DANS EN DE VERGETELHEID

Vanavond wordt in Den Haag het Holland Dance Festival geopend met 'Forgotten Land', een ballet van Jiri Kylian uit 1982. Die titel is heel toepasselijk, want een deel van het festival is gewijd aan het geheugen van de Nederlandse moderne dans. Welk ooit betreden dansland is al vergeten? Een antwoord op die cryptische vraag bieden de acht reconstructies van Nederlandse dansprodukties uit 1975-1985. Onder de verzamelnaam 'Dertig jaar moderne dans in Nederland' worden drie decennia tot drie voorstellingen samengesmeed. Zij noden Eva van Schaik tot een omzien in verwondering. Ook dansrecensenten krijgen grijze haren.

De pijnlijkheid zit 'm in het feit dat uitgerekend Bianca van Dillen, na vijftien jaar leiderschap van Dansproduktie, haar dansgezelschap kwijtraakte door een mede door Gosschalk ondertekend subsidie-advies.

Vanwege hun verstrengelde verledens en belangen werden beide vrouwen door Marc Jonkers, initiator en programmeur van het Holland Dance Festival, aan eenzelfde tafel geinviteerd. Veel nieuws leverde het gesprek niet op, ook al kregen de dames door Jonkers het vuur aan de schenen gelegd. Jonkers meent dat de dansmakers in Nederland bang zijn. Zij weigerden risico's te nemen en lieten na duidelijkheid te scheppen. Het ontberen van een volwaardige status in kunstenland zou de moderne dans daarom ook grotendeels aan zichzelf te wijten hebben.

'De gesel van vernieuwing' kopt het artikel boven hun hoofden, in knallend paars. Er had net zo goed in fluorescerend groen 'Het falende geheugen van de danskunst' kunnen staan. Aanleiding tot de gedachtenwisseling is de door Jonkers geentameerde reconstructie van acht hoogtepunten uit de moderne dans 19751985, onder de noemer 'Dertig jaar Nederlandse moderne dans'. Komende zaterdag en zondag is die periode tot drie dansvoorstellingen terug gebracht: een kopstoot van zes uur dans, die ongetwijfeld bij de ooggetuigen van deze geschiedenis een ander effect zal hebben dan bij de mensen die er nu voor het eerst mee geconfronteerd worden. Daarmee wordt ons een lesje geboden over de conditionering van onze zintuigen. De hernieuwde kennismaking met acht dansprodukties die tien tot vijftien jaar oud zijn, roept niet alleen de vraag op hoe traditie in dans wordt gevormd, maar ook hoe dans als de vluchtigste der kunsten zich laat herinneren.

De drie betrokkenen weten over welke gesel en welk dreigend geheugenverlies zij praten. Voor de huidige dansgeneratie is hun kennis echter zo goed als abacadabra, want bijkans alle moderne dans uit die doorbraakperiode is vervallen tot woorden. En zoals bekend, juist het woord is vanouds de grootste vijand van de kunst zonder woorden.

Wat bleef er nog meer over van die dertig jaar bloed, zweet en tranen in en rond het kleine zalen-circuit? Een kast met zwart-witte videotapes, stapels recensies en herinneringsflarden bij de toeschouwers. Niet alleen die mensen kregen grijze haren, ook die videotapes vergrijsden. Uit al die grijze materie moeten nu de dansers van een sterk vernieuwde Rotterdamse Dansgroep en studenten van de Rotterdamse Dansacademie en Amsterdamse Theaterschool een nieuwe geest in acht monumenten uit de periode 1975-1985 zien te blazen.

Die bouwwerken werden destijds ontworpen door Ton Simons, Hans Tuerlings, Ton Lutgerink, Bianca van Dillen, Jacqueline Knoops, Krisztina de Chatel. Dit zestal gaf de moderne dans in ons land haar veelzijdige gezicht. Zij zijn ook de belangrijkste architecten van wat nu de Amsterdamse en Rotterdamse School in de nieuwe dans wordt genoemd. In de theaterzalen rond het Haagse Spui zullen zij eensgezind naast elkaar een geheugentest ondergaan. Bij deze reconstructie van een gedeeld verleden blijkt in de moderne danssector dus wel mogelijk te zijn wat bij de constructie van een gedeelde toekomst maar niet van de grond wil komen.

Oudere Trouw-lezers zullen zich nog de muziek- en danskritieken van Hans Ledeboer herinneren. In 1978 kwam daaraan een einde, en met ingang van september 1978 - achteraf het doorbraakjaar van de bovengenoemde tweede moderne dansgeneratie - werd in deze krant door twee vrouwen over dans bericht: de onlangs veel te vroeg overleden Ineke Sluiter en ondergetekende. (Eva zou tot 1981 nog Eefje zijn.) In 1983 werd Ineke Sluiter door Isabelle Lanz opgevolgd. Dagblad Trouw werd daarmee de eerste krant die twee verslaggeefsters voor de sterk uitdijende sector dans inschakelde. Voor een mens was het onmogelijk de dansontwikkeling in Nederland bij te benen. Sluiter en ik waren behalve collega's op de krant, ook collega's op de dansafdelingen van de Theaterschool. Zij had zelf gedanst, het Rotterdams Dans Ensemble geleid en gaf les in moderne dans. Ik doceerde dansgeschiedenis en studeerde dat jaar af als historica, op het onderwerp 'Dans in de vroegmiddeleeuwse kerklitteratuur'. Door mijn komst bij Trouw verdwenen de kerkvaders al snel uit mijn leven. Sterker nog, ik voelde mezelf in een soort dansprediker veranderen.

Mijn allereerste interview en achtergrondartikel betrof een bezoek aan de zojuist opgerichte Stichting Dansproduktie. De vijf vrouwelijke kernleden onderzochten het fenomeen 'lopen'. Dat was in juni 1979. De vijf deden er nogal pretentieus over, vond ik, want vier uur ononderbroken lopen kwam mij niet als iets buitengewoons voor. Interessanter was echter dat zij een wandeling van een uur, ongeacht de weersgesteldheid, aan hun dansvoorstelling vooraf lieten gaan en met die inwendig opgeslagen ervaring hun dans-loopkunst in het theater voortzetten. Wie wilde, kon meelopen. Met elkaar en met hun publiek leken zij een soort uitputtingsslag aan te gaan. 'Lopen' moest als een poging tot een zichzelf-binnenstebuiten-keren worden opgevat.

Het vijftal was, met uitzondering van Bianca van Dillen, ongeveer even oud als ik. Nu, vijftien jaar later, heb ook ik heel wat dansvoorstellingen afgelopen en vervolgens mijn binnenste buiten gekeerd. Over ruim de helft van zo'n tweeduizend geattendeerde dansvoorstellingen werd door mij ook in Trouw gerapporteerd. Destijds had ik direct mijn 'typificaties' van de vijf 'loopsters' klaar: van de melancholieke mystiek van Truus Bronkhorst, de clowneskerie van Margie Smit, de katachtige lenigheid van Pauline Daniels tot de gedistingeerdheid van Patrice Kennedy. Van Dillen leverde verreweg de meeste problemen: ik noemde haar na lang aarzelen 'aarzelend koket'. Terecht hebben de danseressen me er nog jaren mee achtervolgd. Ik hen trouwens ook.

Als beginnend critica viel ik met mijn neus in de boter. 1979 was het jaar van 'Live/Life' (Het Nationale Ballet), 'Lopen' (Stichting Dansproduktie), 'Lines' (Dansgroep Krisztina de Chatel), maar ook van de doorbraak van Jiri Kylian, zojuist aangesteld als artistiek leider bij het Nederlands Danstheater, en van een stoet jonge choreografen, die zich via de nieuw opgerichte workshops, Intro-dans, Scapino en de Springplank (later NDT 2), aanmeldden.

Vanuit het buitenland kwam de ene vloedgolf na de andere aanrollen: Bausch, Butoh, Brown, Carlson, De Keersemaeker. Er leek geen enkel houvast of gereedschap voorhanden om dit in de voorgescheven veertig regels te beschrijven. Het werden dus al snel zestig regels of meer, tot wanhoop van de bureauredactie. Een danscriticus moest, en moet nog steeds, een omnivoor en all rounder zijn, want de dans hield zich niet bij haar leest en legde steeds meer dwarsverbanden met andere kunsten. De dansvernieuwers van 1975-1985 dwongen een gedegen interesse af voor de eigentijdse ontwikkelingen in beeldende kunst, literatuur, muziek, film. Sommige van mijn collega's zagen dat binnenhalen van andere disciplines als een zwaktebod en een verloochening van het dansambacht, anderen (ik ook) zagen het als een aanwinst en een bewijs van de onmetelijke reikwijdte van dans.

Het krantepapier van die oude recensies is thans verkrummeld, recycled dan wel door katten bepist. De voorstellingen zijn aan flarden. Sommige van die flarden heb ik nog flitsscherp in mijn geheugen en dat geldt ook voor de acht door Marc Jonkers voor zijn festival geselecteerde producties. Zijn keuze komt mij zeer terecht voor. Mijn muzikale geheugen blijkt daarentegen veel slechter dan mijn geheugen voor beeldsignalen.

In de studio van het voormalige Dansproduktie, thans omgedoopt in Stamina, zijn de Bianca, Truus, Pauline, Patrice en Margie uit 1979 vervangen door Rosanne, Nathalie, Elke, Nunuk en Petra, vijf studenten van de Rotterdamse Dansacademie. Zij volbrengen onder het toeziend oog van de echte Bianca hun eerste doorloop van de tien duetten uit 'Lopen', voor het eerst live begeleid door Henk van der Meulen aan de vleugel. Voor hem ligt het armzalige restant van zijn compositie: twee verkreukelde velletjes met behalve wat Hoketus-akkoorden ook de veelzeggende aantekening 'na de oksel tot aan het bolletje'.

Terzijde van de vloer staan twee grijs geschilderde tuinbankjes. 'Authentiek', grapt Van Dillen. Slechts een dwarslatje ontbreekt. De choreografe, die inmiddels meer dan 33 uur dans heeft gecreeerd, heeft enkele weken geleden de vijf amper 20-jarige studenten op hun fysieke kwaliteiten, persoonlijkheid en kracht uitgezocht en daarbij heel bewust elke vorm van typecasting vermeden. Zonder hulp van de zwart-grijze videobeelden zou ik niet zo gauw weten wie welke rol kreeg toegekend. Dat doet ook niet terzake. Bij deze reconstructie gaat het immers om de vertaling van een innerlijke dansbeleving en niet om een uiterlijke overeenkomst met de originele cast.

De doorloop doet mij beseffen dat het geheugen als een verrekijker werkt. Gebeurtenissen uit het verleden komen dichtbij, in omgekeerde stand schept-ie afstand tot onduidelijke gebeurtenissen om ons heen. Al werden de acht choreografieen destijds al betrekkelijk snel uit de roulatie genomen, toch herinner ik me nog levendig welke diepe indruk zij stuk voor stuk maakten. Wat zeker meespeelt, is dat de dansers-choreografen van toen produktief zijn gebleven. Hun carrieres werden een fascinerend vervolgverhaal en al is het in deze kunst niet mogelijk even naar het begin terug te bladeren, die eerste hoofdstukken laten zich niet vergeten.

Ton Simons is nog steeds huischoreograaf bij Kathy Gosschalk en hoewel hij Merce Cunningham niet meer als zijn lichtend voorbeeld neemt, heeft hij die erfenis nooit verloochend. Ton Lutgerink heeft ondertussen Onafhankelijk Toneel en het zojuist opgerichte Dansers Studio als zijn achterban en bleef zijn interesse voor beeldende kunst en literatuur trouw. Hans Tuerlings kreeg na tien jaar freelancer-schap de Dansvoorziening in het Zuiden onder zijn hoede gesteld. Zijn vierjaren plan, getiteld 'Reis', is een duidelijk vervolg van zijn 'Wasteland'expeditie uit 1981. Maar ook zijn 'Om los te lopen' op de Italiaanse hitparade uit 1976 zal een pittige reminder zijn, waaruit te herleiden valt hoe cynisch de Tilburgenaar toen al was.

Krisztina de Chatel gebruikt nog altijd reductie-principes als de teugels van haar tomeloze temperament en hoewel 'Lines' (1979) een markanter voorbeeld van haar signatuur is, vervult ook het nu herhaalde 'Chance' uit 1988 die functie heel treffend. Bianca van Dillen heeft nog altijd dezelfde pretenties in haar eerbied voor moderne muziek en haar behoefte aan conceptuele dansconstructies, zoals zij dat reeds in 'Lopen' liet zien. Het bouwen van torentjes bussekruit met andermans ledematen is echter niet meer haar karakteristieke signatuur. Ook Jacqueline Knoops bleef trouw aan haar danspoezie die zij 'In golven' (1981) liet stromen. De golven werden dan ook opgevolgd door 'Slips and Streams'.

Al hun choreografieen sinds 1975 tonen een heel organisch verloop, waarin steeds vanuit een andere invalshoek hetzelfde werd benaderd. Het staat buiten kijf dat de zogenoemde tweede moderne dansgeneratie een bijzonder sterk dansstempel op de jaren tachtig drukte. Van de oorspronkelijke vijf kernleden van Dansproduktie is alleen de eerste die er vertrok still going strong. Truus Bronkhorst krijgt daarvoor in november de Sonia Gaskellprijs overhandigd.

In de laatste vijf jaar hebben velen van deze generatie een egodocument in dans afgeleverd, zichzelf dezelfde vraag stellend die Marc Jonkers nu in het algemeen aanzwengelt: waarom is de moderne dans zo aan zichzelf voorbij gerend?; waarom gaf zij zich niet de tijd om te reproduceren?

Wil men een correct beeld van de mechanismen in de traditievorming binnen de moderne dans krijgen, dan zou men de duetten van 'Lopen' direct na Van Dillens laatste grote produktie 'Stamina' moeten zien. Was 'Lopen' destijds de doorstoot om haar subsidie te verlenen, 'Stamina' gaf de doorslag om haar die weer af te nemen. Datzelfde geldt voor 'In Golven' en 'Stills' van Jacqueline Knoops. Waarom werd de choreografie van deze twee choreografen passe bevonden? Alleen omdat er nu zoveel nieuwe lopers op de baan staan te trappelen, of ook omdat die oude dansrecords ons niet meer kunnen verrassen, zoals ook de tijden van Ard en Keessie al lang gesneuveld zijn?

Dat laatste blijkt tijdens de nieuwste doorloop van 'Lopen', met een tweede, jonge cast, op onjuistheid te berusten. Wel valt mij op, dat de amper 20-jarigen van nu nog niet de volwassenheid hebben om de geest van de amper 30-jarigen van toen te belichamen. Ze wekken de indruk (nog?) niet te beseffen welk een onderhuidse erotiek in het duetten-systeem besloten ligt. Deze vorm en conceptuele benadering van dansen is hen ook vreemd, getuige het balletmanierisme waarop zij onbewust en automatisch steeds terug vallen. Lopen en balansen aanhouden op parallelle voeten blijkt een zware opgaaf.

Hetzelfde euvel doet zich een week later voor bij de doorloop in de Rotterdamse Dansacademie van 'Let's start a magazine' uit 1981. Dat was een van de eerste voorstellingen van Ton Lutgerink waarin dansers al dansend teksten voordroegen en zongen, een acteur meewerkte en de beschilderde dansvloer nieuwe perspectieven opende.

Zowel Van Dillen als Lutgerink constateren dat hun creaties de tand des tijds doorstaan hebben. Lutgerink: “Het is langer geleden dan ik dacht, maar ik zou het nu zo weer gemaakt kunnen hebben.” Van Dillen: “Sinds drie weken durf ik met zekerheid te stellen dat die duetten niets van hun zeggingskracht verloren hebben. Het concept deugt nog steeds.”

Ongetwijfeld hebben dansprogrammeurs en beleidsmakers in de afgelopen tien jaar veel kinderen met het badwater weggegooid. Maar ook de kinderen zelf hadden te veel haast om wat langer bij hun creaties stil te staan. Door het subsidiesysteem, dat voortdurend nieuwe waar voor zijn geld eist, hadden de dansvernieuwers ook weinig gelegenheid om hun creaties van hun eerste cast te ontkoppelen. Zij stopten hun opgedane ervaringen liever in nieuwe produkties. Met dit festival worden de subsidienten en producenten, maar ook de dansmakers, hun publiek en de critici daar nog eens met de neus bovenop gedrukt. Traditie vormt zich niet vanzelf, maar wordt gemaakt, is de boodschap van programmeur Jonkers.

Hoe moeilijk dit is in de kunst van panta rhei ('alles stroomt'), wordt vooral door de richting van het draaiwiel van de dans verklaard. 'Wie wat bewaart, die heeft wat' werd in deze kunstsector stelselmatig van minder belang geacht dan 'Wat niet weet, wat niet deert'. Men kan zich afvragen waarom dat zo is en hoe schadelijk de gevolgen van dit achterstallig onderhoud zijn. Het dilemma waarmee elke dansgeneratie op haar eigen manier kampt, is het gegeven dat dans zich niet in haar oorspronkelijk staat laat bewaren. Dans is een kunst die elke voorstelling opnieuw wordt, en nooit is. Dat mag het dansbedrijf tot een deerniswekkende zaak maken, maar ook tot een unieke tak van kunst. Haar hier-en-nu karakter sluit de danskunst echter niet af voor het verleden. Dans is een doorgeefluik, op het scherp van de snede.

Het ingewikkelde van die traditievorming is dat deze betrekkelijk weinig met de dansprestaties zelf te maken heeft en bijzonder veel met externe factoren. Dansers en choreografen die geen leidende posities binnen dansinstellingen bekleden, hebben daar geen of nauwelijks greep op. Daarvoor zijn inderdaad programmeurs nodig die het belang van geschiedenis hoog achten en zo nu en dan ook achterom willen kijken. Marc Jonkers behoort tot deze met uitsterven bedreigde soort. Hij greep zijn kans voordat de terreur der grijze cellen een reconstructie voorgoed onmogelijk maakt en ook de videobanden alleen een mistige brei laten zien. Een prijzenswaardig initiatief.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden