Net als Darwin verzamelde Wallace een enorme hoeveelheid dieren. Helaas voor Wallace verging het schip waarop hij terugkeerde naar Engeland. Wallace overleefde, zijn huiden, opgeprikte insecten en dieren op sterk water niet. Maar Wallace gaf niet op. Een paar jaar later vertrok hij opnieuw, nu naar Azië. Daar, tijdens een aanval van hevige koorts op het Molukse eiland Ternate, zag Wallace het licht. Het principe 'survival of the fittest' , ofwel: de natuurlijke selectie zoals Darwin die later ook beschreef, plantte zich in zijn hoofd.

Had Wallace in de Academische Wereld anno nu geleefd, dan had hij ervoor gezorgd dat hij zijn theorie gepubliceerd had voor een ander ermee aan de haal kon gaan. Maar in plaats daarvan stuurde hij hem aan Darwin, van wie hij wist dat hij zich, eufemistisch gezegd, ook voor het onderwerp interesseerde. In werkelijkheid was Darwin al twintig jaar aan het ploeteren en zwoegen op de uitwerking van een vergelijkbare theorie, waarvoor hij de basis op de Galapagos-eilanden had gevonden.

Darwin moet bij het lezen van het conceptartikel van Wallace uit 1855 het gevoel hebben gehad dat de eeuwige roem hem zojuist door de vingers was geglipt, zo tekent Reeuwijk in zijn boek op uit de mond van Redmond O'Hanlon. Maar toch hebben we het vandaag de dag over de evolutietheorie van Darwin en niet over die van Wallace. Voor een belangrijk deel lijkt dat te komen door de entourage van Darwin. Hij verkeerde in de betere kringen met de betere contacten. Wallace was maar 'een gewone jongen', die bovendien na thuiskomst in Engeland op enig moment een flinke tik van de molen lijkt te hebben gehad. In 1866 schreef hij bijvoorbeeld een bloedserieus boek over de wetenschappelijke aspecten van het bovennatuurlijke. De wetenschappelijke gemeenschap moest er niets van hebben. Exit Wallace.

Zoals de titel van het boek van Reeuwijk suggereert waren er nog anderen naast Darwin en Wallace. De auteur heeft er dan ook goed aan gedaan om naast Redmond O'Hanlon nog andere gidsen door de wonderlijke geschiedenis van de evolutieleer uit te nodigen voor zijn boek. Midas Dekkers bijvoorbeeld, een groot pleitbezorger van het gedachtegoed van de Duitse arts en zoöloog Ernst Haeckel. "Haeckel was een van de eersten die de ideeën van Darwin in zijn eigen publicaties over de diversiteit van kleine zeediertjes inbouwde", zo licht Dekkers zijn bewondering voor Haeckel toe. "De snelheid waarmee hij dat deed bewijst volgens mij dat hij al vóór de publicatie van Darwin's 'Origin of species' vergelijkbare gedachten moet hebben gehad. Haeckel was ook de eerste die een soort evolutionaire stamboom optekende, met eencelligen aan de basis en mensen in de kruin. Maar zoals Wallace een klap van de spirituele molen heeft gehad, zo werden Haeckels ideeën later bezoedeld door ene A. Hitler." Exit ook Haeckel uit ons collectieve geheugen.

Het opnemen van hoofdstukken over Haeckel, en zeker ook over onze eigen botanicus Hugo de Vries - bepaald geen onbelangrijke bouwer aan de basis van de erfelijkheidsleer - maakt het boek van Reeuwijk duidelijk waardevoller dan wanneer het alleen een Darwin, Wallace en O'Hanlon show was geworden. Door mensen als Dekkers uit te nodigen bij de vele gesprekken in de Artis bibliotheek, duwt de zelfverklaard biologisch naïeve auteur zijn nestor O'Hanlon bij tijd en wijlen van zijn stokpaardjes. Hugo de Vries was een Nederlander, en Haeckel, erger nog, een Duitser. Daar heeft de Brit O'Hanlon niet zo veel mee, geeft hij ruiterlijk toe. En als O'Hanlon bij een gesprek in het café tegenover Artis, na een dag serieus bomen over seksuele selectie, oppert dat vrouwen in dezelfde ruimte op basis van de feromonen in de lucht op een gegeven moment gelijktijdig gaan menstrueren, helpt Dekkers hem met genoegen uit de droom. "Broodje aap zonder empirisch bewijs", vindt Nederlands meest dwarse bioloog.

In het afsluitende hoofdstuk, waarin Reeuwijk aan de handen van stadsbioloog Remco Daalder en schrijver Kester Freriks op zoek gaat naar sporen van evolutie in het hier en nu hadden nog wel wat meer stokpaardjes mogen struikelen. "Eén op de tien kinderen is tegenwoordig buitenechtelijk", beweert O'Hanlon stellig, ter illustratie van het fenomeen seksuele selectie. Hij baseert zich daarbij op een publicatie die inmiddels door veel beter onderzoek is weerlegd. "Halsbandparkieten verdrijven de inheemse vogels uit de stad", citeert de auteur de onderbuik van vogelliefhebber Freriks, als het gaat over de evolutie van stadse vogels versus plattelandsvogels. Het is ook een stelling zonder wetenschappelijke basis. Het zijn kleine smetjes op een bijzonder soepel geschreven boek dat de geschiedenis van de evolutieleer in een breder perspectief plaatst. Een perspectief dat vooral Wallace en de anderen eer aandoet.

"Ik moet er niet aan denken wat er zou zijn gebeurd als al het werk van Darwin voortijdig verloren zou zijn gegaan", zegt O'Hanlon op een gegeven moment tegen de auteur. Na lezing van het boek van Reeuwijk weet je beter. En ook O'Hanlon geeft het desgevraagd met enige tegenzin toe: "Als Darwin of Wallace niet met de evolutietheorie waren gekomen was er wel iemand anders opgestaan. Het hing onvermijdelijk in de lucht."

Darwin, Wallace en de anderen, Evolutie volgens Redmond O'Hanlon is uitgegeven door Atlas als paperback. Het boek kost 24,95 euro. ISBN 9789045018782

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden