Dansgroep van Hans Snoek werd mét de kinderen volwassen

'Romeo en Julia', vanavond première in de Rotterdamse Schouwburg; daar ook te zien 17 en 18 (ook matinee) juni ; 22 juni in Muziektheater Amsterdam, 27 en 28 juni in het Danstheater aan het Spui in Den Haag.

Hoewel Scapino tegenwoordig de jeugd niet meer als doelgroep heeft, betekent dat niet dat zij geen rekening houdt met al die kinderen die elders in oorlog moeten opgroeien. Sterker nog, choreograaf Ed Wubbe en componist Henk van der Meulen hebben Shakespeare's klassieker aangegrepen om te laten zien dat ook in formele vrede verliefdheid ontwricht raakt, door vreemdelingenhaat en gebrek aan tolerantie. In een geheel in de kleur van de vrede getooide, multicultureel klinkende wereld worden de twee tieners tot zelfmoord gedreven.

Vanuit danshistorisch retrospectief had Ed Wubbe geen toepasselijker onderwerp voor dit jubileum kunnen kiezen. Ook de geschiedenis van de altijd wit geschminkte en geklede Scapino zelf doet aan die van Romeo en zijn Julia denken.

Oorspronkelijk hielden de reeds in de hongerwinter rond Hans Snoek verzamelde artiesten zich helemaal niet zozeer met de jeugd bezig. Vóór alles wilden zij weer aan de slag. In een achterhuis aan de Keizersgracht werd gedacht aan een van de torenspits gevallen gouden zwaan en een zoekgeraakte toverfluit. In bevrijd Nederland moesten beide symbolen van poëzie en muziek in ere hersteld en teruggevonden worden. De bevrijding kondigde een nieuwe wind en een nieuw geluid aan. Toen werd ook door artistiek adviseur Abraham van der Vies de naam Scapino ingebracht, want in de carnavaleske roes van die hete zomer deed dit groepje Amsterdamse theaterschelmen hem aan een stel Italiaanse Commedia-dell'-Arte-spelers denken. De bekendste toneelschelm uit Venetië heette Scapino.

Door de oorlog uit training geraakt togen twaalf dansers en hun choreografe aan het werk. Nicolaas Wijnberg en Hans van Norden beschilderden bordkarton met straatgeveltjes; met oude gordijnen en de klerenkast van Hans Snoek werden wonderen verricht en Lex van Delden en Wim Franke schreven de muziek.

In februari 1946 werd onder auspiciën van dagblad Het Parool tien dagen achtereen in theater Carré opgetreden, door inschakeling van het Amsterdamse onderwijs voor duizenden Amsterdamse lieverdjes. Een kinderhand was zeker in die dagen snel gevuld en tussen de Amsterdamse jeugd en de 'Scapinezen' was het liefde op het eerste gezicht. Romeo Scapino en Julia Jeugd hadden elkaar op het bal in Carré gevonden. Hans Snoek en haar zakelijk leider Jochem Uittien wierpen zich terstond als de Min en Broeder Laurenzo op. Schilders, schrijvers, componisten werden gevraagd om Mercutio te spelen. Allen beseften dat via de kinderen van de oorlog ook veel onwetende ouders voor toneeldans te winnen waren.

Vanaf toen was het Scapino Ballet er dus voor de jeugd, al heeft Scapino nog jarenlang ook in soldatenkazernes gedanst. Zwaan en fluit deden hun magische werk en dertien jaar later gaf Scapino zijn tweeduizendste voorstelling. Meer dan anderhalf miljoen schoolkinderen waren bereikt en kregen door de Scapino-schelm de gedanste sprookjes, straatspelletjes, volksliedjes uitgelegd. Vooral acrobaten, dieren, pasja's en harems deden het goed in de jaren van de verplichte lepel levertraan.

Rond 1950 vond de balkonscène plaats, waarin dansgroep en jeugd elkaar hun liefde verklaarden. Niet alleen kinderen werden bereikt, maar ook hun juffen, meesters, ouders en schouwburgdirecties. Met haar allerbeminnelijkste glimlach legde Hans Snoek uit dat een gedanst sprookje helemaal niet zo zedenbedervend voor de verwilderde jeugd was. God vindt dat vast wel goed, en desnoods trekken de danseressen wel een truitje over hun blote schouders.

Even onverbiddelijk was haar glimlach naar de politici, die met subsidie over de brug moesten komen en dat schoorvoetend ook deden. Het hielp zeker dat ook de meisjes Oranje van haar balletles kregen. In prinses Irene zouden we een ballerina van allure hebben gemist en de bewondering die bij prinses Beatrix voor ballet werd gewekt, zou de danskunst na haar troonsbestijging zeker geen windeieren leggen. Duizenden kinderen hadden zelfs spontaan hun spaarpotjes omgekeerd toen in 1954 een fel uitslaande brand een einde dreigde te maken aan hun geliefde Spacino-Pascino-Scalpino-Spagettino.

Toen Snoek bij haar afscheid in 1970 aankondigde dat haar nieuwe doel een jeugdtheater-gebouw in Amsterdam was, wist iedereen dat haar dit vast wel zou lukken, maar ook dat het dansklimaat sterk veranderd was. In dat jeugdtheater (De Krakeling) zouden de voorstellingen er heel anders uit gaan zien. Ten eerste omdat voor de kinderen van de jaren '70 niet meer in de schaduw van gisteren gedanst hoefde te worden. Het opkomende kleine-zalen-circuit bracht bovendien een nieuwe presentatie met zich mee en niet ten laatste vocht ook de tv (mede door de pioniersgeest van Snoeks echtgenoot Erik de Vries) voor een plek in de kinderziel. Het Scapino Ballet betrok een voormalig industriegebouw in Amsterdam-west en in dit 'Hart van Scapino' zouden onder leiding van Armando Navarro en Jan Schretzmeier heel wat by-pass-operaties plaats hebben. Begin jaren tachtig was evenwel duidelijk dat de oude Scapino-geest het moest afleggen. Aan de in 1993 aangetreden artistiek leider, Ed Wubbe (1957) kwam de taak toe om een vooral twintig- en dertigplussers aansprekende geest in de groep te blazen.

De belangrijkste oorzaak van Scapino's afscheid van de schoolgaande jeugd lag - oh paradox! - in het veranderende onderwijs zelf. Sprookjes moesten sociaal geëngageerd zijn, verhaaltjes educatief verantwoord en dus zo actueel mogelijk, en spelletjes moesten de verbeeldingswereld stimuleren. Er werd dus niet meer over zeemeerminnen, gouden sleutels of hinkelen met hoepels gedanst, maar over watervervuiling, tandplakbestrijding, straatvandalisme. Verhalend ballet voor schoolkinderen in het dichtstbijzijnde theater maakte plaats voor zelfwerkzaamheid en schooltelevisie.

Ruim vijftien jaar na de oprichting van Scapino deed zich ook de West-Side-Story-rage voor. Dat was de grootste doorbraak van danspopularisering na 1945 op basis van het naar de Newyorkse slums geactualiseerde Romeo-en-Julia-verhaal. Met hun dans op gympjes deelden de Jets en de Sharks destijds, zowel naar de Scapino-dansers als naar de Nederlandse jeugd, een flinke optater uit. Een echte nekslag werd de schaalvergroting van de theaters in de Randstad, zo'n vijftien jaar later. Scapino, Nederlands oudste groep en derde in grootte, gooide hoge ogen naar de verbouwde Rotterdamse Schouwburg. Na veel schermutselingen werd Ed Wubbe tenslotte de man die de verhuizing naar de havenstad moest begeleiden. Met zijn opwindende 'Kathleen' als zijn visitekaartje in Rotterdam maakte hij zijn 'West Side Story of the Nineties', zoals Isabelle Lanz zo treffend in Trouw schreef. 'Kathleen' werd Wubbe's voorproef en opmaat tot zijn nieuwe Romeo-en-Julia-variant, waarin hij de multiculturele samenstelling van de Rotterdamse populatie als startpunt nam. Eindelijk, ruim dertig jaar na dato, krijgen de Newyorkse Jets & Sharks van Wubbe dus een 'Scapinees' commentaar, op eigentijdse Rotterdamse leest.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden