Dang-rang-takke-takke-dang! Lawaai in de stilte

Alle grenzen in de Europese Gemeenschap moeten na 1992 zijn geslecht, alleen de cultuur van ieder land afzonderlijk kan op bescherming rekenen. Waarin onderscheiden de landen van de EG zich? in twaalf landen geeft Trouw een beeld van hun culturele identiteit. Na GRIEKENLAND, DUITSLAND, PORTUGAL, BELGIE, DENEMARKEN, IERLAND, GROOT-BRITANNIE, NEDERLAND, FRANKRIJK en ITALIE vandaag deel 11:SPANJE. zie ook pagina 5 en 6

Antonio woont in de vallei. Een grillig slingerende bergketen grendelt zijn cortijo (kleine boerderij) en zijn stukken grond van de rest van Spanje af. Je moet moeite doen om zijn cortijo te bereiken, maar bewandel je de slingerweg uit het dorp eenmaal een paar kilometer, dan merk je al dat je zult vinden wat je zoekt: rust. Het asfalt gaat over in een grindpad, met daarin gaten en zand. Het was misschien verstandiger om een ezel te huren, waarmee reisgenoot plus bagage over de bergen naar de vallei konden worden gebracht. Maar ezels verhuurt het dorp niet. En hoe bestuur je zo'n beest? De enige taxichauffeur kan zijn klantenkring zo klein houden als hij wil: ritjes de bergen in doet hij al jaren niet meer. Niet zo zeer om het geld - je bent al gauw een uur in de bergen onderweg - maar om zijn autobanden te sparen. Als je geluk hebt, en Antonio zin, dan komt hij je met zijn auto ophalen. Auto is een te groot woord maar zijn witte Renault heeft vier wielen en klaarblijkelijk ook een motor. We gaan op weg - pas op je hoofd! De inzittenden schudden en wiebelen als een school stuurloze haringen door elkaar en moeten boven de motor uitschreeuwen. Maar vooral boven het geklapper van de achterklep die met twee touwtjes in de scharnieren hangt, en dat van het rechter spatbord dat op de een of andere manier nog aan de auto bengelt.

Antonio heeft de knoestigheid van het land in zijn gezicht en op zijn gehavende armen, en de lokale kleur van geel-donkerrode aarde op zijn wenkbrauwen. Hij lacht, hij stuurt zo goed als dat gaat en schreeuwt (!Wat een koe!) en groet naar een boer die met zijn kalfs-hoge hond even uit de weg gaat. Iets verder - het aantal boerenhuisjes wordt nu snel minder - stopt hij en zet de motor uit. Er moet bij de buurman naar diens kippen (wit en groot als kalkoenen) en pasgeboren varkens gekeken worden. Antonio wil het big met de zwarte oren kopen. Tegen het volgende najaar moet hij vet gemest als wintervoedsel voor de hele boerderij te dienen.

We gaan verder. Aan beide kanten van het grindpad rukken de bergen op, pal voor ons dient zich een bananenplantage aan. Naarmate we stijgen wordt het warmer, stoffiger en lawaaiiger, want het aantal kuilen stijgt. De bergwanden zijn bebost, met hier en daar een scherpe, duidelijk niet door de natuur gemaakte afscheiding, recht naar beneden. Alsof het een landingsbaan is. Een skipiste? "Nee" , zegt Antonio beslist, "die stroken zijn gekapt om de voorkomen dat een brand de vallei verwoest. Antonio kent zijn streek, haar mensen en dieren. De geiten moeten dagelijks op kot - ook hartje zomer - omdat ze de ochtendnevels niet verdragen. Antonio's mulat moet na elke tocht worden afgedroogd omdat hij verkouden van zijn eigen zweet kan worden. De mulat laat hij in het dorp beslaan sinds de hoefsmid niet meer door de bergen trekt. De herdershond Carlos begeleidde de boer en zijn muildier steeds op weg naar de smid. In het dorp aangekomen ontstond vervolgens een opwinding van jewelste - althans onder de dieren. Carlos rende elk huis met openstaande deur binnen (zeg maar het hele dorp), de mulat volgde even enthousiast als doortastend met de boer op zijn rug. Antonio moest moord en brand schreeuwen om zijn twee viervoeters weer in het gareel te krijgen.

Hij is een tevreden mens. Hij is geen grootgrond-bezitter, maar verbouwt op de hellingen van de vallei zijn eigen olijven, aardappelen, andijvie en tomaten die - daar hoeft niet over getwist te worden - de lekkerste van Spanje zijn. Als een kind zo trots kan hij van zijn bergakker terugkeren, een krop andijvie met wortel en natte aarde eraan voor zich uithoudend. Hij overhandigt je de krop alsof die het schitterendste bloemenboeket ter wereld is. "Nou? Mooi blad of niet? En knapperig! Zie je die sterke wortel? Zo zie je ze op de diepvriespakken niet he?"

Pilar woont in de stad en wil ooit op het platteland gaan wonen. Maar haar studie moet voltooid en wat zou een advocaat eigenlijk in een gehucht moeten doen? Ze houdt van haar stad en scheldt er dus voortdurend op. Ze scheldt trouwens tegen iedereen, ook als ze gewoon praat. Het is ook zo'n godgeklaagd en dagelijks lawaai om haar heen; daar moet je het als Spaanse stedeling wel tegen opnemen! Dang-rangtakke-takke-dang! Het eerste rolluik luidt het begin van de siesta in. Daar stort er nog een naar beneden, ginds nog een. "Wat zeg je?" , schreeuwt Pilar. Ze lijkt zowaar bij machte de ratelende rolluiken te overstemmen. Een van haar dochters - Schotse rok, wit overhemd, witte kousjes - krijgt een klap om de oren. Vindt Pilar het vervelend dat de vuilnis in haar stad om vier uur 's nachts wordt opgehaald? Ze is er aan gewend; aan de vuilcontainers die piepend en krakend in een beugel worden gehangen om dan met oorverdovend lawaai in de vuilwagen te worden gesmeten. Een stad moet nu eenmaal niet vervuilen nietwaar? Zeker in een warm land niet. Dus moet er vaker dan een keer per dag vuilnis worden opgehaald.

"Maar waarom maak je je zo druk om die vuilnismannen" , vraagt Pilar, terwijl ze in hoog tempo met haar hand wappert, alsof ze traint voor de volgende klap die een van haar kinderen onherroepelijk gaat krijgen. In een omtrekkende beweging probeer je uit te leggen dat wij in Nederland glasbakken hebben, waar - dag en nacht - glas in kapot wordt gegooid, en die later door vrachtwagens geleegd moeten worden. In sommige wijken wordt een glasbak al om zeven uur 's ochtends geleegd, en als je daar even niet op bedacht bent zit je na zo'n orkaan van brekend glas wel mooi rechtop in bed.

Pilar is niet onder de indruk. Misschien is ze ook wel teveel aan de stad gewend geraakt om naar het platteland te gaan. In een stad gebeurt nou eenmaal veel meer. Neem het lawaai van afgelopen nacht. Of heb je niks gemerkt soms? Zo tussen vier en vijf uur? Pilar knikt en smijt een handje olijfpitten naar een slapend hondje. Dat tijdstip lijkt in Spanje het uur der waarheid te zijn - veel meer nog dan de opschudding die dagelijks na de siesta ontstaat.

Gisternacht, iets na vieren. Het hotel ligt op een oor en blijft dat ook doen als er een tamelijk paniekerende schroeilucht de kamers binnendringt. Nergens op de gangen weerklinkt !Que pasa!, niemand hangt uit het raam. Buiten in de steeg naast het hotel staan vier mannen naast een dampende kar. Geen frituur- of olijfdampen, maar hete asfalt kringelt naar boven. Ze praten op gedempte toon en overleggen in rustige armgebaren. Olielampen lichten hen bij. Ze hebben ondiepe, merkwaardige smalle en lange lijnen in de steeg gegraven. Ongeveer precies de vorm van een lijkkist. Ze zitten op dit uur toch zeker niet stiekem te begraven? Twee kisten zouden net naast elkaar in de steeg passen. En precies in de vakken die de mannen groeven. Maar dat is belachelijk! Dit is een keurige Spaanse stad en geen studio voor flauwe griezelfilms.

Een vak wordt volgegoten met asfalt, twee mannen strijken het oppervlak met een plankje glad. De twee anderen storten wit asfalt in het andere vak, waardoor de steeg twee pianotoetsen krijgt. Wordt hier, op dit tijdstip, een zebrapad gemaakt? Uit de steeg komt nooit verkeer en er steekt ook nooit iemand over. En is een zebrapad dat uit twee balken bestaat wel een zebrapad?

Pilar haalt haar schouders op. Ze zegt dat het de normaalste zaak van de wereld in Spanje is als gemeentewerkers tegen drie uur 's nachts de sinaasappelbomen van de stad gaan besproeien. Dat maakt lawaai ja, en ze zingen er nog bij ook en ze hebben oranje zwaailichten op hun spuitwagens, anders worden ze door dronkelappen aangereden. Als ze overdag spuiten verdampt het water meteen, zo simpel is dat.

Pilar heeft vrienden in Galicie die juist pas tegen sluitingstijd - ergens na drieen dus weer - hun Galicisch vuurdrankje gaan drinken. Bij voorkeur aan de grote tafel onder de pergola want van vuurtje stoken krijg je het zeker in Spanje warm. De drank is te sterk om puur te drinken en moet, samen met suiker en een schijfje citroen, zo'n half uur in een aardewerken schaal branden. De Galiciers hadden eerder al op Pilars komst geklonken, maar hoe de schaal met twee liter brandende alcohol was omgevallen, wist Pilar zelf ook niet meer. In ieder geval hadden de vlammen snel toegeslagen: op tafel, in het dak van druivebladeren en in overhemd en baard van de gastheer. De baard was in een oogwenk verdwenen geweest. Even had hij een kreet geslaakt, maar geschreeuwd had de gastheer niet. Zijn 83jarige moeder kon immers eens wakker worden. De Galiciers waren snel van de schrik bekomen en hadden nieuwe vuurdrank laten halen. Dit keer ging het goed, ze dronken tot het ochtendgloren, iedereen was vrolijk. De gastheer nog het meest van allen: zijn moeder was namelijk niet wakker geworden.

Na zo'n verhaal kan Pilar je heel gemeen aankijken. Ze is te volwassen voor een zie-jenou-wel-blik, maar haar ogen verraden iets van bevredigde verongelijktheid. Juist op die momenten moet je bij haar voorzichtig zijn; je weet het immers nooit.

Waarom heerst er op Spaanse busstations toch altijd een urenlange rust en waarom barsten lawaai en dieseldampen zo heftig los als de eerste autobus het station binnenrijdt. Het hele busstation wordt dan voor een minuut of tien completamente loco.

Nu wordt Pilar gemeen: ik begrijp niet wat daar typisch Spaans aan is. Overal ter wereld ontstaat toch beroering als een trein, bus of vliegtuig aankomt of vertrekt? Natuurlijk! moet je met arena (zand) tussen de tanden nu wel toegeven. Pilar heeft weer een ruiter uit het zadel gestoten, en geniet daar onbeschaamd van.

Je kunt nog tegenwerpen dat er een bijna metafysisch moment aanbreekt tussen het urenlange wachten van de passagiers en de plotseling en toch niet onverwachte per microfoon aangekondigde bestemmingen. !Atencion! Senores pasajeros... Dat er plotseling van zittend of hangend wachten een turbulentie loskomt die onbeteugelbaar en even dreigend lijkt. Maar heeft iedereen zijn in visgraatvorm gegroepeerde perron en dus bestemming eenmaal gevonden, dan weerkeert een ander soort rust en een ander soort wachten. Alle bussen ronken hun dieselwalmen door de (doorgaans) overdekte stations, vrouwen slaan hun sjaal voor mond en neus, men wacht naast de bus tot dat de deur opengaat. Geregeld is er binnen de bus even ruzie over de zitplaatsen ook al staan die op het buskaartje vermeld. De een vindt nu eenmaal dat het op de rugleuning geschroefde stoelnummer correspondeert met de stoel er achter. Een andere passagier die daar al keurig zit te zitten beweert het tegenovergestelde. Een kwestie van sol y sombra. Toch rijdt de bus nog steeds niet. De deuren van de bagageruimte zijn gesloten. Alle passagiers zijn binnen, de chauffeur heeft de kaartjes al lang gecontroleerd en frommelt wat in zijn dashboard. Binnenshuis is het kalm, zelfs niemand vraagt hardop waarom we niet vertrekken. Het antwoord komt van buiten: de geuniformeerde perroncheffin komt woedend naar de bus toegestampt, een voetbalfluit in de mond en in volle werking. Je moet vertrekken! Je moet nu weg! Waarom ben je nog niet weg?, gilt ze uit alle macht. Zelfs de passagiers schrikken van zoveel lawaai. De chaufeur probeert

antwoorden maar komt niet boven de stationsfluit uit. Hij haalt de schouders op, zet de versnelling in de achteruit en vertrekt. Op het moment dat de bus de stationspoort uitrijdt loopt de perron-cheffin naar de cafeteria. Haar schouders staan weer op ontspannen, ze praat met een collega, ze heeft waarschijnlijk dorst.

Pilar heeft met haar nagels zitten spelen en staat nu abrupt op. !Vamos! Tapastijd! De bar had in Jaen Pontevedra Garucha of La Mancha kunnen staan - het interieur is overal in Spanje hetzelfde. Slechts taal en lokale biersoort maken duidelijk in welk deel van Spanje je bent. Al heeft de Spaanse bar zes of negen hoeken; in een ervan is onveranderlijk een tv-toestel opgehangen. Altijd aan, ongeacht programma of tijdstip en nooit zacht. In een andere hoek staat steevast het leger sigarettenautomaten en de maquinas tragaperras, de 'inslikkers'. Deze gokkasten onderscheiden zichzelf onderling door hun eigen melodietje uit te stoten. Het is een baltsbeweging, een lokroep aan de klant: kom gok met mij. Doordat er vaak meer dan twee gokapparaten zijn moet de individuele vogeltjesmars op versterkt volume worden afgespeeld. De lokroep verhevigt tijdens het gokspel en bereikt oorverdovende hoogten, maar is ook in ontspannen toestand actief zeg maar permanent in bedrijf dus, zoals de tv. De barman heet overal Jaime en wast zijn bestek met trossen tegelijk af waardoor hij Pilar niet hoort. Die heeft met haar kenmerkende kalkoenenklank al zes keer de aandacht getrokken. !Hola! !Hombre! !Oiga! Tevergeefs. Ze tokt met een koperen munt van honderd pesetas op de stalen toonbank, je kunt het best slaan noemen.

Jaime hoort het niet. Uit de luidsprekers klinkt betonrock, de vogeltjesmars zet weer in, het capuccino-apparaat zet zich stomend en gillend in beweging, de sinaasappelpers draait met dezelfde inspanning als een betonmortel, schotels worden met z'n tienen tegelijk afgewassen, en mogen daarbij op de een of andere manier het contact met elkaar niet verliezen. Soms telefoneert een barklant met z'n draagbare telefoonhoorntje. Hij vraagt niet of de muziek zachter kan, maar gaat zelf werktuiglijk op fortissimo over.

We nemen afscheid, de bus naar de vallei wacht. Pilar is kwaad dat ze niet snel genoeg haar Ponche-likeur krijgt en zegt dat ze wel wist dat de bar niet klopte. Daarom, legt ze zonder glimlach uit, lopen de Spanjaarden ook altijd een bar in en weer uit, op weg naar de volgende. Maar dan weten haar vrienden toch nooit in welke bar ze is? Jawel, want de Spaanse stedeling heeft zijn eigen barcircuit, dat doorgaans uit zes of acht bars bestaat. Bij de achtste aangekomen begin je weer bij de eerste en zo tref je altijd bekenden.

In de vallei weerklinkt geen vogeltjesmars. Een krekelleger is op oorlogssterkte aan het oefenen, roofvogels vliegen over, heel diep beneden valt nog net de rivier te horen. Tegen de siesta weerklinken de dagelijks terugkerende commando's van de buurman: !Rubio! !Ruuubio! De geiten en schapen gaan naar hun grasveldje in de vallei. Ze storten zich bijna naar beneden en maken met hun bellen een woest carillonstuk.

Antonio heeft een walkie-talkie in de hand en praat met een andere berghelling; uren lopen en onbereikbaar per auto. Telefoon is in dit gebergte een zeldzaamheid. Een buurman is wat geiten kwijt geraakt en vraagt of Antonio wil opletten. Heb je al everzwijnen gezien? Nee nog niet, het is ook nog te vroeg. In oktober zullen ze wel weer komen. Als de everzwijnen komen, komen ook de jagers te paard weer door het ravijn. Ze ogen stoer en onverschrokken, maar Antonio weet dat dat nogal meevalt. Everzwijnen trekken en famille door de bergen, en doen dat niet bepaald op poezevoetjes. Ze moeten als een colonne tanks door de bossen trekken - dat geluid alleen al moet huiveringwekkend klinken. Schiet de jager een zwijn half of verkeerd dood dan krijgt hij zo'n heel bataljon achter zich aan. Bang voor paarden, noch voor patronen zijn de everzwijnen dan. Mee op zwijnenjacht gaat Antonio niet. De ene keer dat hij mee moest helpen zijn eigen varken te slachten, was al aangrijpend genoeg. Hij moest een tijdje voor zaken weg, en liet de hoeve aan bevriende boeren over. Die hielden alles piekfijn in de gaten, die voederden de kippen, de kalkoen, de geiten, het schaap, de mulat, en Carlos.

Iedereen schrokte zijn eten als vanouds op, behalve het varken. Sinds Antonio's vertrek had hij elke hap geweigerd. Antonio was nog niet terug of het varken begon zich een ongeluk te eten. Hij had zijn baas herkend, hem zelfs wat kinderachtig kwispelend begroet. Antonio had hem beklopt en beaaid als een huishondje, hem diep in de ogen gekeken. Hij had niet durven zeggen dat er binnen twee weken geslacht zou worden. Na de slacht was Antonio gaan drinken in fors en kloek tempo, iets wat niet bij hem past. Die nacht had hij negen vreemde talen door elkaar heen gesproken. Vloeiend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden