Dan zie je af, dat is niet gering

Een mens verhoudt zich een leven lang tot veel of weinig anderen: tot familie, collega's, geestverwanten, vrienden, geliefden, en soms tot God. Maar ook tot plaatsen, muziek, een landschap, een ideologie. 'Waar hoor ik bij' is de vraag waarop het levensverhaal een antwoord geeft. Deel 1

Frank van Ree (1927). Psychiater en psychotherapeut. Verguisd en bejubeld. Hij maakte naam in de jaren zestig met LSD experimenten, in de jaren zeventig met protestacties tegen de elektro-shock en isoleercellen en in de jaren tachtig als psychiater van RAF-terroristen.

De bergen horen bij het eerste deel van mijn leven, de zee, het strand en de duinen bij het tweede deel. Het strand biedt mij de mogelijkheid om alleen te zijn en rustig en ongestoord te kunnen denken bij de eindeloosheid van de golven. Een ontsnapping uit mijn vak. Stilte als uitvlucht. De zee is verbonden met mijn moeder en de rust die ze mijn eerste levensjaren uitstraalde. Ik vluchtte vaak naar haar als 'die beul', zoals zij mijn vader noemde, te bedreigend werd.

De bergen zijn verbonden met mijn vader, met competitie, prestatie en agressie. Hij was chirurg, en uiterst voorzichtig tegenover zijn patiënten, - Jan met de gouden handjes werd hij genoemd - maar tegenover mijn moeder en ons, mijn drie zusjes en mij, gedroeg hij zich vaak agressief. Ik ben zo bang geweest voor die man. Hij probeerde zijn emoties te controleren maar knalde er af en toe doorheen met een enorme driftbui. Als mijn zussen of ik iets gedaan hadden dat volgens hem niet door de beugel kon, keek hij ons aan met zijn blauwe ogen, noemde ons Kareltje en dan wisten we het wel. Hij ging ons voor naar de salon, nam plaats in een grote leren fauteuil, wij moesten voor hem buigen en dan gaf hij ons een ontzettende lel. ,,Een merk voor je leven'', zei hij dan. Gelukkig kwam dat niet vaak voor.

In het dagelijkse leven behandelde hij me meestal als kinderachtig jongetje, maar wanneer we samen in de bergen klommen liet hij merken dat hij trots op me was. Hij was een fervent klimmer. Die tochten associeer ik met prestatiedrang en het verlangen zijn goedkeuring en erkenning te krijgen. Later trok ik vaak met Nelly, mijn vrouw en Jacobien, mijn vriendin, de bergen in. Soms met zijn drieën, soms met zijn tweeën. Op een stralende dag in de zomer van 1976 maakte ik met Jacobien een bergtocht. Het licht was prachtig, de lucht fris. We klommen en keken, zij maakte foto's van het uitzicht en de planten. Om drie uur 's middags begonnen we aan onze terugtocht. Volkomen onverwacht werden we zo'n kleine twee uur later overvallen door een hevig onweer. De stenen werden glibberig, de paden modderig, er was een bliksemflits, Jacobien gleed uit en viel, mijn naam schreeuwend, zo'n dertig meter naar beneden. Toen ik haar bereikte was ze buiten bewustzijn maar ademde nog. Ik ben hulp gaan zoeken, raakte verdwaald en stuitte uren later op de reddingsbrigade die gewaarschuwd was om ons te gaan zoeken. Ze brachten mij naar het hotel, en een paar uur later luidden de kerkklokken. Ze hadden Jacobien gevonden. Dood. Het heeft me drie jaar gekost om weer in evenwicht te komen. In de bergen ben ik jaren niet meer geweest.

De herinnering aan mijn jeugd is de herinnering aan chaos en strijd. Binnenshuis en buitenshuis. Eeuwig en altijd ruzie tussen mijn ouders. Gegil, gehuil, geschreeuw. Als ik het huis verliet had ik het gevoel dat ik ontsnapte aan een groot gevaar, en als ik naar huis ging was ik bang voor hetgeen ik zou aantreffen. Tegelijkertijd woedde daarbuiten die rotoorlog. Ik heb aan den lijve niets meegemaakt maar wel veel gezien. Een eerste beeld. Een vriend van me wordt vlak voor mijn ogen doodgeschoten door een Nederlandse landwachter. Een tweede beeld. Een oude joodse man wordt door een SS 'er met een geweerkolf in zijn nek doodgeslagen. Het traumatische van zulke belevenissen is de onmacht. Je ziet het, maar kunt niets doen. Moet net doen alsof je niets ziet. Ik heb altijd het idee gehad dat machteloosheid aan de ergste oorlogstrauma's ten grondslag ligt. Daarnaast zijn er twee incidenten die me - juist in hun opeenvolging - grondig in verwarring hebben gebracht. Mei 1940. Ik was twaalf jaar. Er waren luchtgevechten boven Amsterdam en een Duits vliegtuig vatte vlam. Er sprong een jongen uit, maar zijn parachute weigerde dienst. Onder luid gejuich van de toeschouwers viel hij te pletter. Ik stond erbij en kon niet begrijpen dat mijn ouders daar plezier om hadden. Een aantal maanden later vloog de parachute van een Engelse soldaat in brand. Hij schoot als een fakkel naar beneden, meisjes van de Duitse Luftwaffe en soldaten juichten, maar mijn moeder huilde en was woedend op dat juichende publiek. Op dat moment verwarde het me maar niet veel later was ook ik besmet met dat vijanddenken, zoals de meesten van mijn generatie. De onredelijke manier waarop ze alles wat Duits en Japans is voor vuil en rot blijven uitschelden, die diepe haat. De dood van de ene vreemde moet je betreuren, van de andere vreemde toejuichen. Het heeft me jaren gekost om dat vijanddenken los te laten; het is waanzin om de onbekende ander te bestempelen tot mof, jap, ploert, schoft, duivel.

Ik heb met mijn lichaam een eeuwig gevecht gevoerd. Dat hangt samen met de fysieke prestaties die mijn vader van mij eiste. Ik was zeven jaar. We logeerden in Oostenrijk aan de Plansee: een meer van zeven kilometer lang en één kilometer breed. Mijn vader eiste dat ik het meer in mijn eentje in de lengte zou overzwemmen. Hij zou meelopen langs de kant. Wanneer ik me beroerd voelde moest ik mijn handen omhoog steken en dan zou hij mij wel komen halen. Ik had enorme angsten. Was bang dat de grote forellen die in het hotel opgezet aan de muur hingen me zouden aanvallen. Maar er was geen ontkomen aan, pa's wil was wet. Hij nam me mee op bergtochten waarvan de gidsen zeiden dat het gezien mijn leeftijd onverantwoord was. Het is bijna een tweede natuur van me geworden om mijn lichaam op te jagen. De laatste keer nog in 1994, toen heb ik tweehonderd kilometer gelopen in veertig uur. Dan zie je af, dat is niet gering, maar er staat iets tegenover. Mijn lichaam heeft mij bewezen dat ik niet laf ben, en sterker dan mijn angsten. Maar als heilig huis is het in elkaar gestort. Ik ben nu veel te dik, maar het kan me niet meer schelen. Als ik een lekkere borrel wil drinken doe ik dat. Zonde om het te laten. Ik ben verzoend met dit tot pudding omgevormde lichaam. Ik heb vouwtjes, spek, een dikke buik maar het interesseert me niet.

Ik ben van geen enkele partij of beweging ooit lid geweest. Niet vanwege principiële bezwaren maar omdat ik me in geen enkele geïnstitutionaliseerde richting kan vinden. Er is geen sluitend systeem van denken. Daar is de mens niet toe in staat. Ik geloof ook niet in een moraal die bedacht is. Moraal moet tot stand komen vanuit de gevoelsontmoeting met anderen. De banale uitdrukking: 'wat gij niet wilt dat u geschiedt doet dat ook een ander niet' is heel fundamenteel en pedagogisch bruikbaar. Daarbij kom ik in politiek opzicht uit op de democratie. Een democratie is een zeer ethisch systeem. Het geeft vorm aan de waardigheid van de mens. En het wereldfederalisme spreekt me erg aan. Ik ben een van de oprichters geweest, direct na de oorlog, ook als reactie op het nationale geweld dat gestopt diende te worden.

Binnen de psychiatrie hoor ik bij geen enkele stroming maar ik voel me nu verwant met Van Danztig, zijn empathisch denken, de gevoelige manier waarop hij over zijn patiënten praat. Hij is een van de weinige collega's die mij en mijn werk waarderen. Ik heb nooit erkenning van mijn vakgenoten gekregen. Wel schreven ze, als ik het vroeg, mooie ten geleides voor mijn boeken, maar ze citeren me nooit. Ik weet dat ze mijn boeken lezen en sommige dingen overnemen of bepaalde standpunten delen maar ze zullen het niet zeggen. Ik heb lang last gehad van dat gebrek aan erkenning, het was een gevoelige herhaling van de relatie met mijn vader.

De godsdienstoorlogen waren bij ons thuis niet van de lucht. Mijn beide ouders waren van gereformeerde huize. Mijn vader streng gereformeerd, mijn moeder lid van een sectarische gemeente in Baambrugge. Een klein kerkje met een hoge kansel vanwaar de dominee Gods woord op haar neerdonderde. Toen ze mijn vader ontmoette moest die al niks meer van het geloof hebben. Tijdens de verloving kreeg mijn moeder gewrichtsreuma waardoor ze maanden lang met hoge koorts en hevige pijn op bed lag. Op een gegeven moment voelde ze zich sterk genoeg om in het eerste lentezonnetje een kleine wandeling met mijn vader te maken. Dit kwam de dominee ter ore die hieruit concludeerde dat ze blijkbaar wel een rondje om, maar niet naar de kerk kon lopen. Vanaf de kansel volgde het oordeel: 'Jacoba Schouten, die ontrouw aan de Gereformeerde Kerk is geworden, wordt als rot lid daarvan afgestoten'. Mijn moeder was diep gekwetst. Mijn vader reageerde 'Nou is het gesodemieter afgelopen, met die rotkerk wil ik niks meer te maken hebben' en stelde zich vanaf dat moment op als agressief atheïst. Mijn moeder was overdonderd en onzeker, maar bleef haar geloof in stilte trouw. Ze las mij stiekum uit de kinderbijbel voor en stimuleerde achter de rug van mijn vader om de kerkgang van een van mijn zussen. Die zus trouwde later met een Italiaan en liet vanuit Italië weten dat ze katholiek werd. Mijn vader zei: ,,Mijn dochter een paap? Dan komt ze er niet meer in.'' Mijn zus werd jarenlang verstoten. Mijn respect voor godsdienst is denk ik mede ontstaan omdat ik gezien heb hoe veel leed het teweegbrengt wanneer je de ander de rug toekeert om zijn levensbeschouwing. Daarom betreur ik het ook dat Freud zo weinig begrip heeft voor het religieuze in de mens. Ik vind hem een groot denker en analyticus, hij heeft de empathie de psychiatrie binnengebracht maar ik heb moeite met zijn vijandige houding tegenover religie. Ik ben agnost maar vind dat je op zijn minst moet begrijpen wat voor rol geloof kan spelen in het leven van mensen. Freud is in zijn weerstand tegenover religie niet ontkomen aan zijn eigen neurose. En in navolging van hem hebben de meeste psycho-analytici het religieuze leven op de schroothoop gegooid. Met alle gevolgen vandien. De belangstelling voor het alternatieve denken in onze tijd komt niet uit het niets. De gewone wetenschap heeft het op levensbeschouwelijk gebied af laten weten.

Vroeger hoorden drift en agressie bij mij, nu het huilen. Lekker huilen, dat mocht ik nooit. Dan was ik een Ciska en een doetje. Ik ben de laatste vijftien, twintig jaar minder driftig, zachter.

De omslag vond plaats in 1982. Mijn biecht noem ik het. Ik ben in een aantal opzichten psychiatrisch patiënt geweest. Ik geloof overigens dat iedereen dat is, u ook. Iedereen heeft zijn eigen psychiatrie, zijn eigen neurosen en gekte. Bij mij was dat de neiging tot drift en woede, maar meer nog de ziekelijke manier waarop ik fantaseerde. Dat is na de oorlog begonnen. Een groot aantal jaren vertelde ik mijn vrouw, zoons, vrienden en kennissen over mijn sportprestaties, Ik had verschillende bergen, waaronder de Matterhorn beklommen - nou, op geen stukken na dus - maar de beschrijving van de beklimmingen waren zo realistisch, inclusief details over hangen in een matje aan de rotswand in het holst van de nacht, dat iedereen me geloofde en onder de indruk was. Het had achteraf gezien natuurlijk te maken met de rivaliteit met mijn vader. Een andere leugen ging over de oorlog. Ik heb wat krantjes weggebracht, en een keer Joden geholpen maar dat waren incidentjes. Maar ik vertelde dat ik grootse verzetsdaden had gepleegd. Ik had een Duitse vrachtwagen met een handgranaat in vlammen op laten gaan en drie Duitse soldaten gedood. Allemaal fantasie. Gelukkig, denk ik nu. Inmiddels heb ik begrepen dat meer mensen dergelijke fantasieën hadden. Mijn vrouw merkte af en toe dat iets niet klopte maar als ze daar wat van zei werd ik kwaad. Maar de jaren verstreken, de oorlog kwam steeds verder achter me te liggen, ik hield van mijn vrouw en mijn zoons, zij werden ouder en ik stond voor de keuze: of de leugens volhouden of ze opbiechten. En ik wilde die leugens niet meer. Ik walgde hoe langer hoe meer van mezelf. Ik wou mijn pathologie kwijt. Ik heb er lang mee geworsteld tot ik in 1982 op een avond de stoute schoenen heb aangetrokken.

Tijdens een tentoonstelling bij ons thuis waar mijn vrouw en mijn zoons, een aantal collega's en kennissen waren, heb ik een borrel geschonken en gezegd: ,,Ik zal jullie wat gaan vertellen over de patiënt Van Ree.'' En ik biechtte op dat ik nooit in het verzet had gezeten, nooit die grootse klimprestaties had geleverd. Toen ik dat verteld had viel er een enorme last van me af. Pas veel later begreep ik wat ik daarmee mijn zoons had aangedaan. De oudste zei : 'Je was onze held, onze geweldenaar en dan ga je op een avond waar anderen bijzitten vertellen wat voor een charlatan je bent. Het beeld dat we van jou als vader hadden viel in één klap in duigen.' Gelukkig zijn we eruit gekomen. Ik geloof dat ik voor mijn zoons al met al een goede vader ben geweest, een aantal rare blunders ten spijt. Daarnaast heeft de oudste geleden onder mijn driftbuien zoals ik onder de driftbuien van mijn vader maar zowel hij als de jongste heeft gezegd: 'we hebben nooit getwijfeld aan het feit dat je van ons houdt'. Maar om terug te komen op die biecht: dergelijk zelfonderzoek is in mijn ogen de eerlijkste psychiatrie. Ik heb een grote weerzin tegen al die psychiaters en psychologen die de keurige, niets-mankerende therapeut uithangen. Die doen alsof ze neurose-vrij zijn. Door zo'n houding stigmatiseren ze de patiënt en vertragen ze het herstelproces. Ik geloof helemaal niet in afstand in die zin. Ik denk dat het goed is om straight te zijn.

Ik heb een hekel aan stand als statussymbool. Mijn moeders vader hoorde tot de notabelen van het dorp. Hij was, wat ik geen reclame vind, een vriend van prins Hendrik. Mijn vader was de zoon van een slager en kleinzoon van een postbode in Amerongen. Mijn moeder had een verkapt standsgevoel, mijn vader had lak aan stand, aan 'die kaklui' zoals hij het zei. In de oorlog was er in de Banstraat in Amsterdam een school ingericht als ziekenhuis. Veel mensen wilden na een operatie het ziekenhuis niet meer uit want het was hongerwinter en daar kregen ze tenminste te eten. De echtgenote van een grote industrieel dacht dat haar status wel voldoende garantie voor een langer verblijf zou opleveren, maar daarmee was ze bij mijn vader aan het verkeerde adres. Hij wilde haar eruit hebben. Hij nam mij mee naar het ziekenhuis, ging de zaal op, kroop op handen en voeten onder het bed van die vrouw terwijl alle patiënten toekeken, stak zijn hoofd onder het bed uit en zei: Ik dacht dat er wortels uit je kont schoten, maar dat is niet zo dus je kunt wel vertrekken. Die vrouw wist niet hoe snel ze ervandoor moest gaan. De lak aan snobisme heb ik van hem meegekregen en is versterkt door wat ik in India heb gezien. Wij hebben er, met ons gezin en Jacobien, een jaar in diepe armoede gewoond, geleefd en gewerkt. We kwamen vel over been terug in Nederland en ik walgde, vooral van de vrouwen met hun make-up, hun sieraden, dat blauwige permanent en die keurige jurkjes. Het zag er allemaal even chique en onecht uit, ik vond het een decadente verwende rotwereld. Ik zeg het agressief maar zo voelde ik het ook. Nu beleef ik dat allemaal niet meer zo heftig.

Bij mijn patiënten hoor ik als vriend. Dat is me verweten. Ik zou te weinig afstand houden maar daar ben ik het niet mee eens en ik zal het er ook nooit mee eens zijn. Als twee mensen maanden of jaren intensief met elkaar praten dan ontstaat er toch een band? Natuurlijk moet je werken aan het losmakingsproces maar daarmee is de warmte en de sympathie die je voor iemand voelt niet weg wanneer de therapie is afgelopen. Ik heb honderden mensen behandeld en ze zijn praktisch allemaal vrienden geworden. Ik vind het onnatuurlijk om een grens te trekken tussen patiënt, vriend en geliefde. Hoe je er mee omgaat is een andere zaak. Vrijen met een patiënt kan niet. Dat heb ik ook nooit gedaan. Maar het verlangen om met een patiënt te vrijen mag ik hebben. Ik begrijp niet hoe je kunt zeggen dat je dat niet mag voelen. Dat is victoriaans geklets. Collega's die zeggen dergelijke gevoelens helemaal niet te kennen geloof ik niet.

Ik heb meerdere keren LSD genomen voor mijn promotieonderzoek naar de psychische effecten ervan. Tijdens die sessies kreeg ik allerlei visioenen en herinneringen. Op een bepaald moment wilde ik graag dat mijn vrouw zo'n trip zou meemaken. Een vriend begeleidde ons. Hij zou muziek opzetten. Plotseling begon vanuit haar gouden haar een wit licht te stralen Ik zag alleen haar gezicht met een enorme uitstraling. Ik was een wolk licht met haar samen. Het was een overweldigende ervaring. Dan zeggen mensen sceptisch: wat nou,overweldigende ervaring, gewoon vergif. Maar het is heel wat meer. Ik beleefde in die sessies van alles, van een vechtpartij met mijn vader tot dat licht met Nelly, dus de inhoud is wel degelijk signficant. En dan is het griezelige dat psychiaters over een hallucinerende patiënt zeggen: hij is ziek, zonder het waarheidsgehalte in de visioenen te herkennen.

Voor mij was dat visioen van dat witte licht een gelukservaring omdat het bevestigde dat ik in de gewone wereld met Nelly kon leven, dat ik niet altijd in strijd verwikkeld hoefde te zijn. Ik draag dat moment altijd met me mee. Het is de verbeelding van mijn intense liefde voor haar. Onze verhouding is in de loop der jaren aanzienlijk mooier en rijker geworden. De relatie met Jacobien groeide uit een jarenlang intensief samenwerkingsverband, zij was psychiatrisch verpleegkundige. Ons contact, en ook dat van Nelly met haar, was zo intens dat we na twaalf jaar besloten om met zijn drieën te gaan wonen. Toen het huis was verbouwd en ze bij ons was ingetrokken besloten we ons nieuwe leven te vieren met een gezamenlijke vakantie. Op die vakantie is Jacobien verongelukt. Ik moet erkennen dat ik Nelly, hoe intens we al die jaren lang ook met zijn drieeën hebben geleefd, door die relatie met Jacobien tekort heb gedaan. Ook al ging zij er mee akkoord, en ook al hebben we er nooit strijd over gehad. Ik ben nog steeds niet tegen een polygame leefwijze, maar je belast er je partner hoe dan ook mee. En Nelly is daar op een fantastische manier mee omgegaan. Ze is tot op de dag van vandaag een rustpunt geweest. Als ik haar niet had gehad was ik naar de knoppen gegaan. Een zuiper, vechter geworden. Zonder meer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden